Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBLIM:2021:3396 ECLI:NL:RBLIM:2021:3396 AI generated

ECLI:NL:RBLIM:2021:3396 · Rechtbank Limburg

Case Number ECLI:NL:RBLIM:2021:3396
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Burgerlijk recht Zaaknummer 9093105 CV EXPL 21-1477 Vonnis in kort geding van de kantonrechter van 19 april 2021 in de zaak van [eiser] wonend in [woonplaats] eiser gemachtigde mr. R.G.P. Voragen, advocaat in Heerlen tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde], handelend in haar hoedanigheid van vereffenaar van de ontbonden besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam B.V.] gevestigd aan de [adres] [vestigingsplaats] , gemeente [gemeente] gedaagde vertegenwoordigd door de heren [naam sub 1] en [naam sub 2] , directeuren / grootaandeelhouders.

Legislator headnote

AI generated

art. 7:625 BW, art. 2:19 lid 5 BW, art. 2:19 lid 6 BW, art. 2:23c BW; ECLI:NL:RBLIM:2021:3396 · Rechtbank Limburg: Het UWV heeft bij besluit van 26 november 2020 [naam B.V.] een loonsanctie opgelegd en de loondoorbetalingsverplichting jegens [eiser] verlengd tot 2 december 2021. [naam B.V.] heeft daartegen bezwaar gemaakt, welke procedure thans nog bij het UWV loopt. 3Het geschil 3.1. Tegen de achtergrond van deze vaststaande feiten vordert [eiser] de veroordeling van [naam B.V.] tot betaling van (achterstallig) loon tot de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig geëindigd zal zijn, vermeerderd met de (maximale) wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW en wettelijke rente, alsmede betaling van de proceskosten. 3.2. [naam B.V.] heeft verweer gevoerd. 3.3.

Keywords

AI generated
thirteenth-month salary waiver of wage claims unpaid salary reduction of salary continuation of wage payment contractor remuneration

Cited Legislation

AI generated
art. 7:625 BW
art. 2:19 lid 5 BW
Op grond van het bepaalde in art. 2:19 lid 5 BW blijft een vennootschap na ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffening van haar vermogen nodig is (ook wel liquidatie genoemd).
art. 2:19 lid 6 BW
Op grond van het bepaalde in art. 2:19 lid 5 BW blijft een vennootschap na ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffening van haar vermogen nodig is (ook wel liquidatie genoemd).
art. 2:23c BW
Op grond van het bepaalde in art. 2:19 lid 5 BW blijft een vennootschap na ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffening van haar vermogen nodig is (ook wel liquidatie genoemd).

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:1991:ZC0366
HR 11 oktober 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0366).
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Burgerlijk recht Zaaknummer 9093105 CV EXPL 21-1477 Vonnis in kort geding van de kantonrechter van 19 april 2021 in de zaak van [eiser] wonend in [woonplaats] eiser gemachtigde mr. R.G.P. Voragen, advocaat in Heerlen tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde], handelend in haar hoedanigheid van vereffenaar van de ontbonden besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam B.V.] gevestigd aan de [adres] [vestigingsplaats] , gemeente [gemeente] gedaagde vertegenwoordigd door de heren [naam sub 1] en [naam sub 2] , directeuren / grootaandeelhouders.

Partijen zullen hierna [eiser] , respectievelijk [gedaagde] en [naam B.V.] worden genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het exploot van dagvaarding met producties 1 en 2 de door [eiser] in het geding gebrachte aanvullende producties 3 en 4 de mondelinge behandeling van 8 april 2021. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [eiser] , geboren op [geboortedatum] , is met ingang van 1 januari 2016 op grond van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in dienst getreden van [naam B.V.] in de functie van [functienaam] tegen een loon van laatstelijk € 2.300,00 bruto per maand exclusief vakantiebijslag. 2.2.

Het UWV heeft bij besluit van 26 november 2020 [naam B.V.] een loonsanctie opgelegd en de loondoorbetalingsverplichting jegens [eiser] verlengd tot 2 december 2021. [naam B.V.] heeft daartegen bezwaar gemaakt, welke procedure thans nog bij het UWV loopt. 3Het geschil 3.1. Tegen de achtergrond van deze vaststaande feiten vordert [eiser] de veroordeling van [naam B.V.] tot betaling van (achterstallig) loon tot de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig geëindigd zal zijn, vermeerderd met de (maximale) wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW en wettelijke rente, alsmede betaling van de proceskosten. 3.2. [naam B.V.] heeft verweer gevoerd. 3.3.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover relevant, nader worden ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Op grond van het bepaalde in art. 2:19 lid 5 BW blijft een vennootschap na ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffening van haar vermogen nodig is (ook wel liquidatie genoemd). De vennootschap houdt in geval van vereffening op te bestaan op het tijdstip waarop de vereffening eindigt (vgl. art. 2:19 lid 6 BW). Mochten er in een later stadium nog baten blijken te bestaan, dan voorziet art. 2:23c BW in de mogelijkheid de vereffening te heropenen (en de vennootschap tijdelijk te laten herleven), waarbij geldt dat ‘heropening’ ook mogelijk is als er nog niet eerder is vereffend doordat ten tijde van de ontbinding geen baten bekend waren (vgl. HR 11 oktober 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0366). 4.2.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de vordering van [eiser] tegen [gedaagde] (en/of haar directeur) als vereffenaar geen doel treft en overweegt daartoe als volgt. Uit de mededeling van [naam sub 1] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling is gebleken dat [naam B.V.] alle lopende zaken heeft afgehandeld en geliquideerd is. Gesteld noch anderszins gebleken is dat [gedaagde] als vereffenaar onrechtmatig gehandeld heeft. Evenmin is gesteld dat [gedaagde] anderszins aansprakelijk zou zijn voor een schuld die in haar dochteronderneming, [naam B.V.] , zou zijn blijven zitten.

Het vorenstaande brengt met zich dat de vordering dient te worden afgewezen. 4.3. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld tot betaling van de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 747,00 salaris gemachtigde.

5De beslissing

De kantonrechter 5.1. wijst de vordering af; 5.2. veroordeelt [eiser] tot betaling van de aan de zijde van [gedaagde] gevallen proceskosten, bepaald op € 747,00. Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal en is in het openbaar uitgesproken. CJ