Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBLIM:2022:3546 ECLI:NL:RBLIM:2022:3546 AI generated

ECLI:NL:RBLIM:2022:3546 · Rechtbank Limburg

Case Number ECLI:NL:RBLIM:2022:3546
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: 9605348 \ CV EXPL 21-6583 Vonnis van de kantonrechter van 4 mei 2022 in de zaak van: [eiser] , wonend te [woonplaats] , eisende partij, gemachtigde mr. A.L. Stegeman, tegen: [gedaagde] , wonend [adres] , [postcode] [plaats] , gedaagde partij, procederende in persoon. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding de conclusie van antwoord de conclusie van repliek en akte vermeerdering van eis de conclusie van dupliek. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [eiser] huurde van [gedaagde] van 1 augustus 2017 tot en met 30 juni 2021 de woning aan de [adres] te [postcode] [plaats] . 2.2. [eiser] heeft een waarborgsom betaald van € 1.590,00. 2.3.

Legislator headnote

AI generated

artikel 7:232 lid 2 BW, artikel 7:224 BW, artikel 7:224 lid 2 BW, artikel 21 Rv; ECLI:NL:RBLIM:2022:3546 · Rechtbank Limburg: Vast staat, althans van het tegendeel is niet gebleken, dat bij aanvang van het gehuurde een beschrijving is opgemaakt zoals bedoeld in artikel 7:224 lid 2 BW. [gedaagde] stelt weliswaar dat partijen bij aanvang van de huurovereenkomst samen door de woning hebben gelopen, waarbij onder meer is aangegeven dat het schilderwerk in de woonkamer niet in orde was, maar dit kan bezwaarlijk als een beschrijving van het gehuurde worden aangemerkt. Een beschrijving als bedoeld in artikel 7:224 lid 2 BW dient de toestand van verschillende onderdelen van het gehuurde zodanig concreet en nauwkeurig aan te geven dat daaruit kan worden afgeleid in welke staat de huurder het gehuurde bij aanvang van de huurovereenkomst heeft aanvaard.

Keywords

AI generated
unpaid security deposit warranty against defects lack of maintenance deduction for property maintenance costs certificate of unpaid debts abusive claim by landlord

Cited Legislation

AI generated
artikel 7:232 lid 2 BW
Ook is de uitzondering van artikel 7:232 lid 2 BW niet van toepassing.
artikel 7:224 BW
Voor wat betreft de oplevering van het gehuurde aan het einde van de huurovereenkomst is artikel 7:224 BW van belang.
artikel 7:224 lid 2 BW
Vast staat, althans van het tegendeel is niet gebleken, dat bij aanvang van het gehuurde een beschrijving is opgemaakt zoals bedoeld in artikel 7:224 lid 2 BW.
artikel 21 Rv
Er kan in elk geval niet vastgesteld worden dat [gedaagde] het procesrecht misbruikt door in strijd met de waarheidsplicht van artikel 21 Rv feiten achter te houden en consequent stellingen te handhaven die met die feiten strijdig waren (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 15 september 2017, ECLI:NL:2017:2360).

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBAMS:2021:6058
RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 9111327 EA VERZ 21-204 beschikking van: 22 oktober 2021 beschikking van de kantonrechter I n z a k e [verzoeker] wonende te [woonplaats] verzoeker, nader te noemen: [verzoeker] procederend in persoon t e g e n [verweerder] wonende te [woonplaats] verweerder, nader te noemen: [verweerder] gemachtigde: mr. R.J.B. Baarspul. PROCESVERLOOP [verzoeker] heeft middels zijn toenmalige gemachtigde mr. S. van Andel een verzoekschrift ingediend, waarin (kortweg) vernietiging van het door [verweerder] gegeven ontslag op staande voet alsmede wedertewerkstelling, wordt verzocht. Van de kant van [verweerder] is een verweerschrift ingediend, en is een (voorwaardelijk) tegenverzoek gedaan, inhoudende ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Mr. Van Andel heeft zich als gemachtigde teruggetrokken. Ook de opvolgend gemachtigde mr. C. Fräser heeft zich teruggetrokken. Het verzoek om de behandeling van de zaak om die reden aan te houden is door de kantonrechter afgewezen. Het geding is behandeld ter zitting van 27 augustus 2021 van de kantonrechter. [verzoeker] is niet verschenen. [verweerder] is verschenen, bijgestaan door C. van Gaalen. Na behandeling van het verzoek en het beantwoorden van vragen van de kantonrechter, heeft de kantonrechter bepaald dat uitspraak wordt gedaan. De uitspraak is nader bepaald op heden UITGANSGPUNTEN 1. De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.1. [verzoeker] was vanaf 1 juli 2019 werkzaam als medewerker fastservice 2 in dienst bij [verweerder] , die een Surinaams afhaalrestaurant exploiteert aan de [adres] . Het betreft een eenmanszaak. [verzoeker] was in dienst voor 38 uur per week. 1.2. Vanaf 22 april 2020 was [verzoeker] ziek. In het kader van de reïntegratie met behulp van arbodienst Spoor-3 BV heeft [verzoeker] nadien hervat bij [verweerder] ’s andere onderneming [naam onderneming] , in wisselende uren; per 11 januari 2021 zou hij voor 35 uren per week hervatten. 1.3. Op een geplande ‘Zoommeeting’ van de Arbodienst met [verweerder] en [verzoeker] op 14 december 2020 is [verzoeker] , zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Ook is hij niet op het werk verschenen. 1.4. Via de mail heeft [verweerder] [verzoeker] op 14 december 2020 gewaarschuwd dat zijns inziens sprake is van werkweigering als [verzoeker] (ook) op 15 december en daarna, niet op het werk zou verschijnen. [verweerder] schrijft dat hij van een collega- medewerker heeft vernomen dat [verzoeker] 15 december 2020 op vakantie zal gaan terwijl daarvoor geen toestemming is gevraagd. Tevens heeft [verweerder] [verzoeker] er op gewezen dat in Suriname code oranje geldt en dat de verplichte quarantaine (10 dagen) voor eigen risico en rekening van [verzoeker] zijn. 1.5. Bij brief van 30 december 2020, verzonden via de mail van 4 januari 2021, heeft [verweerder] [verzoeker] een officiële schriftelijke waarschuwing gezonden. [verzoeker] was ongeoorloofd afwezig, aldus [verweerder] . Van [verzoeker] werd verwacht dat hij uiterlijk 11 januari 2021 bij [verweerder] het werk zou hervatten, aldus deze brief. 1.6. Op 11 januari 2021 heeft [verzoeker] zich middels een whatsapp bericht aan een collega, ziek gemeld. De collega heeft daarop terug ge-appt met de vraag: ‘Ben je in Nederland?’. Hierop is door [verzoeker] niet meer gereageerd. 1.7. Op 12 januari 2021 heeft [verweerder] [verzoeker] nogmaals gewaarschuwd, nu [verzoeker] op 11 januari 2021 niet op het werk verschenen is. Ook werd [verzoeker] gewezen op een niet-correcte wijze van ziekmelden een dag eerder, via de whatsapp aan een collega. 1.8. De verzuimbegeleider van Spoor 3 BV heeft op 13 januari 2021 geprobeerd een huisbezoek af te leggen bij [verzoeker] , maar er werd niet opengedaan. De desbetreffende verzuimrapporteur heeft op het mobiele telefoonnummer van [verzoeker] een bericht ingesproken met het verzoek contact op te nemen. 1.9. Bij brieven van 15, 18 en 20 januari 2021, die zowel per email aan [verzoeker] zijn verzonden als in de brievenbus op zijn huisadres zijn gedaan, is [verzoeker] nogmaals gewaarschuwd dat sprake is van werkweigering en dat ontslag op staande voet dreigt. 1.10. Op 21 januari 2021 heeft de verzuimrapporteur van Spoor 3 BV nogmaals een huisbezoek afgelegd, zonder resultaat, en nogmaals de voicemail van [verzoeker] ingesproken met het verzoek zo spoedig mogelijk contact op te nemen met Spoor 3, en met de werkgever. 1.11. Bij brief van 22 januari 2021 heeft [verweerder] [verzoeker] een ‘definitief laatste waarschuwing’ gegeven en hem verzocht om op 25 januari 2021 op het werk te verschijnen en de reïntegratie te komen bespreken. Wederom is gedreigd met ontslag op staande voet. [verweerder] schrijft: ‘Het spreekt voor zich dat je op de dagen dat je niet verschenen bent, terwijl je wel behoorde te werken, niet betaald wordt zoals ik al eerder aangaf ( )’. Deze brief is per mail en aangetekend aan het huisadres van [verzoeker] , verzonden. 1.12. Bij brief van 26 januari 2021 is [verzoeker] op staande voet ontslagen. In de brief is tevens vermeld dat [verweerder] aanspraak maakt op schadevergoeding omdat [verzoeker] hem een dringende reden gegeven heeft om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen en dat hij die vergoeding zal verrekenen met het [verzoeker] nog toekomende salaris. Deze brief is per post, en aangetekend en via de mail, aan [verzoeker] verzonden. 1.13. Namens [verzoeker] heeft zijn toenmalige gemachtigde mr. S. van Andel op 19 februari 2021 tegen het ontslag geprotesteerd. In de brief wordt ook melding gemaakt van een spoedopname op 30 december 2020 in het ziekenhuis in Paramaribo, op de intensive care en dat hij eerst op 12 januari 2021 uit het ziekenhuis is ontslagen en zeker nog niet volledig is hersteld. Op de intensive care heeft [verzoeker] niet de beschikking gehad over een telefoon. Inmiddels zijn geen (terug-)vluchten meer mogelijk, aldus deze brief. 1.14. In zijn reactie van 8 maart 2021 wijst [verweerder] er o.a. nog op dat [verzoeker] ten tijde dat hij op de IC gelegen zou hebben en geen beschikking zou hebben gehad over zijn telefoon, hij wel diverse posts heeft geplaatst op sociale media. VERZOEK 2. [verzoeker] verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad; het ontslag op staande voet te vernietigen; [verweerder] te verplichten [verzoeker] binnen 24 uur na betekening van de beschikking toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden, onder verbeurte van een dwangsom; [verweerder] te veroordelen tot betalen van het salaris van [verzoeker] vanaf 1 januari 2021 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW; en subsidiair: [verweerder] te veroordelen tot betaling van loon [zo leest de kantonrechter:] over de maand januari 2021 plus de billijke vergoeding; aan [verzoeker] een transitievergoeding/voorziening bij ontslag op grond van de cao toe te kennen; [verweerder] te veroordelen tot het betalen van de wettelijke rente over de genoemde bedragen; [verweerder] te veroordelen in de kosten van de procedure. 3. Aan het verzoek heeft [verzoeker] ten grondslag gelegd dat er geen dringende reden voor ontslag was nu hij ziek was en hij zich niet eerder dan 11 januari 2021 kon ziekmelden vanwege opname op de IC. [verzoeker] heeft daarbij een verklaring overgelegd van (de patiënten Administratie van) het Academisch Ziekenhuis Paramaribo (AZP) waaruit volgt dat hij van 30 december 2020 tot 20 januari 2021 opgenomen is geweest bij de afdeling Chirurgie (specialist bij opname: dr. Girjasing). Omdat [verweerder] als werkgever zelf niet bereikbaar was, moet de ziekmelding aan de bedrijfsleider gezien worden als een correcte ziekmelding. Er is veeleer sprake van overmacht dan van werkweigering. [verzoeker] had geen toegang tot zijn email-account of telefoon op de IC en heeft de brieven gericht aan zijn huisadres, niet ontvangen. Ten onrechte is het loon over januari 2021 nog niet betaald. De vakantie is in overleg met de Arbodienst afgesproken. VERWEER EN TEGENVERZOEK 4. [verweerder] is van mening dat [verzoeker] niet ziek was of is. Hij is wekenlang niet bereikbaar geweest voor de werkgever, ook niet voor de Arbo-dienst. Er is niet sprake geweest van een correcte ziekmelding. Hij is diverse keren gewaarschuwd en daarbij gewezen op de onaanvaardbaarheid van zijn gedrag. Hij heeft een valselijk opgemaakte verklaring overgelegd betreffende zijn ziekenhuisopname en uit diverse ‘snapchats’ die [verzoeker] op sociale media heeft geplaatst komt naar voren dat [verzoeker] (al vanaf 7 januari 2021) zich in Suriname actief in het uitgaansleven begaf en dus in het geheel niet ziek was. [verweerder] voelt zich door [verzoeker] ‘belazerd’. In het voorwaardelijk tegenverzoek - voor het geval het ontslag op staande voet niet in stand blijft en de arbeidsovereenkomst dus doorloopt – verzoekt [verweerder] de kantonrechter die arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van ernstig verwijtbaar handelen van [verzoeker] , dan wel een duurzaam en ernstig verstoorde arbeidsverhouding dan wel een combinatie van deze beide gronden. Tevens heeft [verweerder] verzocht dat [verzoeker] wordt veroordeeld tot het vergoeden van de daadwerkelijk door [verweerder] gemaakte proceskosten ad € 4.192,65 op grond misbruik van procesrecht en handelen in strijd met de waarheidsplicht door [verzoeker] . BEOORDELING 5. Zoals onder Procesverloop is beschreven, heeft de zitting plaatsgevonden op 27 augustus 2021. [verzoeker] is daarbij, hoewel correct opgeroepen, niet verschenen. Ook is geen bericht van verhindering ontvangen. Bij emailbericht van 28 september 2021, dus na ruim vier weken, heeft [verzoeker] de kantonrechter bericht dat hij de vordering intrekt, met als reden: ‘Geen advocaat’. 6. Desgevraagd heeft [verweerder] hierop de kantonrechter bericht geen belang meer te hebben bij het voorwaardelijk tegenverzoek (ontbinding van de arbeidsovereenkomst in het geval het ontslag op staande voet niet in stand blijft) maar het verzoek ter zake de vergoeding van de daadwerkelijke proceskosten wel te handhaven. 7. De kantonrechter is van oordeel dat de proceskosten voor rekening van [verzoeker] komen nu hij zijn verzoekschrift heeft ingetrokken. 8. [verweerder] heeft verzocht om toekenning van de daadwerkelijk gemaakte kosten nu [verzoeker] tegen beter weten en met gebruikmaking van valselijk opgemaakte verklaringen geprobeerd heeft zijn gelijk in deze procedure te halen. In dit verband heeft [verweerder] gewezen op de verklaring van 8 april 2021 van dr. R.B. Girjasing, chirurg verbonden aan het AZP waaruit volgt dat [verzoeker] geen patiënt van hem is geweest en dat de verklaring welke door [verzoeker] is overgelegd, niet van deze arts afkomstig is. Ook drs. L. Liauw-Kie-Fa, medisch directeur van het AZP heeft op 14 april 2021 schriftelijk verklaard dat [verzoeker] in de periode in geding niet voorkomt in het administratiesysteem van het AZP. 9. Deze verklaringen zijn bij het verweerschrift in geding gebracht; van de kant van [verzoeker] is daar niet meer op gereageerd noch is hij op zitting verschenen waar hij zich had kunnen uitlaten. 10. Uit de jurisprudentie (vgl. HR 6 april 2021, ECLI:NL:HR:2012:BV7828) volgt dat een procespartij kan worden veroordeeld tot vergoeding van de werkelijk door de wederpartij gemaakte proceskosten in geval van bijzondere omstandigheden, waarbij met name moet worden gedacht aan misbruik van procesrecht en onrechtmatige daad. Daarvan zal sprake zijn als de vordering (of het verweer) evident ongegrond is. Dat is het geval wanneer de vordering (of het verweer) is gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan de partij die zich daarvan bediende de onjuistheid kende, dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. 11. Met [verweerder] is de kantonrechter van oordeel dat het [verzoeker] valt te verwijten dat hij zich beroept op een valse verklaring om een onjuiste voorstelling van zaken te creëren, hetgeen hem zeer kwalijk moet worden genomen. [verzoeker] heeft voorts feiten achtergehouden en stellingen gehandhaafd die met die feiten strijdig waren, en aldus gehandeld in strijd met de waarheidsplicht van artikel 21 Rv. Zo heeft [verzoeker] , terwijl hij in het ziekenhuis zou hebben gelegen en geen toegang tot zijn telefoon zou hebben gehad, op social media berichten gepost waaruit moet worden opgemaakt dat hij ‘gewoon vakantie vierde’ en moet met [verweerder] worden vastgesteld dat [verzoeker] de desbetreffende whats-app-berichten van zijn werkgever (de waarschuwingen en de verzoeken om wel op het werk te verschijnen) wel degelijk gelezen heeft. Dit heeft [verweerder] reeds op 8 maart 2021 aan (de toenmalige gemachtigde van) [verzoeker] bericht. Desondanks heeft [verzoeker] daarna het verzoekschrift ingediend terwijl op deze laatste punten van [verweerder] , in dat verzoekschrift niet is ingegaan. Bij dat verzoekschrift (zie 4.) heeft [verzoeker] de valselijk opgemaakte verklaring in geding gebracht. De conclusie moet dan ook zijn dat [verzoeker] [verweerder] een bij voorbaat kansloze procedure heeft ingesleept, zodat het verzoek van [verweerder] om toekenning van de daadwerkelijk gemaakte proceskosten, kan worden toegewezen. 12. Bij het verweerschrift heeft [verweerder] een specificatie verstrekt van de door zijn gemachtigde aan de procedure bestede uren. Daaruit en uit het verweerschrift kan worden opgemaakt dat deze gemachtigde 22 uren heeft besteed tegen een gemodereerd uurtarief van € 150,00 per uur, vermeerderd met 5% kantoorkosten en btw. De juistheid van deze bedragen en berekening is van de zijde van [verzoeker] niet bestreden en komt de kantonrechter niet onjuist voor. Dat betekent dat het verzochte bedrag van € 4.192,65 zal worden toegewezen. Voor vergoeding van verdere kosten zoals verzocht door [verweerder] in de brief van 30 september 2021 ziet de kantonrechter geen aanleiding, reeds omdat die kosten niet zijn onderbouwd. 13. Beslist wordt derhalve als volgt. BESLISSING De kantonrechter: stelt vast dat [verzoeker] het verzoekschrift heeft ingetrokken; veroordeelt [verzoeker] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [verweerder] begroot op:salaris € 4.192,65griffierecht € 85,00 -----------------totaal € 4.277,65voor zover van toepassing, inclusief btw; veroordeelt [verzoeker] in de na dit beschikking ontstane kosten, begroot op € 62,00 aan salaris gemachtigde, te verhogen met een bedrag van € 68,00 en de explootkosten van betekening van de beschikking, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw, onder de voorwaarde dat [verzoeker] niet binnen veertien dagen na aanschrijving volledig aan deze beschikking heeft voldaan en betekening van de beschikking pas na veertien dagen na aanschrijving heeft plaatsgevonden; verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; wijst het anders of meer verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. R. Kruisdijk kantonrechter en op 22 oktober 2021 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: 9605348 \ CV EXPL 21-6583 Vonnis van de kantonrechter van 4 mei 2022 in de zaak van: [eiser] , wonend te [woonplaats] , eisende partij, gemachtigde mr. A.L. Stegeman, tegen: [gedaagde] , wonend [adres] , [postcode] [plaats] , gedaagde partij, procederende in persoon. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding de conclusie van antwoord de conclusie van repliek en akte vermeerdering van eis de conclusie van dupliek. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [eiser] huurde van [gedaagde] van 1 augustus 2017 tot en met 30 juni 2021 de woning aan de [adres] te [postcode] [plaats] . 2.2. [eiser] heeft een waarborgsom betaald van € 1.590,00. 2.3.

Bij aanvang van de huurovereenkomst is er geen beschrijving van het gehuurde opgemaakt. Er heeft ook geen eindinspectie plaatsgevonden. 3Het geschil 3.1. [eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 1.828,50 (€ 1.590,00 aan waarborgsom en € 238,50 aan buitengerechtelijke kosten), vermeerderd met rente over de hoofdsom en de werkelijke proceskosten. Bij akte heeft [eiser] haar eis vermeerderd en vordert zij eveneens terugbetaling van de aanlegkosten voor telefoon en internet ad € 540,00. 3.2. [eiser] stelt dat [gedaagde] ten onrechte de waarborgsom niet terugbetaald. 3.3. [gedaagde] voert verweer en stelt zich op het standpunt dat terugbetaling van de waarborgsom niet aan de orde is omdat het gehuurde niet in goede staat is opgeleverd. 3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

Contractspartijen 4.1. Voor zover er tussen partijen discussie bestaat wie de contractspartijen zijn, geldt het volgende. Als productie 1 bij dagvaarding is de schriftelijke huurovereenkomst overgelegd. Deze is gesloten tussen [gedaagde] als verhuurder en [eiser] als huurster. Dit zijn daarom de contractpartijen. Dat bemiddeling via IHO heeft plaatsgevonden, maakt dit niet anders. Dit leidt ertoe dat [eiser] rechtstreeks bij [gedaagde] en zonder tussenkomst van IHO kan opzeggen. 4.2. Ook is de uitzondering van artikel 7:232 lid 2 BW niet van toepassing.

Er is geen sprake van gebruik dat naar zijn aard voor korte duur is. Hiervan is bijvoorbeeld sprake bij de verhuur van een recreatiewoning of bij gebruik in afwachting van een op handen zijnde renovatie of verkoop. Partijen hebben een huurovereenkomst gesloten voor de duur van een jaar met daarna een stilzwijgende verlenging voor onbepaalde tijd. Dit kwalificeert niet als een uitzondering zoals door [gedaagde] gesteld. Waarborgsom 4.3. [eiser] vordert terugbetaling van de waarborgsom. [gedaagde] weigert deze terug te betalen en beroept zich op verrekening omdat het gehuurde niet in goede staat is opgeleverd.

Volgens [gedaagde] was de woning niet schoongemaakt en was er schade aan onder meer de keukendeur, het kozijn, de gevel en de terrasdeur. Verder zijn er zonder toestemming veranderingen en voorzieningen aangebracht en is het kleurenschema gewijzigd. Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft [gedaagde] diverse foto’s overgelegd. [eiser] betwist de gestelde gebreken. Verder wijst [eiser] erop dat er in strijd met de algemene bepalingen geen eindinspectie heeft plaatsgevonden die is vastgelegd in een huurbeëindigingsrapport en dat zij niet in de gelegenheid is geweest om eventueel zelf voor herstel te zorgen. 4.4.

De kantonrechter overweegt het volgende. De huurder krijgt de door hem betaalde waarborgsom aan het einde van de huurovereenkomst terug, tenzij deze verrekend wordt met schade aan het gehuurde. Volgens [gedaagde] is sprake van schade en heeft [eiser] daarom geen recht op terugbetaling daarvan. Voor wat betreft de oplevering van het gehuurde aan het einde van de huurovereenkomst is artikel 7:224 BW van belang. Artikel 7:224 lid 2 is van semi-dwingend recht, zodat hiervan niet ten nadele van de huurder kan worden afgeweken In dit artikel is het volgende vermeld:

Lid 1. De huurder is verplicht het gehuurde bij het einde van de huur weer ter beschikking van de verhuurder te stellen. Lid 2. Indien tussen de huurder en verhuurder een beschrijving van het verhuurde is opgemaakt, is de huurder gehouden de zaak in dezelfde staat op te leveren waarin deze volgens de beschrijving is aanvaard, met uitzondering van geoorloofde veranderingen en toevoegingen en hetgeen door ouderdom is teniet gegaan of beschadigd. Indien geen beschrijving is opgemaakt, wordt de huurder, behoudens tegenbewijs, verondersteld het gehuurde in de staat te hebben ontvangen zoals deze is bij het einde van de huurovereenkomst. 4.5.

Vast staat, althans van het tegendeel is niet gebleken, dat bij aanvang van het gehuurde een beschrijving is opgemaakt zoals bedoeld in artikel 7:224 lid 2 BW. [gedaagde] stelt weliswaar dat partijen bij aanvang van de huurovereenkomst samen door de woning hebben gelopen, waarbij onder meer is aangegeven dat het schilderwerk in de woonkamer niet in orde was, maar dit kan bezwaarlijk als een beschrijving van het gehuurde worden aangemerkt. Een beschrijving als bedoeld in artikel 7:224 lid 2 BW dient de toestand van verschillende onderdelen van het gehuurde zodanig concreet en nauwkeurig aan te geven dat daaruit kan worden afgeleid in welke staat de huurder het gehuurde bij aanvang van de huurovereenkomst heeft aanvaard.

Uit die beschrijving dient te blijken hoe het gehuurde aan het einde van de huurovereenkomst opgeleverd moet worden. 4.6. Omdat er geen beschrijving van het gehuurde is opgemaakt, wordt de oplevering door [eiser] als correct verondersteld, namelijk in overeenstemming met de staat bij aanvang van de huur. De stelplicht en de bewijslast dat de staat ánders was bij aanvang van de huur rust op [gedaagde] . De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] onvoldoende feitelijk heeft gesteld en onderbouwd op basis waarvan kan worden vastgesteld dat het gehuurde niet is opgeleverd in de staat zoals deze was bij aanvang van de huur. [gedaagde] is weliswaar heel uitgebreid in de beschrijving van de door hem gestelde oplevergebreken, maar niet kan worden vastgesteld dat deze bij aanvang niet reeds aanwezig waren of dat er sprake is van normale slijtage dan wel dat [gedaagde] als verhuurder verantwoordelijk is voor herstel.

Daarnaast is van belang dat er in strijd met de algemene voorwaarden geen eindinspectie heeft plaatsgevonden en dat [eiser] geen termijn is gegund om zelf voor herstel (voor het einde van de huurovereenkomst) te zorgen. 4.7. Op grond van het voorgaande wordt het verweer van [gedaagde] verworpen. Dit houdt in dat [eiser] recht heeft op terugbetaling van de waarborgsom. Dit deel van de vordering wordt daarom toegewezen. De daarover gevorderde rente is toewijsbaar vanaf de datum van verzuim. Hiervoor geldt dat [gedaagde] bij brief van 9 augustus 2021 in gebreke is gesteld waarbij hem gevraagd is om binnen 14 dagen de waarborgsom terug te storten.

Verzuim is daarom ingetreden op 24 augustus 2021. Kosten aanleg telefoon en internet 4.8. [eiser] heeft haar vordering vermeerderd en vordert betaling van de aanlegkosten van de telefoon en internet. Deze voorziening hoorde bij het gehuurde maar functioneerde niet naar behoren. Zij heeft [gedaagde] hierop aangesproken en deze zei dat [eiser] dit maar zelf moest regelen. 4.9. [gedaagde] geeft aan dat de aanwezige voorzieningen eigendom zijn van KNP en Ziggo. Deze bedrijven zijn verantwoordelijk voor de techniek. Als [eiser] hiervan gebruik wil maken dan moet zij een abonnement afsluiten en [gedaagde] is hierin geen partij. [eiser] heeft ook geen factuur ingebracht. 4.10.

De kantonrechter is van oordeel dat deze eisvermeerdering bij gebrek aan onderbouwing moet worden afgewezen. [eiser] beroept zich op een afspraak, maar onderbouwt deze stelling niet. Ook toont [eiser] niet aan dat de verbinding/leiding beschadigd was en vervangen moet worden, terwijl ook een onderbouwing van de kosten ontbreekt. Incassokosten 4.11. [eiser] vordert betaling van de incassokosten ad € 238,50. Ook dit deel van de vordering wordt bij gebrek aan onderbouwing afgewezen. In de dagvaarding wordt met geen enkel woord gerept over de verschuldigdheid van incassokosten, terwijl deze vordering wel plotsklaps in het petitum is opgenomen.

Ook in de conclusie van repliek wordt geen onderbouwing van deze nevenvordering gegeven. De kosten 4.12. [eiser] vordert betaling van de werkelijke proceskosten. Zij wordt onnodig op kosten gejaagd omdat [gedaagde] weigert de waarborgsom terug te betalen. Ook wil [gedaagde] niet het gesprek aangaan hierover. [gedaagde] maakt misbruik van recht en van de omstandigheden en handelt onrechtmatig. [eiser] wijst op vaste jurisprudentie waarin is geoordeeld dat een procespartij kan worden veroordeeld tot vergoeding van de werkelijke kosten van rechtsbijstand in geval van bijzondere omstandigheden zoals misbruik van procesrecht en onrechtmatige daad. [eiser] wijst op een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 oktober 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:6058). 4.13. [gedaagde] betwist dat hij misbruik van recht maakt.

Het is eerder zo dat [eiser] misbruikt van recht maakt. Zij wist immers dat de borg terecht verrekend is. Een gang naar de rechter was daarom niet nodig. 4.14. De kantonrechter is van oordeel dat er geen aanleiding is om [gedaagde] te veroordelen in de daadwerkelijke proceskosten. Hiervoor geldt immers een strenge maatstaf. Vergelijking met de hiervoor aangehaalde uitspraak van de rechtbank Amsterdam gaat niet op. In deze zaak gaat het immers over het afleggen van een valse verklaring en het achterhouden van feiten. Dat is in deze zaak niet het geval.

Het feit dat [gedaagde] ervan overtuigd was en wellicht nog is dat er geen juiste oplevering heeft plaatsgevonden en dat hij daarom de waarborgsom niet hoeft terug te betalen, leidt niet tot onrechtmatig handelen of misbruik van procesrecht. Het komt immers wel vaker voor dat partijen tegenover elkaar staande standpunten innemen. Er kan in elk geval niet vastgesteld worden dat [gedaagde] het procesrecht misbruikt door in strijd met de waarheidsplicht van artikel 21 Rv feiten achter te houden en consequent stellingen te handhaven die met die feiten strijdig waren (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 15 september 2017, ECLI:NL:2017:2360).

Omdat er geen subsidiaire vordering tot betaling van de (gebruikelijke) proceskosten is ingesteld, zal de kantonrechter ambtshalve een beslissing nemen en [gedaagde] als de overwegend in het ongelijk gesteld veroordelen in de proceskosten. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op: dagvaarding € 123,60 griffierecht 240,00 salaris gemachtigde 374,00 (2 x tarief € 187,00) totaal € 737,60 Tot slot 4.15. De kantonrechter ziet geen aanleiding partijen toe te laten tot nadere bewijslevering. 4.16. De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5De beslissing

De kantonrechter 5.1. veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.590,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 augustus 2021 tot de dag van volledige betaling, 5.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten aan de kant van [eiser] gevallen en tot heden begroot op € 737,60, 5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.4. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken. type: PLG coll: