Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBLIM:2022:4237 ECLI:NL:RBLIM:2022:4237 AI generated

ECLI:NL:RBLIM:2022:4237 · Rechtbank Limburg

Case Number ECLI:NL:RBLIM:2022:4237
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Strafrecht Parketnummer : 03/220644-20 (ontneming) Tegenspraak Uitspraak van de meervoudige kamer d.d. 1 juni 2022 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de zaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983, wonende te [adresgegevens verdachte] , hierna te noemen: [verdachte] . [verdachte] wordt bijgestaan door mr. S. Weening, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

Legislator headnote

AI generated

artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, artikel 36e Sr; ECLI:NL:RBLIM:2022:4237 · Rechtbank Limburg: Ter terechtzitting is gebleken dat in een civiele procedure die door haar oud-werkgever [naam bedrijf] tegen [verdachte] was aangespannen een schikking is getroffen. Op grond van die schikking is [verdachte] gehouden een bedrag van 54.000 euro aan [naam bedrijf] te betalen, welk bedrag wordt verhoogd tot 80.000 euro indien [verdachte] de overeengekomen betalingsregeling niet nakomt. De rechtbank overweegt dat het doel van een ontnemingsvordering is om het financieel voordeel verkregen door middel van strafbare feiten ongedaan te maken, anders gezegd dat de vermogenssituatie van de veroordeelde weer in een rechtmatige toestand wordt gebracht.

Keywords

AI generated
financial hardship precautionary measure in debt enforcement suspension of payments withdrawal of debt enforcement discontinuation of proceedings suspension of bankruptcy proceedings

Cited Legislation

AI generated
artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
1 juni 2022 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de zaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983, wonende te [adresgegevens verdachte] , hierna te noemen: [verdachte] .
artikel 36e Sr
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Strafrecht Parketnummer : 03/220644-20 (ontneming) Tegenspraak Uitspraak van de meervoudige kamer d.d. 1 juni 2022 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de zaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983, wonende te [adresgegevens verdachte] , hierna te noemen: [verdachte] . [verdachte] wordt bijgestaan door mr. S. Weening, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 18 mei 2022. [verdachte] en haar raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. De behandeling van de ontnemingsvordering heeft gelijktijdig plaatsgehad met de behandeling van de strafzaak met parketnummer 03/220644-20. Op 1 juni 2022 heeft de rechtbank eerst vonnis gewezen in de strafzaak. Vervolgens is de onderhavige uitspraak gewezen. 2De vordering van de officier van justitie De vordering van de officier van justitie strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [verdachte] opleggen van de verplichting tot betaling aan de staat van dat geschatte voordeel.

De officier van justitie heeft dit bedrag geschat op 72.140,58 euro. Volgens de officier van justitie zou [verdachte] dit voordeel hebben verkregen door middel van of uit de baten van de strafbare feiten waarvoor [verdachte] is veroordeeld. 3De beoordeling 3.1 Het standpunt van de officier van justitie en de verdediging Zowel de officier van justitie als de verdediging hebben zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat, gelet op de schikking die in de civiele procedure tussen [verdachte] en [naam bedrijf] is getroffen, er geen belang is meer bestaat om een maatregel als bedoeld in artikel 36e Sr op te leggen. 3.2 Het oordeel van de rechtbank Bij voormeld vonnis d.d. 1 juni 2022 is [verdachte] onder meer veroordeeld wegens: verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd, van een bedrag van 18.754,71 euro; medeplegen van verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd, van een bedrag van 903 euro; witwassen van een geldbedrag, alle feiten gepleegd in de periode van 19 juli 2017 tot en met 11 januari 2019.

Ter terechtzitting is gebleken dat in een civiele procedure die door haar oud-werkgever [naam bedrijf] tegen [verdachte] was aangespannen een schikking is getroffen. Op grond van die schikking is [verdachte] gehouden een bedrag van 54.000 euro aan [naam bedrijf] te betalen, welk bedrag wordt verhoogd tot 80.000 euro indien [verdachte] de overeengekomen betalingsregeling niet nakomt. De rechtbank overweegt dat het doel van een ontnemingsvordering is om het financieel voordeel verkregen door middel van strafbare feiten ongedaan te maken, anders gezegd dat de vermogenssituatie van de veroordeelde weer in een rechtmatige toestand wordt gebracht.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het door de officier door middel van haar vordering nagestreefde doel, wat daarvan in concreto ook zij, reeds is bereikt door de schikking die in de civiele procedure is getroffen. Deze schikking is kennelijk zo geredigeerd dat gewaarborgd is dat het door de officier van justitie aannemelijk geachte genoten wederrechtelijk verkregen voordeel ook daadwerkelijk te niet wordt gedaan, nu die schikking een hoger bedrag betreft dan het totaal van de door de rechtbank bij [verdachte] en [medeverdachte] bewezenverklaarde verduisterde bedragen.

Bij deze stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie, zoals zij zelf ook heeft gesteld, geen strafrechtelijk belang meer heeft bij oplegging van een maatregel zoals gevorderd. De rechtbank zal de officier van justitie daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

4De beslissing

De rechtbank: - verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering. Deze uitspraak is gewezen door mr. M.J.A.G. van Baal, voorzitter, mr. P.W.E.C. Pulles en mr. drs. J.M.A. van Atteveld, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.M.E. de Beukelaer, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 1 juni 2022. Mr. M.J.A.G. van Baal is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.