Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBLIM:2020:9510 ECLI:NL:RBLIM:2020:9510 AI generated

ECLI:NL:RBLIM:2020:9510 · Rechtbank Limburg

Case Number ECLI:NL:RBLIM:2020:9510
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: 8845113 \ CV EXPL 20-5374 Vonnis van de kantonrechter van 2 december 2020 in de zaak van: de onderlinge waarborgmaatschappij ONDERLINGE WAARBORGMAATSCHAPPIJ CENTRALE ZORGVERZEKERAARS GROEP, ZORGVERZEKERAAR U.A., gevestigd te Tilburg, eisende partij, gemachtigde GGN Mastering Credit B.V., tegen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BUREAU INKOMENSBEHEER B.V., m.h.o.d.n. S IBB, in hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [naam onderbewindgestelde], kantoorhoudende Hoofdstraat 81, 6432 GA Hoensbroek, gedaagde partij, procederende in persoon.

Legislator headnote

AI generated

artikel 21 Rv; ECLI:NL:RBLIM:2020:9510 · Rechtbank Limburg: De totale achterstand bedraagt volgens CZ € 483,54. Daarnaast is BIB q.q. aan haar de wettelijke rente verschuldigd. CZ berekent de wettelijke rente tot 8 oktober 2020 op € 14,20. Voorts stelt zij dat BIB q.q. aan haar een vergoeding van € 72,53 voor buitengerechtelijke kosten inclusief btw verschuldigd is. Op de vordering kan nog een betaald bedrag van € 105,00 in mindering strekken. 2.3. Op grond van artikel 111 lid 2 onder d Rv dient de dagvaarding de eis en de gronden daarvan te vermelden en op grond van artikel 21 Rv dient CZ de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. 2.4.

Keywords

AI generated
liability for costs costs of late payment hospital billing payment of cost deposit health insurance voucher fee outstanding insurance premiums

Cited Legislation

AI generated
artikel 21 Rv
Op grond van artikel 111 lid 2 onder d Rv dient de dagvaarding de eis en de gronden daarvan te vermelden en op grond van artikel 21 Rv dient CZ de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: 8845113 \ CV EXPL 20-5374 Vonnis van de kantonrechter van 2 december 2020 in de zaak van: de onderlinge waarborgmaatschappij ONDERLINGE WAARBORGMAATSCHAPPIJ CENTRALE ZORGVERZEKERAARS GROEP, ZORGVERZEKERAAR U.A., gevestigd te Tilburg, eisende partij, gemachtigde GGN Mastering Credit B.V., tegen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BUREAU INKOMENSBEHEER B.V., m.h.o.d.n. S IBB, in hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [naam onderbewindgestelde], kantoorhoudende Hoofdstraat 81, 6432 GA Hoensbroek, gedaagde partij, procederende in persoon.

Partijen zullen hierna CZ, [naam onderbewindgestelde] en BIB q.q. genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de conclusie van antwoord. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De beoordeling 2.1. CZ vordert – samengevat - veroordeling van BIB q.q. tot betaling van een bedrag van € 465,27, te vermeerderen met rente en kosten. 2.2. Ter onderbouwing van haar vordering voert CZ (samengevat) het volgende aan. CZ heeft op grond van een met [naam onderbewindgestelde] gesloten zorgverzekeringsovereenkomst bedragen in rekening gebracht.

De totale achterstand bedraagt volgens CZ € 483,54. Daarnaast is BIB q.q. aan haar de wettelijke rente verschuldigd. CZ berekent de wettelijke rente tot 8 oktober 2020 op € 14,20. Voorts stelt zij dat BIB q.q. aan haar een vergoeding van € 72,53 voor buitengerechtelijke kosten inclusief btw verschuldigd is. Op de vordering kan nog een betaald bedrag van € 105,00 in mindering strekken. 2.3. Op grond van artikel 111 lid 2 onder d Rv dient de dagvaarding de eis en de gronden daarvan te vermelden en op grond van artikel 21 Rv dient CZ de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. 2.4.

De kantonrechter is van oordeel dat de dagvaarding aan de voormelde vereisten voldoet. 2.5. BIB q.q. is een consument, althans wordt vermoed een consument te zijn. Op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dient de rechter de beschermende bepalingen van het Europees consumentenrecht ook toe te passen als daar niet om gevraagd is (‘ambtshalve toepassing’). 2.6. De kantonrechter is van oordeel dat in deze zaak geen beschermende bepalingen van het Europees consumentenrecht zijn geschonden. 2.7. Uit het antwoord van BIB q.q. is de kantonrechter gebleken dat de vordering van CZ niet althans onvoldoende wordt betwist.

De vordering ten aanzien van de hoofdsom dient daarom te worden toegewezen. 2.8. CZ maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. Alvorens aanspraak bestaat op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten, moet kunnen worden vastgesteld dat en met ingang van welke datum BIB q.q. in verzuim is. CZ stelt dat de vordering betrekking heeft op het eigen risico en/of eigen bijdrage over de periode 01-02-2019 t/m 28-02-2019 en dat er een verzuimtermijn van 14 dagen na factuurdatum geldt.

Uit de overgelegde producties blijkt echter dat de gestelde betalingstermijn niet is vermeld in de factuur. Verder is onvoldoende gesteld om vast te stellen dat er op een andere manier verzuim is ingetreden. Nu de verzuim(datum) niet valt vast te stellen, kunnen de buitengerechtelijke incassokosten niet worden toegewezen. 2.9. Nu niet valt vast te stellen met ingang van welke datum BIB q.q. met de betaling van de aan de hoofdsom onderliggende factuur in verzuim is, zal de wettelijke rente over de resterende hoofdsom worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding.

Door de daad van dagvaarding is in elk geval verzuim ingetreden. 2.10. Gelet op de deelbetaling van € 105,00, zal er een bedrag van € 378,54 worden toegewezen. 2.11. BIB q.q. zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van CZ worden begroot op: dagvaarding € 102,96 griffierecht € 124,00 salaris gemachtigde € 72,00 (1 x tarief € 72,00) totaal € 298,96 3De beslissing De kantonrechter 3.1. veroordeelt BIB q.q. om aan CZ tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 378,54, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 oktober 2020 tot de dag van volledige betaling, 3.2. veroordeelt BIB q.q. in de kosten van de procedure aan de zijde van CZ gevallen en aan die zijde tot op heden begroot op een bedrag van € 298,96, 3.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 3.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken. type: JEC