Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBLIM:2022:4061 ECLI:NL:RBLIM:2022:4061 AI generated

ECLI:NL:RBLIM:2022:4061 · Rechtbank Limburg

Case Number ECLI:NL:RBLIM:2022:4061
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK limburg Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: ROE 20/731 uitspraak van de meervoudige kamer van 25 mei 2022 in de zaak tussen Stichting Kinderopvang Humanitas, te Heerlen, eiseres (gemachtigde: G. Gieben), en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, verweerder (gemachtigde: P.J.J.C. Jonkers). Procesverloop Bij besluit met dagtekening (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaak [adres] te [plaats] (de onroerende zaak) per waardepeildatum 1 januari 2018 vastgesteld op € 267.000,- voor het belastingjaar 2019.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBLIM:2022:4061 · Rechtbank Limburg: Deze in goede justitie vastgestelde waarde behoeft niet te worden gemotiveerd. Wettelijk kader 7. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet woz wordt de waarde van de onroerende zaak bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak moet worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever “de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding”.

Keywords

AI generated
restoration of time limit calculation of compensation amount determination of value replacement value duration of liability expert assessment of value

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHAMS:2001:AA9410
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM Vierde Meervoudige Belastingkamer UITSPRAAK op het beroep van X te Z, belanghebbende, tegen een uitspraak van de Directeur Gemeentebelastingen van de gemeente Amsterdam, verweerder.
ECLI:NL:GHAMS:2015:5017
GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 14/00421 26 november 2015 uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van Stichting [X] te [Z] , belanghebbende, gemachtigden: mr.
ECLI:NL:HR:2020:169
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 19/03803 Datum 31 januari 2020 ARREST in de zaak van STICHTING [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente DRUTEN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 juli 2019, nr. 18/00369, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 17/3967) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Druten voor het jaar 2017 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Q] . De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:GHSHE:2020:4097
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 20/00125 Uitspraak op het hoger beroep van Stichting [belanghebbende] , gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland (hierna: de rechtbank) van 26 maart 2018, nummer AWB 17/3967, in het geding tussen belanghebbende, en de heffingsambtenaar van het gemeentelijk belastingkantoor [de heffingsambtenaar] , hierna: de heffingsambtenaar. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven en daarbij de waarde van [adres] in [vestigingsplaats] (hierna: de onroerende zaak) vastgesteld (hierna: de WOZ‑beschikking). Tegelijk met de WOZ-beschikking is de aanslag onroerende zaakbelasting eigenaar (hierna: de aanslag) vastgesteld. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. 1.3. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.5. Tegen de uitspraak van de rechtbank heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Bij uitspraak van 2 juli 2019 (hierna: de uitspraak van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden) heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de uitspraak van de rechtbank bevestigd. 1.6. De uitspraak van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is op het beroep in cassatie van belanghebbende, bij arrest van de Hoge Raad van 31 januari 2020 (hierna: het verwijzingsarrest) vernietigd en verwezen naar het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch (hierna: het hof). 1.7. De heffingsambtenaar heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld door het hof, bij brief van 27 maart 2020 een conclusie op het verwijzingsarrest ingediend. Belanghebbende is door het hof in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het verwijzingsarrest en op de conclusie van de heffingsambtenaar. Belanghebbende heeft dit gedaan bij conclusie van 22 april 2020. 1.8. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de heffingsambtenaar. 1.9. De zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2020. Aan deze zitting hebben deelgenomen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende en [taxateur] (taxateur) en [heffingsambtenaar 2] namens de heffingsambtenaar. 1.10. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 1.11. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden. 2Feiten 2.1. Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak, gelegen aan de [adres] in [vestigingsplaats] . 2.2. De onroerende zaak betreft een sportcomplex met kantine, tribune, kleedruimten, kassagebouw, koffiegebouw, opslagruimte, voetbalvelden van gras en kunstgras en overige infrastructuur. Het bouwjaar van de oudste onderdelen van de onroerende zaak is 1968. De kantine is in 1981 gebouwd en in 1990 uitgebreid. Een deel van de kleedruimten dateert uit 1968 en een deel uit 2002. De opslagruimten zijn in 2002 en 2016 gebouwd. Op het terrein zijn vier voetbalvelden aanwezig. De grasvelden dateren uit 1968, de kunstgrasvelden uit 2009 respectievelijk 2014. 2.3. De totale oppervlakte van de onroerende zaak is 44.962 m². 2.4. De waarde van de onroerende zaak is door de heffingsambtenaar per de waardepeildatum 1 januari 2016 (hierna: de waardepeildatum) vastgesteld op € 1.480.000. Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak en de aanslag gehandhaafd 2.5. De heffingsambtenaar verwijst ter onderbouwing van de beschikte waarde naar een taxatierapport van 24 januari 2018, opgemaakt door [taxateur] (hierna: het rapport [taxateur] ). De onroerende zaak is door [taxateur] op 2 november 2015 inpandig en op 24 januari 2018 uitpandig opgenomen. In het rapport [taxateur] wordt de waarde van de onroerende zaak getaxeerd op € 1.513.613 (afgerond € 1.510.000). 2.6. Belanghebbende verwijst ter onderbouwing van de door haar verdedigde waarde naar een taxatierapport van 3 augustus 2017, opgemaakt door [A] (hierna: het rapport [A] ). Het rapport [A] bevat enkele foto’s van de onroerende zaak en een matrix. In het rapport [A] is de waarde van de onroerende zaak vastgesteld op € 1.349.000 en staat onder andere het volgende: “- Een pand heeft in het algemeen na de initieel bepaalde (technische) levensduur zijn restwaarde bereikt. Zulks kan anders zijn indien tussentijds een ingrijpende verbouwing of renovatie heeft plaatsgevonden. Alleen in die gevallen kan er gesproken worden over een levensduurverlenging (ECLI:NL:GHAMS:2001:AA9410 en ECLI:NL:GHAMS:2015:5017). - Bij de waardebepaling is uitgegaan van een te lange levensduur. Rekening houdend met bovenstaande zijn in de waardering de onderstaande objectonderdelen gewaardeerd op de restwaarde: - kantine 1981: afbouw en installaties - kantine 1990: installaties, afbouw heeft nog een restlevensduur van 4 jaar - was/kleedruimte 1968: afbouw en installaties, ruwbouw heeft nog een restlevensduur van 2 jaar - tribune 1972: ruwbouw, afbouw en installaties - voetbalvelden gras 1968: ruwbouw - lichtmast 1981: installaties - lichtmast 1968: installaties, ruwbouw heeft nog een restlevensduur van 2 jaar - berging/schuur 1981: afbouw en installaties - berging/schuur 1968: afbouw en installaties, ruwbouw heeft nog een restlevensduur van 2 jaar”. 3Geschil en conclusies van partijen 3.1. In geschil is of de waarde van de onroerende zaak door de heffingsambtenaar op een te hoog bedrag is vastgesteld. 3.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vermindering van de WOZ-waarde tot € 1.349.000 en tot dienovereenkomstige vermindering van de aanslag. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 3.3. Tussen partijen is niet in geschil dat: - de WOZ-waarde moet worden bepaald aan de hand van de gecorrigeerde vervangingswaarde; - moet worden uitgegaan van de Taxatiewijzer Sport; - de heffingsambtenaar voldoende rekening heeft gehouden met de aanwezigheid van asbest in de tribune. 4Gronden Ten aanzien van het geschil 4.1. Ingevolge artikel 17, lid 2, Wet WOZ, wordt de waarde bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen (de waarde in het economische verkeer). 4.2. Ingevolge artikel 17, lid 3, Wet WOZ, wordt – voor zover van belang – in afwijking in zoverre van het tweede lid de waarde van een onroerende zaak, voor zover die niet tot woning dient, bepaald op de vervangingswaarde, indien dit leidt tot een hogere waarde dan die ingevolge het tweede lid. Bij de berekening van de vervangingswaarde wordt rekening gehouden met de aard en de bestemming van de onroerende zaak en met de sedert de stichting van de onroerende zaak opgetreden technische en functionele veroudering, waarbij de invloed van latere wijzigingen in aanmerking wordt genomen. 4.3. Artikel 4, lid 2, Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet WOZ luidt: “De vervangingswaarde, bedoeld in artikel 17, derde lid, van de wet, wordt berekend door bij de waarde van de grond van de onroerende zaak op te tellen de waarde van de opstal van de onroerende zaak. De waarde van de grond wordt bepaald door middel van een methode van vergelijking als bedoeld in het eerste lid, onder a, rekening houdend met de bestemming van de zaak. De waarde van de opstal wordt gesteld op de kosten die herbouw van een vervangend identiek object zouden vergen, gecorrigeerd met een factor wegens technische veroudering gebaseerd op de verstreken en de resterende gebruiksduur en met inachtneming van de restwaarde, en gecorrigeerd met een factor wegens functionele veroudering gebaseerd op economische veroudering, verouderde bouwwijze, ondoelmatigheid en excessieve gebruikskosten.”. 4.4. In de parlementaire geschiedenis wordt over de gecorrigeerde vervangingswaarde en de correctie wegens technische veroudering het volgende opmerkt: “Onder gecorrigeerde vervangingswaarde dient te worden verstaan het offer dat nodig is om een object weer in dezelfde staat aan te schaffen of te vervaardigen, gecorrigeerd met een afschrijving wegens technische en functionele veroudering en rekening houdend met de aard en bestemming van het object. De correctie wegens technische veroudering vindt plaats op grond van de verwachte levensduur van het object en de residuwaarde die het object aan het einde van die levensduur zal hebben. Afhankelijk van een waardedaling ten gevolge van technische veroudering met een meer of minder gelijkmatig verloop, kan afschrijving plaatsvinden volgens methoden die voor het desbetreffende object het meest geëigend zijn. De afschrijving wegens functionele veroudering dient in ruime zin te worden verstaan. Hieronder valt al datgene wat men in het algemeen 'economische veroudering' noemt. Voor een nadere uiteenzetting over de functionele veroudering wordt verwezen naar Kamerstukken I 1982/83, 17 653, nr. 63a, p. 4. Bij de berekening van de vervangingswaarde wordt rekening gehouden met de technische en functionele veroudering van de zaak, welke is opgetreden sedert de stichting. De invloed van latere wijzigingen wordt mede in aanmerking genomen. Dit houdt in dat, indien door wijzigingen van de onroerende zaak de te verwachten levensduur een verlenging dan wel een verkorting ondergaat, daarmee bij de bepaling van de afschrijving rekening wordt gehouden. De mate waarin afschrijving plaatsvindt is dus niet slechts afhankelijk van een gemiddelde waardedaling per jaar op basis van de restwaarde zoals deze verondersteld werd bij de stichting van het object, maar tevens van eventuele bouwtechnische problemen dan wel verbeteringen en vernieuwingen welke zich later met betrekking tot het object voordoen.”. Kamerstukken II 1993/94, 22 885, nr. 36, p. 44. 4.5. Het verwijzingsarrest vermeldt – voor zover hier van belang – het volgende: “2.1.2 Voor het Hof was in geschil of de gecorrigeerde vervangingswaarde als bedoeld in artikel 17, lid 3, van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) van het complex per 1 januari 2016 (hierna: de peildatum), moet worden gesteld op de restwaarde. 2.2.1 Het Hof heeft als volgt geoordeeld. De gecorrigeerde vervangingswaarde gaat voor de correctie voor de technische veroudering uit van handhaving van de aard en de bestemming van de onroerende zaak die de eigenaar/gebruiker daaraan heeft gegeven. Wanneer de eigenaar/gebruiker niet langer de onroerende zaak naar zijn aard en bestemming kan gebruiken, levert deze voor hem geen nut meer op. Op dat moment eindigt de levensduur die relevant is voor het bepalen van de correctie wegens technische veroudering. De levensduur bij toepassing van de gecorrigeerde vervangingswaarde moet daarom op de peildatum worden bepaald op de periode dat de onroerende zaak nog gebruikt kan worden in overeenstemming met de aard en de bestemming die de eigenaar/gebruiker daaraan heeft gegeven, aldus het Hof. 2.2.2 Het Hof heeft geoordeeld dat de heffingsambtenaar terecht een lagere correctie voor de technische veroudering heeft toegepast dan uit de taxatiewijzer voortvloeit waardoor de waarde van het complex hoger uitkomt dan de restwaarde. Daarbij heeft het Hof onder meer acht geslagen op het bepaalde in de Taxatiewijzer Algemeen, de omstandigheid dat de taxateur de onroerende zaak in- en uitpandig heeft opgenomen en de ter zitting van het Hof getoonde foto’s van de kantine. 2.3.1 De klachten richt zich tegen het in 2.2.1 vermelde oordeel van het Hof. Zij betogen dat het Hof ten onrechte ervan is uitgegaan dat een onroerende zaak pas zijn restwaarde bereikt als die zaak niet meer als zodanig in gebruik is bij, en daardoor geen nut meer heeft voor, de eigenaar/gebruiker. De restwaarde is de waarde die de opstal heeft als die opstal nog (net) wordt gebruikt, maar dat wil niet zeggen dat het gebruik dan direct beëindigd dient te worden. De restwaarde in de taxatiewijzers is juist in het leven geroepen om een object te taxeren dat volledig is afgeschreven maar nog wel in gebruik is, aldus de klachten. 2.3.2 Het Hof heeft bij zijn oordeel terecht tot uitgangspunt genomen dat de gecorrigeerde vervangingswaarde is de waarde die de onroerende zaak voor de eigenaar/gebruiker in economisch opzicht heeft en dat deze waarde wordt gevonden door uit te gaan van de veronderstelling dat voor die zaak een markt zou zijn waarop de eigenaar/gebruiker niet alleen als verkoper zou opereren maar tevens als koper die de zaak zou willen verwerven met handhaving van aard en bestemming ervan1. 2.3.3 Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 273, lid 4, Gemeentewet, de voorganger van het huidige artikel 17, lid 3, Wet WOZ, blijkt dat voor de correctie wegens technische veroudering gekeken wordt naar de levensduur van de onroerende zaak en de restwaarde die deze zaak bij het einde van die levensduur zal hebben. Deze elementen vormen in feite de basis voor de technische afschrijving. Indien de eigenaar van een incourante onroerende zaak een juiste basis voor de afschrijving heeft gehanteerd, zou de afschrijving dan ook overeen moeten komen met de correctie wegens technische veroudering².In die parlementaire geschiedenis is geen steun te vinden voor de opvatting dat de restwaarde van een onroerende zaak niet kan worden bereikt zolang dat object nog in gebruik is bij de eigenaar/gebruiker en dezelfde functie als daarvoor vervult. Die uitleg ligt ook niet voor de hand. De gecorrigeerde vervangingswaarde strekt er toe de waarde zodanig vast te stellen dat niet meer wordt belast dan het bedrag waarvoor de eigenaar een zaak zou kunnen verwerven die voor hem hetzelfde nut oplevert als de te waarderen zaak.³ Dat sluit een waardering op restwaarde niet uit. 2.3.4 Hetgeen in 2.3.3 is overwogen neemt niet weg dat er aanleiding kan zijn voor een aanpassing van de technische afschrijving of van de restwaarde van een onroerende zaak, bijvoorbeeld indien achteraf blijkt dat de daarvoor eerder gehanteerde uitgangspunten onjuist zijn. 2.3.5 Het Hof heeft zijn oordeel dat niet van de restwaarde van (onderdelen van) het complex kan worden uitgegaan, kennelijk gebaseerd op het uitgangspunt dat die restwaarde niet kan zijn bereikt omdat het complex nog als [sportcomplex] in gebruik is. Zoals volgt uit hetgeen in 2.3.3 is overwogen berust dat uitgangspunt op een onjuiste rechtsopvatting. (…) ------------------------------------------------------------------------------------------------------ 1 vgl HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1818. 2 Kamerstukken I, 1982-1983, 17 653, nr. 63a, blz. 3. 3 zie HR 5 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:BI5433.” 4.6. Op 23 oktober 2020 heeft de Hoge Raad wederom een arrest gewezen over de correctie voor de technische veroudering en het verlengen van de technische levensduur: “2.2.2. Het Hof heeft, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 10 juli 20151, geoordeeld dat de bewijslast ter zake van de stelling dat sprake is van technische veroudering van de installaties op belanghebbende rust. (…) 2.3.2. Het middel wordt terecht voorgesteld. Op grond van artikel 17, lid 3, Wet WOZ wordt bij de berekening van de vervangingswaarde onder andere rekening gehouden met de sedert de stichting van de zaak opgetreden technische en functionele veroudering. Artikel 4, lid 2, Uitvoeringsregeling Wet WOZ bepaalt dat de technische veroudering is gebaseerd op de verstreken en resterende gebruiksduur en de restwaarde van de onroerende zaak. Aangezien de onroerende zaak en daarvan onderdeel uitmakende installaties op de waardepeildatum ongeveer 19 jaar oud waren, vloeit uit het systeem van de wet voort dat bij het bepalen van de vervangingswaarde rekening gehouden moet worden met technische afschrijving. Ten aanzien van deze technische afschrijving gelden de normale regels omtrent stelplicht en bewijslast.² Het in 2.2.2 gegeven oordeel van het Hof berust daarom op een onjuiste rechtsopvatting. Het middel kan echter niet tot cassatie leiden op grond van hetgeen hierna in 2.4.3 en 2.4.4 is overwogen. 2.4.1. Het tweede middel richt zich tegen de in 2.2.3 en 2.2.4 vermelde oordelen van het Hof. De omstandigheid dat de geschatte levensduur van de installaties wordt verlengd, heeft niet tot gevolg dat de restwaarde van de onroerende zaak in een later jaar dan op de initieel ingeschatte levensduur zal worden bereikt, aldus het middel. 2.4.2. Voor de vaststelling van de waarde van de onroerende zaak is aangesloten bij de Taxatiewijzer, net zoals het geval was in de zaak die is beslist in het arrest van de Hoge Raad van 31 januari 2020³ (hierna: het arrest van 31 januari 2020). In de Taxatiewijzer zijn richtsnoeren gegeven die als uitgangspunt kunnen dienen, en in dit geval ook hebben gediend, bij de vaststelling van de vervangingswaarde van in die Taxatiewijzer bedoelde onroerende zaken. Die richtsnoeren zien onder meer op de afschrijving voor technische veroudering en de restwaarde. 2.4.3. Zoals is overwogen in het arrest van 31 januari 2020 is het niet uitgesloten dat de aan de hand van een Taxatiewijzer bepaalde restwaarde van een onroerende zaak (of een onderdeel ervan) wordt bereikt terwijl de onroerende zaak nog in gebruik is bij de eigenaar/gebruiker en dezelfde functie als daarvoor blijft vervullen. Die omstandigheid kan aanleiding geven om bij de bepaling van de technische afschrijving en/of de restwaarde af te wijken van die Taxatiewijzer, ook als partijen de richtsnoeren van die Taxatiewijzer als uitgangspunt voor de waardering hebben aanvaard. Degene die aanspraak maakt op een zodanige afwijking moet de gronden daarvoor stellen en bij betwisting aannemelijk maken. 2.4.4. In het oordeel van het Hof ligt besloten dat de heffingsambtenaar in dit geval aannemelijk heeft gemaakt dat en in hoeverre het voortgezette gebruik van de onroerende zaak aanleiding was voor een aanpassing van de technische afschrijving en van de restwaarde van de installaties ten opzichte van de daarvoor gegeven richtsnoeren in de Taxatiewijzer. Dit oordeel geeft geen blijk van miskenning van het hiervoor overwogene. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het tweede middel faalt daarom.”. ------------------------------------------------------------------------------------------------------ 1 ECLI:NL:HR:2015:1818. 2 Vgl. Hoge Raad 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4300. 3 ECLI:NL:HR:2020:169. 4.7. Belanghebbende stelt dat de heffingsambtenaar ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat als gevolg van een verlenging van de technische levensduur van de onroerende zaak de restwaarde pas later wordt bereikt. De heffingsambtenaar heeft daarmee volgens belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de beschikte waarde niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld. 4.8. De bewijslast met betrekking tot de in 4.2 bedoelde waarde rust op de heffingsambtenaar. Ten aanzien van de correctie voor de technische veroudering gelden de normale regels van stelplicht en bewijslast. Dat betekent dat de heffingsambtenaar tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende aannemelijk dient te maken dat en in hoeverre er aanleiding bestaat voor een aanpassing van de correctie voor technische veroudering ten opzichte van de daarvoor gegeven richtsnoeren in de Taxatiewijzer Sport, die als uitgangspunt hebben gediend. 4.9. In het rapport [taxateur] is de waarde van de onroerende zaak per de waardepeildatum vastgesteld op € 1.510.000. Die waarde is als volgt opgebouwd: Bij de onderdelen met de volgnummers 8, 25, 30, 31 34, 45, 47 en 48 is de technische levensduur door de heffingsambtenaar niet verlengd. Ten aanzien van de kunstgrasvelden (volgnummers 8 en 31) geldt bovendien dat belanghebbende daar in haar taxatierapport een hogere waarde aan toekent dan de heffingsambtenaar. De waarde die aan de hiervoor genoemde onderdelen wordt toegekend, staat tussen partijen niet ter discussie. Dat geldt eveneens voor de sportvelden van gras (volgnummers 20 en 46). Bij die sportvelden is de technische levensduur wél verlengd, maar is tussen partijen niet in geschil dat er investeringen hebben plaatsgevonden. Ook de waarde die in het rapport [taxateur] aan het kleedgebouw met volgnummer 13 wordt toegekend, is tussen partijen niet in geschil. Belanghebbende heeft tijdens de zitting verklaard dat de waarde die de heffingsambtenaar aan dit kleedgebouw heeft toegekend nauwelijks afwijkt van de waarde die in het taxatierapport van belanghebbende aan dat kleedgebouw is toegekend. 4.10. Voor de overige onderdelen van de onroerende zaak geldt dat belanghebbende bestrijdt dat als gevolg van de verlenging van de technische levensduur de restwaarde later wordt bereikt. De heffingsambtenaar verwijst voor de onderbouwing van zijn standpunt naar de omstandigheid dat die onderdelen van de onroerende zaak nog steeds worden gebruikt. Voor de kantine met volgnummer 4 verwijst de heffingsambtenaar daarnaast nog op gedane investeringen. Die investeringen betreffen (i) het plaatsen van een nieuw keukenblok met een waarde van € 5.685 in 2014 of 2015, (ii) een vervanging van het tegelwerk en sanitair in 2015 voor een onbekend bedrag en (iii) het plaatsen van een aanbouw in 2016. 4.11. Ten aanzien van het rapport [taxateur] overweegt het hof als volgt. Bouwkundige verbeteringen of vernieuwingen kunnen aanleiding vormen voor een verlenging van de technische levensduur en voor aanpassing van de restwaarde en het tijdstip waarop die wordt bereikt. Ook in het geval dat de aanvankelijk bepaalde technische levensduur achteraf bezien onjuist is ingeschat, zijn die aanpassingen mogelijk. De heffingsambtenaar heeft in de onderhavige zaak voor de aanvankelijk bepaalde technische levensduur en voor de gehanteerde restwaarde gebruik gemaakt van de Taxatiewijzer Sport. Het voortdurende gebruik van de onroerende zaak door belanghebbende in dezelfde functie sluit niet uit dat de restwaarde van de onroerende zaak wordt bereikt, maar kan ook aanleiding vormen om bij het bepalen van de technische afschrijving en/of restwaarde af te wijken van de uitgangspunten in de Taxatiewijzer. De heffingsambtenaar dient dan wel aannemelijk te maken dat een afwijking gerechtvaardigd is. Het hof is van oordeel dat de heffingsambtenaar daar niet in is geslaagd. De technische levensduur van de kantine met volgnummer 4 is voor de ruwbouw verlengd van 40 naar 45 jaar, voor de afbouw van 25 naar 40 jaar en voor de installaties van 17 naar 40 jaar. De door de heffingsambtenaar genoemde aanpassingen (zie 4.10) acht het hof van onvoldoende gewicht voor de verlenging van de technische levensduur die de heffingsambtenaar hanteert. De heffingsambtenaar heeft niet aannemelijk gemaakt dat de vernieuwing van het keukenblok en de toiletten niet behoort tot het normale onderhoud en een bouwkundige verbetering of vernieuwing vormt. De aanbouw uit 2016 is door de heffingsambtenaar als apart onderdeel gewaardeerd (volgnummer 48) zodat de waardevermeerdering die daar van uitgaat al in aanmerking is genomen bij de waardering van de onroerende zaak. Dat deze aanbouw daarnaast voor het oudere gedeelte van de kantine tot gevolg heeft dat de restwaarde later wordt bereikt maakt de heffingsambtenaar niet aannemelijk. Voor de kantine en de overige in geschil zijnde onderdelen van de onroerende zaak beroept de heffingsambtenaar zich (daarnaast) op het voortdurende gebruik in dezelfde functie. Naar het oordeel van het hof maakt de heffingsambtenaar, gelet op het verwijzingsarrest, met de verwijzing naar die omstandigheid niet aannemelijk dat de restwaarde voor die onderdelen later wordt bereikt.. Het hof neemt hierbij mede in aanmerking de toestand van de onroerende zaak die volgt uit de tot de gedingstukken behorende foto’s. Daarop is (onder meer) te zien dat kantine, de tribune en de kleedkamers gedateerd zijn. Het hof leidt uit de foto’s af dat de onroerende zaak verouderd is. Het hof is daarom van oordeel dat het rapport [taxateur] niet kan worden gebruikt ter ondersteuning van de getaxeerde waarde. Aangezien door de in het rapport [taxateur] aangebrachte aanpassingen van de levensduur de waarde meer dan € 30.000 te hoog is getaxeerd, kan het rapport [taxateur] ook niet dienen ter ondersteuning van de beschikte waarde. 4.12. Belanghebbende verwijst ter onderbouwing van de door haar bepleite waarde naar het rapport [A] . In het rapport [A] is aan de twee sportvelden van gras een waarde toegekend die ongeveer € 32.000 lager is dan de waarde die in het rapport [taxateur] aan die sportvelden is toegekend. Tussen partijen is niet in geschil dat er investeringen in die velden hebben plaatsgevonden. Belanghebbende heeft bevestigd dat de verlenging van de technische levensduur door de heffingsambtenaar en daarmee ook waarde die de heffingsambtenaar aan die sportvelden toekent, niet in geschil is. De heffingsambtenaar bestrijdt het taxatierapport van belanghebbende ook op diverse andere punten. Belanghebbende maakt tegenover die betwisting de door haar bepleite waarde niet aannemelijk. 4.13. Aangezien beide partijen de door hen bepleite waarde niet aannemelijk hebben gemaakt, zal het hof de waarde van de onroerende zaak in goede justitie vaststellen. Gelet op hetgeen partijen over en weer hebben aangedragen, stelt het hof de waarde van de onroerende zaak per de waardepeildatum in goede justitie vast op € 1.450.000. Tussenconclusie 4.14. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. Ten aanzien van het griffierecht 4.15. De heffingsambtenaar dient aan belanghebbende het bij de rechtbank en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden betaalde griffierecht van € 333 respectievelijk € 508 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar worden vernietigd. Ten aanzien van de kosten van het bezwaar en de proceskosten 4.16. De heffingsambtenaar heeft in de uitspraak op bezwaar het verzoek om vergoeding van de kosten van dat bezwaar afgewezen. De kosten van bezwaar dienen alleen te worden vergoed als het bestreden besluit wordt herroepen wegens een onrechtmatigheid die aan het bestuursorgaan te wijten is. Die onrechtmatigheid bestaat in dit geval uit een onjuiste waardebepaling. Het hof veroordeelt daarom de heffingsambtenaar in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. 4.17. Het hof stelt de kosten van bezwaar op 2 (punten) x € 261 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 522. Het hof acht de zaak, anders dan belanghebbende heeft gesteld, niet dermate bewerkelijk dat het gewicht ervan hoger is dan gemiddeld. Het bedrag van € 522 wordt vermeerderd met € 17,50 voor kadastrale uittreksels. De totale vergoeding voor de kosten van het bezwaar bedraagt daarmee € 539,50. 4.18. Verder veroordeelt het hof de heffingsambtenaar tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep. 4.19. Het hof stelt de tegemoetkoming voor de behandeling van het beroep op 2 (punten) x € 525 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is in totaal € 1.050. Dit bedrag wordt vermeerderd met de vergoeding van de kosten van het taxatierapport van belanghebbende. Gelet op de door belanghebbende overgelegde factuur stelt het hof deze vergoeding vast op 6 (uur) x € 65 (uurtarief) is € 390. 4.20. Het hof stelt de tegemoetkoming voor de behandeling van het hoger beroep op 3,5 (punten) x € 525 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is in totaal € 1.837,50. 5Beslissing Het hof: verklaart het hoger beroep gegrond; vernietigt de uitspraak van de rechtbank; verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond; vernietigt de uitspraak op bezwaar; wijzigt de WOZ-beschikking en stelt de waarde van de onroerende zaak op € 1.450.000; vermindert de aanslag dienovereenkomstig; bepaalt dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep van € 841 vergoedt; veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het bezwaar van € 539,50; veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij de rechtbank, het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en het hof van € 3.277,50. Aldus gedaan op 31 december 2020 door M.M. de Werd, voorzitter, P.C. van der Vegt en H.J. Cosijn, in tegenwoordigheid van E.J.M. Bohnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 december 2020 en afschriften van de uitspraak zijn op 12 januari 2021 aangetekend aan partijen verzonden. De uitspraak is alleen ondertekend door de voorzitter, aangezien de griffier verhinderd is. Het aanwenden van een rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: de naam en het adres van de indiener; de dagtekening; een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; e gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2 juli 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:5413. Hoge Raad 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:169. Hoge Raad 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1671. Hoge Raad 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1671. Proces-verbaal zitting Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden p. 2 en 3 en de verklaring van de gemachtigde ter zitting 26 november 2020. Vgl. het verwijzingsarrest en Hoge Raad 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1671. Artikel 7:15, lid 2, Algemene wet bestuursrecht. 1 punt voor bezwaarschrift en 1 punt voor het horen in bezwaar, zie Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Besluit). 1 punt voor beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie het Besluit. 1 punt voor beroepschrift in hoger beroep, 2 punten voor het verschijnen op de zittingen en 0,5 punt voor de conclusie na verwijzing (schriftelijke zienswijze), zie het Besluit.
ECLI:NL:HR:2005:AU4300
Beschikkingen, bezwaar en geding voor het Hof Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikkingen de waarde van 733 in Q gelegen onroerende zaken, voor het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004 vastgesteld.
ECLI:NL:GHSHE:2012:BW9025
Ontstaan en loop van het geding 1.1.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK limburg Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: ROE 20/731 uitspraak van de meervoudige kamer van 25 mei 2022 in de zaak tussen Stichting Kinderopvang Humanitas, te Heerlen, eiseres (gemachtigde: G. Gieben), en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, verweerder (gemachtigde: P.J.J.C. Jonkers). Procesverloop Bij besluit met dagtekening (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaak [adres] te [plaats] (de onroerende zaak) per waardepeildatum 1 januari 2018 vastgesteld op € 267.000,- voor het belastingjaar 2019.

Bij besluit van 31 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en de vastgestelde waarde verlaagd naar € 260.000,- Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft (gezamenlijk met 41 vergelijkbare zaken) plaatsgevonden op 10 en 11 februari 2022. Namens eiseres zijn verschenen A. van den Dool, kantoorgenoot van haar gemachtigde, en taxateur [naam taxateur 1] .

Namens verweerder zijn verschenen zijn gemachtigde en taxateurs [naam taxateur 2] en [naam taxateur 3] . Overwegingen Feiten 1. Eiseres is eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak. De onroerende zaak is een in 1968 gebouwd kinderdagverblijf. In 1996 is de onroerende zaak uitgebouwd en voorzien van kunststof kozijnen en dubbele beglazing. Daarnaast is er in 2000 nog een uitbouw van twee bouwlagen gerealiseerd. De totale grondoppervlakte is 2.339m². Het geschil 2. In geschil is de waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum 1 januari 2018.

Tussen partijen is niet in geschil dat de waarde van de onroerende zaak moet worden vastgesteld aan de hand van de gecorrigeerde vervangingswaarde. De toepasselijkheid van de landelijke “Taxatiewijzer en kengetallen, deel 1, Onderwijs, waardepeildatum 1 januari 2018” van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (de Taxatiewijzer) is evenmin in geschil, behoudens de daarin opgenomen restwaarden. De rechtbank ziet geen aanleiding om partijen niet in deze gezamenlijke uitgangspunten te volgen. De standpunten van eiseres 3. Eiseres heeft zich in haar beroepschrift op het standpunt gesteld dat de waarde van de onroerende zaak € 239.000,- bedraagt.

Zij heeft hiertoe verwezen naar een op 13 maart 2020 opgemaakt taxatierapport van [naam] van Previcus Vastgoed. De standpunten van eiseres zijn op basis van dit taxatierapport gebaseerd op de volgende uitgangspunten. 3.1. Volgens de taxateurs is de grondoppervlakte van de onroerende zaak groter dan normaliter wordt gebruikt voor een gebouw met die bestemming en dat bouwvolume. In het taxatierapport heeft de taxateur daarom het perceel van 2.339 m² aan de hand van een vuistregel van 2,5 maal het bruto vloeroppervlak, dat volgens de taxateurs 414 m² bedraagt, onderverdeeld in 1.035 m² basiskavel (gebouwgebonden grond, 2,5 x 414 m² = 1.035 m²) en 1.304 m² restgrond (ongebonden grond).

De rechtbank stelt overigens vast dat deze berekening niet klopt omdat het bruto vloeroppervlak 698m² bedraagt (2,5 x 698m² = 1.745m²). Voor de waardering van de basiskavel is de taxateur uitgegaan van € 78,- inclusief BTW per m². Hij heeft de waarde van de basiskavel inclusief BTW ingeschat op € 80.730,- (1.035 m² x € 78,-). De restgrond is met een lagere prijs van € 14,- per m² inclusief BTW getaxeerd op € 18.256,- (1.304 m² x € 14,-). De totale grondwaarde bedraagt daarmee volgens eiseres inclusief BTW € 98.986,-. 3.2. Voor het bepalen van de bouwkosten is de taxateur uitgegaan van de kengetallen van de archetypen O114PL12 (‘Crèche plat dak, metselwerk, gemiddelde afwerking 1966 t/m 1985’) en O115PL12 (‘Crèche plat dak, metselwerk, gemiddelde afwerking 1996 t/m 2000) uit de Taxatiewijzer.

De totale bouwkosten (bruto vervangingswaarde) heeft hij ingeschat op € 842.741,- (inclusief BTW). 3.3. Met betrekking tot de correctie voor technische veroudering heeft de taxateur in de herziene taxatiekaart de door verweerder gehanteerde restwaarden overgenomen. De taxateur is uitgegaan van een levensduur van de ruwbouw van 50, afbouw van 30 en de installaties van 20 jaar bij de crèche met bouwjaar 1968. Voor de crèche met bouwjaar 2000 is de taxateur uitgegaan van een levensduur van de ruwbouw, de afbouw en de installaties van respectievelijk 47, 27 en 20 jaar.

Verder is de taxateur bij het tuinhuis (bouwjaar 2000) uitgegaan van een levensduur van de ruwbouw, de afbouw en de installaties van respectievelijk 35, 25 en 23 jaar. Voor de verharding en de omheining is de taxateur uitgegaan van een levensduur van respectievelijk 50 en 30 jaar. Uitgaande van het bouwjaar zijn voor de crèche uit 1968 de levensduren van alle onderdelen verstreken. Ook de levensduur van de verharding en de omheining zijn verstreken. Volgens eiseres moeten daarom die onderdelen, omdat er geen sprake is van een recente renovatie of andersoortig recent ingrijpen op de restwaarde worden gewaardeerd.

Ter ondersteuning van haar standpunt verwijst eiseres naar uitspraken van het gerechtshof Amsterdam van 5 januari 2001 en 26 november 2015, een arrest van de Hoge Raad van 31 januari 2020 en een uitspraak van gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 31 december 2020. 3.4. Eiseres heeft voor de correctie voor functionele veroudering aansluiting gezocht bij het taxatieverslag van verweerder en een correctie van 62% toegepast. De standpunten van verweerder 4. Ter onderbouwing van de waarde van de onroerende zaak heeft verweerder in beroep een taxatierapport, opgemaakt op 29 november 2020 door [naam taxateur 3] , overgelegd.

Dit taxatierapport is gebaseerd op de volgende uitgangspunten. 4.1. De taxateur heeft de kengetallen van O114PL12 (‘Crèche plat dak, metselwerk, gemiddelde afwerking 1966 t/m 1985’) en O115PL12 (‘Crèche plat dak, metselwerk, gemiddelde afwerking 1996 t/m 2000) uit de Taxatiewijzer tot uitgangspunt genomen. Hij heeft het bruto vloeroppervlak ingemeten en geconcludeerd dat het totale bruto vloeroppervlak van de crèches 876 m² (520 m² + 218 m² + 138 m²) betreft. Een plattegrond met het bijbehorende bruto vloeroppervlak is als bijlage bij het taxatierapport gevoegd.

Op grond van het voorgaande heeft de taxateur geconcludeerd dat de bruto vervangingswaarde van de crèches afgerond € 1.046.247,- (inclusief BTW) bedraagt. 4.2. Verweerders taxateur is voor het bepalen van de restwaarden van de onderdelen ruwbouw, afbouw en installaties van de dagverblijfruimtes (respectievelijk 27, 22, 17%) binnen de bandbreedtes van de Taxatiewijzer gebleven. Die percentages liggen omstreeks het gemiddelde van de bandbreedtes. Ter onderbouwing van de restwaarden heeft de taxateur een berekening van de restwaarde van een aantal verkochte objecten Zwolle, Almelo, Hengelo en Venlo overgelegd. 4.3.

Anders dan eiseres gaat verweerder uit van vier crèches op de begane grond. De eerste uit 2001 met een bruto vloeroppervlakte van 69m². Voor deze crèche hanteert verweerder het archetype O115PL12 en een levensduur voor de ruwbouw, afbouw en de installaties van respectievelijk 47, 27 en 23 jaar. Voor de crèche uit 1968 (520 m²) gaat verweerder uit van het archetype O114PL12 en een levensduur voor de ruwbouw, de afbouw en de installaties van respectievelijk 60, 55 en 55 jaar. Verder bevat de begane grond nog twee crèches (123 m² en 95 m²) van het bouwjaar 1996.

Bij deze crèches heeft verweerder de kengetallen van O115PL12 genomen. Verweerder gaat hierbij uit van een levensduur van de ruwbouw, de afbouw en de installaties van respectievelijk 47, 27 en 27 jaar. Tot slot neemt verweerder nog een crèche op de eerste verdieping mee in zijn waardering. Het betreft een crèche met bouwjaar 2001 van 69 m². De levensduur voor de ruwbouw, de afbouw en de installaties is vastgesteld op respectievelijk 47, 27 en 23 jaar (O115PL12). 4.4. De gebruikte levensduur van de ruwbouw en de afbouw van de crèches uit 2001 en 1996, die binnen de bandbreedte van de Taxatiewijzer van 45 tot 50 jaar (ruwbouw) en 25 tot 30 jaar (afbouw) blijven, is nog niet bereikt en dus is een verlenging van de levensduur van de ruwbouw en de afbouw bij de crèches uit 2001 en 1996 niet aan de orde.

Dat is anders voor de installaties van de crèches uit 2001 en 1996 waarvan de maximum levensduur van 20 jaar volgens de Taxatiewijzer, is overschreden. De levensduur van de installaties van de crèches uit 2001 is verlengd tot 23 jaar. De levensduur van de installaties van de crèches uit 1996 is verlengd tot 27 jaar. Ten aanzien van de crèche uit 1968 heeft verweerder alle onderdelen verlengd. Aan voormelde inschatting van de levensduren ligt een inpandige opname van 17 november 2020 door de taxateur ten grondslag. Op grond hiervan heeft hij geconcludeerd dat het onderhoud van gemiddeld niveau is. 4.5.

Verweerder hanteert een correctie van 50% voor functionele veroudering. 4.6. In de bij het taxatierapport gevoegde taxatiekaart wordt de waarde van de onroerende zaak per waardepeildatum 1 januari 2018 becijferd op € 444.000,-, hetgeen volgens verweerder betekent dat de vastgestelde waarde van de onroerende zaak per waardepeildatum 1 januari 2018 van € 260.000,- niet te hoog is. De (aanvullende) standpunten van eiseres ter zitting 5. Op zitting heeft eiseres – voor zover voor deze zaak van belang – in aanvulling op haar eerdere standpunten en in reactie op het verweer de volgende standpunten ingenomen. 5.1.

Eiseres heeft de bruikbaarheid van de transacties die verweerder gebruikt ter onderbouwing van de restwaarde in twijfel getrokken. De verkochte objecten zijn geanonimiseerd waardoor de verkoop voor eiseres niet controleerbaar is. Niet duidelijk is onder welke omstandigheden de betreffende verkopen hebben plaatsgevonden en daarnaast ontbreekt noodzakelijke informatie over onder meer de bestemming van het perceel. 5.2. Verder heeft eiseres verzocht om vergoeding van de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de beslechting van dit geschil.

Bewijslastverdeling (algemeen) 6. De rechtbank stelt voorop dat het in eerste instantie aan verweerder is om aannemelijk te maken dat de door hem vastgestelde waarde van de onroerende zaak niet te hoog is. Verweerder zal in zijn beoordeling moeten letten op hetgeen eiseres aanvoert ter onderbouwing van de door haar verdedigde waarde. Als verweerder niet in deze bewijslast slaagt, komt de vraag aan de orde of eiseres de door haar voorgestane waarde aannemelijk heeft gemaakt. Indien ook dat laatste niet het geval is, zal de rechtbank als regel de waarde zelf vaststellen.

Deze in goede justitie vastgestelde waarde behoeft niet te worden gemotiveerd. Wettelijk kader 7. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet woz wordt de waarde van de onroerende zaak bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak moet worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever “de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding”.

8. Ingevolge artikel 17, derde lid, van de Wet woz wordt, in afwijking in zoverre van het tweede lid, de waarde van een onroerende zaak, voor zover die niet tot woning dient, en met uitzondering van onroerende zaken die zijn ingeschreven in een van de ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgestelde registers van beschermde monumenten, bepaald op de vervangingswaarde indien dit leidt tot een hogere waarde dan die ingevolge het tweede lid. Bij de berekening van de vervangingswaarde wordt rekening gehouden met: de aard en de bestemming van de zaak; de sedert de stichting van de zaak opgetreden technische en functionele veroudering, waarbij de invloed van latere wijzigingen in aanmerking wordt genomen.

9. Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling Wet woz wordt de vervangingswaarde, bedoeld in artikel 17, derde lid, van de Wet woz berekend door bij de waarde van de grond van de onroerende zaak op te tellen de waarde van de opstal van de onroerende zaak. De waarde van de grond wordt bepaald door middel van een methode van vergelijking als bedoeld in het eerste lid, onder a, rekening houdend met de bestemming van de zaak. De waarde van de opstal wordt gesteld op de kosten die herbouw van een vervangend identiek object zou vergen, gecorrigeerd met een factor wegens technische veroudering en een factor wegens functionele veroudering.

De correctie wegens technische veroudering wordt gebaseerd op de verstreken en de resterende gebruiksduur met inachtneming van de restwaarde. De correctie wegens functionele veroudering wordt gebaseerd op economische veroudering, verouderde bouwwijze, ondoelmatigheid en excessieve gebruikskosten. Bruto vervangingswaarde 10. De rechtbank stelt vast dat verweerder bij het vaststellen van de bouwkosten op alle onderdelen van de crèches binnen de bandbreedte van de vervangingswaarde (per m²) van de archetypen O114PL12 en O115PL12 is gebleven. De bouwkosten zijn ingeschat rond de minimum vervangingswaarde van deze archetypen.

Rekening houdend met het in beroep onderbouwde bruto vloeroppervlak van 876 m² in relatie tot de standaardgrootte van deze archetypen (600 m²), alsmede de staat van de onroerende zaak, acht de rechtbank verweerders inschatting van de vervangingswaarde van de crèches aannemelijk. Aanknopingspunten om de vervangingswaarde in twijfel te trekken, zijn de rechtbank niet gebleken. Eiseres kan niet gevolgd worden in haar bouwkosten. Eiseres is ook uitgegaan van een lager bruto vloeroppervlak dan feitelijk aanwezig. Correctie technische veroudering – verlenging van de technische levensduur 11.

Zoals onder 4.3 en 4.4 is vermeld, heeft verweerder de levensduur van alle onderdelen van de crèche uit 1968 verlengd. Daarnaast heeft verweerder bij de crèches uit 2001 en 1996 het onderdeel installaties verlengd.

12. Uit het arrest van de Hoge Raad van 23 oktober 2020 volgt dat als in de waardering wordt aangesloten bij een taxatiewijzer, de partij die wil afwijken van de kengetallen in die taxatiewijzer de gronden daarvoor moet stellen en bij betwisting aannemelijk maken. Omdat volgens verweerder een aantal onderdelen van de onroerende zaak op een langere periode moet worden gesteld dan de periode die volgt uit de Taxatiewijzer en de restwaarde op een later tijdstip wordt bereikt, rust de bewijslast daarvan op verweerder, omdat eiseres dit betwist.

13. De rechtbank moet dan ook beoordelen of verweerder met hetgeen hij heeft aangevoerd, aannemelijk maakt dat een verlenging van de levensduur van de afbouw en installaties gerechtvaardigd is.

14. In eerdergenoemd arrest van de Hoge Raad van 31 januari 2020 is op dit punt als volgt geoordeeld. “2.3.3 Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 273, lid 4, Gemeentewet, de voorganger van het huidige artikel 17, lid 3, Wet WOZ, blijkt dat voor de correctie wegens technische veroudering gekeken wordt naar de levensduur van de onroerende zaak en de restwaarde die deze zaak bij het einde van die levensduur zal hebben. Deze elementen vormen in feite de basis voor de technische afschrijving. Indien de eigenaar van een incourante onroerende zaak een juiste basis voor de afschrijving heeft gehanteerd, zou de afschrijving dan ook overeen moeten komen met de correctie wegens technische veroudering.

In die parlementaire geschiedenis is geen steun te vinden voor de opvatting dat de restwaarde van een onroerende zaak niet kan worden bereikt zolang dat object nog in gebruik is bij de eigenaar/gebruiker en dezelfde functie als daarvoor vervult. Die uitleg ligt ook niet voor de hand. De gecorrigeerde vervangingswaarde strekt er toe de waarde zodanig vast te stellen dat niet meer wordt belast dan het bedrag waarvoor de eigenaar een zaak zou kunnen verwerven die voor hem hetzelfde nut oplevert als de te waarderen zaak. Dat sluit een waardering op restwaarde niet uit. 2.3.4 Hetgeen in 2.3.3 is overwogen neemt niet weg dat er aanleiding kan zijn voor een aanpassing van de technische afschrijving of van de restwaarde van een onroerende zaak, bijvoorbeeld indien achteraf blijkt dat de daarvoor eerder gehanteerde uitgangspunten onjuist zijn. 2.3.5 Het Hof heeft zijn oordeel dat niet van de restwaarde van (onderdelen van) het complex kan worden uitgegaan, kennelijk gebaseerd op het uitgangspunt dat die restwaarde niet kan zijn bereikt omdat het complex nog als voetbalcomplex in gebruik is.

Zoals volgt uit hetgeen in 2.3.3 is overwogen berust dat uitgangspunt op een onjuiste rechtsopvatting.” 15. Bij uitspraak van 2 april 2020 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch met toepassing van voormeld arrest van de Hoge Raad het volgende geoordeeld. “4.2.2 De heffingsambtenaar heeft gesteld dat de technische levensduur van een onroerende zaak bij elke (jaarlijkse) herwaardering opnieuw moet worden beoordeeld. De (onderhouds)toestand van de onroerende zaak op de waardepeildatum rechtvaardigt volgens de heffingsambtenaar een verlenging van de levensduur van de installaties en de afbouw met 5 jaar en van de ruwbouw met 10 jaar.

Hierbij heeft de heffingsambtenaar in aanmerking genomen: - dat de onroerende zaak normaal wordt onderhouden en in gebruik is; - dat de gebruiker heeft aangegeven dat er geen plannen zijn om de installaties te slopen; - dat uit het meerjarige onderhoudsplan is gebleken dat de installaties niet op korte termijn moeten worden vervangen en dat enkel sprake is van de normale en te verwachten onderhoudswerkzaamheden; - dat de installaties normaal functioneren; en - dat de huidige gebruiker/eigenaar het gebruik niet op (korte) termijn zal beëindigen. (…) 4.2.6 (…) De uitgangspunten op basis waarvan de heffingsambtenaar heeft geconcludeerd tot verlenging van de technische levensduur (zie 4.2.2), kunnen naar het oordeel van het hof, gelet op het in 4.2.5 vermelde arrest, geen aanleiding zijn voor verlenging van de technische levensduur.” 16.

In de door eiseres aangehaalde uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 31 december 2020 staat het volgende. “4.11 (…) Het voortdurende gebruik van de onroerende zaak door belanghebbende in dezelfde functie sluit niet uit dat de restwaarde van de onroerende zaak wordt bereikt, maar kan ook aanleiding vormen om bij het bepalen van de technische afschrijving en/of restwaarde af te wijken van de uitgangspunten in de Taxatiewijzer. De heffingsambtenaar dient dan wel aannemelijk te maken dat een afwijking gerechtvaardigd is. Het hof is van oordeel dat de heffingsambtenaar daar niet in is geslaagd.

De technische levensduur van de kantine met volgnummer 4 is voor de ruwbouw verlengd van 40 naar 45 jaar, voor de afbouw van 25 naar 40 jaar en voor de installaties van 17 naar 40 jaar. De door de heffingsambtenaar genoemde aanpassingen (zie 4.10) acht het hof van onvoldoende gewicht voor de verlenging van de technische levensduur die de heffingsambtenaar hanteert. De heffingsambtenaar heeft niet aannemelijk gemaakt dat de vernieuwing van het keukenblok en de toiletten niet behoort tot het normale onderhoud en een bouwkundige verbetering of vernieuwing vormt.” 17.

De rechtbank overweegt dat uit de onder 14 tot en met 16 genoemde jurisprudentie volgt dat de omstandigheden dat de afbouw en installaties van de onroerende zaak nog in gebruik zijn en normaal worden onderhouden, niet volstaan voor een verlenging van de levensduur hiervan. De enkele inschatting van de taxateur dat de staat van die onderdelen ‘gemiddeld’ is, is daarom, nu die kwalificatie volgens zijn rapport inhoudt dat alle voorkomende onderhoudswerkzaamheden zijn uitgevoerd, op zichzelf onvoldoende voor een verlenging van de levensduur. Verweerder heeft dan ook de niet aannemelijk gemaakt waarom hij de onderdelen, genoemd onder 4.3 en 4.4 heeft verlengd.

Correctie technische veroudering – restwaarde 18. Verweerder heeft de gehanteerde restwaarden (van 27, 22 en 17%) ontleend aan de Taxatiewijzer. De restwaarden vallen binnen de in de taxatiewijzer genoemde bandbreedtes van de archetypen, namelijk ongeveer op het gemiddelde van die bandbreedtes. Ter onderbouwing van de in het taxatierapport gehanteerde restwaardes heeft verweerder tevens gegevens overgelegd van een aantal verkochte objecten in Zwolle, Almelo, Hengelo en Venlo.

19. Eiseres heeft het standpunt ingenomen dat verweerder op alle onderdelen van de onroerende zaak is uitgegaan van te hoge restwaarden. Volgens eiseres kan niet zonder meer van de restwaarden uit de Taxatiewijzer worden uitgegaan en zijn de transacties niet te gebruiken ter onderbouwing van de restwaarden.

20. Zoals hiervoor is overwogen volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 23 oktober 2020 dat degene die afwijking voorstaat van een aan de hand van een taxatiewijzer bepaalde restwaarde, de gronden daarvoor moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. Eiseres stelt zich op het standpunt dat in dit geval moet worden afgeweken van de Taxatiewijzer en moet, nu dat standpunt afwijkt van dat van verweerder, dat aannemelijk maken.

21. Taxatiewijzers zijn hulpmiddelen om te bereiken dat het wettelijke waardebegrip wordt gehanteerd. De rechtbank volgt eiseres in haar standpunt dat de onderhavige Taxatiewijzer, waarvan voor de rechtbank en eiseres alleen de publieksversie beschikbaar is, geen op de markt gerealiseerde transactiegegevens bevat van onroerende zaken die met de onroerende zaak van eiseres vergelijkbaar zijn. Ook zijn in deze Taxatiewijzer geen andere objectieve en toetsbare onderbouwende gegevens vermeld, waaraan bewijs van de juistheid van de aan het betreffende archetype toegekende kengetallen kan worden ontleend. De rechtbank is ook ambtshalve bekend met de diverse hofuitspraken en literatuur waarin kritiek wordt geuit op de in de Taxatiewijzers opgenomen kengetallen (met name ten aanzien van de restwaarden) en wordt gesteld dat deze kengetallen “op drijfzand zijn gebaseerd”.

22. Uit het arrest van de Hoge Raad van 23 oktober 2020, en dus van latere datum dan voornoemde hofuitspraken, volgt echter dat de Taxatiewijzers richtsnoeren zijn, voor onder meer de restwaarde, die als uitgangspunt kunnen dienen bij de vaststelling van de vervangingswaarde. Ook volgt hieruit dat er aanleiding kan zijn om af te wijken van de Taxatiewijzer bij het bepalen van de restwaarde, waarbij degene die aanspraak maakt op die afwijking, de gronden daarvoor moet stellen en (bij betwisting) aannemelijk moet maken. Hoewel de Hoge Raad dit niet met zoveel woorden zegt, kan de rechtbank niet anders dan hieruit afleiden dat de Hoge Raad kennelijk de “drijfzand”- kritiek niet zonder meer volgt en de Taxatiewijzers (ook wat betreft de daarin opgenomen restwaarden) als uitgangspunt voor de waardebepaling accepteert.

In dit verband merkt de rechtbank op dat de Taxatiewijzer is opgesteld in opdracht van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en inhoudelijk is opgebouwd aan de hand van een analyse van marktgegevens van vergelijkbare objecten. Dat betekent enerzijds dat sprake is van een eenzijdige totstandkoming van de Taxatiewijzers omdat daarbij belanghebbenden of belangenbehartigers van belanghebbenden niet zijn betrokken, maar anderzijds dat deze wel, zij het niet kenbaar, op een deskundige analyse zijn gebaseerd. Het is in dit geval aan eiseres om aannemelijk te maken dat een ander uitgangspunt moet worden gehanteerd.

Eiseres heeft daartoe gesteld dat aan de Taxatiewijzer en de daarin vermelde kengetallen geen bewijskracht toekomt, omdat niet van de onderbouwende gegevens kennis genomen kan worden. Die stelling komt neer op een (enkele) verwijzing naar de “drijfzand”-kritiek, die de Hoge Raad in zijn algemeenheid heeft verworpen in het arrest van 23 oktober 2020. Daarnaast heeft eiseres gesteld dat de restwaarde 10% moet zijn (nog onder de laagste percentages in de Taxatiewijzer), zonder dit met concrete marktcijfers nader te onderbouwen. Het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank niet meer dan een kale betwisting zonder dat deze onderbouwd en dus aannemelijk gemaakt is.

Dat betekent dat eiseres niet aan de in het arrest van 23 oktober 2020 geformuleerde bewijsvoeringslast heeft voldaan.

23. Verweerder heeft de restwaarden in zijn taxatierapport tevens onderbouwd met zes verkoopgegevens. De rechtbank stelt over deze onderbouwing vast dat de verkochte objecten zijn geanonimiseerd waardoor het niet mogelijk is om de juistheid van de gebruikte gegevens te controleren. Bovendien geeft de genoemde informatie geen inzicht in de bestemming van het perceel, eventueel aanwezige bijzondere omstandigheden rond de verkoop en de invloed van de sterk afwijkende ligging van die objecten (buiten de regio, op grote afstand van de onroerende zaak). Daarnaast zijn de objecten 1 en 4, gelet op hun bouwjaren, verkocht voordat de gebruikelijke levensduur van het onderdeel ruwbouw is verstreken en ontbreekt een (inzichtelijke) correctie hiervoor op de verkoopprijs van die objecten.

24. De door verweerder overgelegde verkoopgegevens kunnen gelet op het voorgaande niet als nadere onderbouwing van de restwaarden volgens de Taxatiewijzer dienen. Dat neemt niet weg dat, nu eiseres in het geheel geen inhoudelijke onderbouwing van de door haar voorgestane restwaarden heeft gegeven, dit niet afdoet aan voormeld uitgangspunt dat de Taxatiewijzer in beginsel gevolgd kan worden.

25. Omdat, zoals onder 17 is geoordeeld, verweerder de verlenging van de levensduur van de installaties niet aannemelijk heeft gemaakt en bovendien het einde van de levensduur nog niet is bereikt, kan in deze zaak de vraag of die verlenging moet leiden tot een bijstelling van de restwaarden van die onderdelen onbeantwoord blijven.

26. Gelet op het voorgaande heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat hij bij de bepaling van de correctie wegens technische veroudering is uitgegaan van niet te hoge restwaarden. Correctie functionele veroudering 27. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het taxatierapport is uitgegaan van een hogere correctie voor functionele veroudering dan eiseres. De rechtbank concludeert hieruit dat niet in geschil is dat verweerder deze correctie niet te laag heeft vastgesteld. Conclusie 28. Gelet op hetgeen onder 17 is overwogen, volgt de rechtbank verweerder niet in wat ter onderbouwing van de beschikte waarde in beroep is gesteld over de levensduurverlenging van de verschillende onderdelen. Op de overige onderdelen wordt verweerder wel gevolgd.

29. Eiseres heeft de door haar bepleite waarde van € 239.000,- niet aannemelijk gemaakt.

30. De rechtbank overweegt dat in deze procedure enkel de bij bestreden besluit vastgestelde waarde van € 260.000,- ter beoordeling staat. Uitgaande van de waardecorrectie vanwege de niet aannemelijk gemaakte levensduurverlenging komt de rechtbank, wanneer zij de waarde in goede justitie zou bepalen, tot een hogere waarde dan deze waarde van € 260.000,-. Dit betekent dat verweerder de waarde niet te hoog heeft vastgesteld en het beroep van eiseres ongegrond is. Redelijke termijn 31. De rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel, dat aan artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden mede ten grondslag ligt, brengt mee dat een geschil over een waardevaststelling ingevolge de Wet woz binnen een redelijke termijn behoort te worden beslecht.

Indien de redelijke termijn is overschreden wordt, behoudens bijzondere omstandigheden, verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden vanwege het lange wachten op een (eind)uitspraak over het geschil. Het bestuursorgaan respectievelijk de Staat der Nederlanden kunnen door de belastingrechter tot vergoeding van die schade worden veroordeeld. Of de redelijke termijn bedoeld in voormeld artikel is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. In procedures als deze mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep bij de rechtbank ten hoogste anderhalf jaar duren.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, indien de fase van bezwaar en beroep gezamenlijk langer dan twee jaar heeft geduurd. De immateriële schadevergoeding bedraagt € 500 per half jaar overschrijding.

32. Voor deze zaak stelt de rechtbank vast dat de redelijke termijn is aangevangen op26 maart 2019, met de ontvangst van het bezwaarschrift. De rechtbank had uitspraak moeten doen op 26 maart 2021. Van bijzondere omstandigheden is niet gebleken. Gelet op de datum van deze uitspraak is de redelijke termijn overschreden met (naar boven afgerond) een jaar en twee maanden. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 1.500,-.

33. Voor wat betreft de toerekening van de immateriële schadevergoeding aan verweerder en de Staat overweegt de rechtbank als volgt. De uitspraak op bezwaar is gedaan op 31 januari 2020, dus ruim 10 maanden na ontvangst van het bezwaarschrift. In de bezwaarfase is de redelijke termijn dus met afgerond 4 maanden overschreden. De resterende termijnoverschrijding, afgerond 10 maanden, is toe te rekenen aan de rechtbank. Daarom veroordeelt de rechtbank verweerder tot vergoeding van de immateriële schade voor een bedrag van € 428,60 (4/14 van € 1.500,-) en de Staat voor een bedrag van € 1.071,40 (10/14 van € 1.500,-). Griffierecht en proceskosten 34. Het beroep is ongegrond.

35. De rechtbank ziet aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten voor de beroepsfase, in verband met het indienen van het verzoek voor het toekennen van schadevergoeding. De rechtbank verwijst naar de proceskostenveroordeling in de uitspraak in de zaak met zaaknummer ROE 20/372 over een andere onroerende zaak van eiseres die op hetzelfde aanslagbiljet is opgenomen als de onderhavige onroerende zaak. Deze zaken gelden voor de proceskostenveroordeling als één zaak en in de hiervoor genoemde zaak is verweerder reeds veroordeeld in die proceskosten, zodat er in onderhavige zaak geen aanleiding meer is voor een separate proceskostenveroordeling.

36. Nu de overschrijding van de redelijke termijn zowel aan verweerder als aan de rechtbank is te wijten, dient het griffierecht van € 354-, door verweerder en de Staat, door ieder voor de helft te worden vergoed. Beslissing De rechtbank: ­ verklaart het beroep ongegrond; ­ veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade van € 428,60; ­ veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade van € 1.071,40; ­ draagt verweerder en de Staat op het betaalde griffierecht aan eiseres te vergoeden, ieder tot een bedrag van € 177,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en D.D. Kock, leden, in aanwezigheid van mrs. S. Haddoumi en D.D.R.H. Lechanteur, griffiers. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2022. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: 25 mei 2022 Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan door een belanghebbende die bevoegd was beroep bij de rechtbank in te stellen, en het bestuursorgaan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

ECLI:NL:GHAMS:2001:AA9410 en ECLI:NL:GHAMS:2015:5017. ECLI:NL:HR:2020:169. ECLI:NL:GHSHE:2020:4097. Hoge Raad 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4300. Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 15 juni 20212, ECLI:NL:GHSHE:2012:BW9025 en 27 september 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BY6153. Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 28 mei 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1647. ECLI:NL:HR:2020:1671. ECLI:NL:GHSHE:2020:1121. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van het gerechtshof Den Haag van 7 april 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:863, het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 april 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:3824 en het gerechtshof Den Haag van 14 november 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:3378.

Door een kerngroep waarin vertegenwoordigers van de VNG, de Waarderingskamer, gemeenten, samenwerkingsverbanden van lokale overheden en in opdracht van (samenwerkingsverbanden van) gemeenten werkzame taxatiebedrijven deelnemen. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 8 maart 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:376. Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Hoge Raad 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6822, en 9 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:19 en gerechtshof ’s-Hertogenbosch 15 november 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:4638.