Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBLIM:2020:8612 ECLI:NL:RBLIM:2020:8612 AI generated

ECLI:NL:RBLIM:2020:8612 · Rechtbank Limburg

Case Number ECLI:NL:RBLIM:2020:8612
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: 8647551 \ CV EXPL 20-3397 Vonnis van de kantonrechter van 4 november 2020 in de zaak van: [eiser] , wonende [adres 1] , [woonplaats 1] , eisende partij, gemachtigde mr. B.H.A. Augustin, tegen: 1 [gedaagde sub 1] ,wonende [adres 2] ,[woonplaats 2] , 2. [gedaagde sub 2],wonende [adres 2] ,[woonplaats 2] , 3. [gedaagde sub 3],wonende [adres 3] ,[woonplaats 3] , gedaagde partij, gemachtigde mr. J.M.A. van Dijk. 1De procedure in de hoofdzaak en het incident 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding tevens houdende provisionele vordering(en) - het verzoek om uitstel van gedaagde partij. 1.2.

Legislator headnote

AI generated

artikel 223 lid 1 Rv; ECLI:NL:RBLIM:2020:8612 · Rechtbank Limburg: Ingevolge artikel 223 lid 1 Rv kan een voorlopige voorziening alleen worden getroffen als de bodemprocedure aanhangig is. De kantonrechter stelt vast dat de bodemprocedure thans niet meer aanhangig is, omdat bij dit vonnis in de hoofdzaak een eindbeslissing is gewezen. Daarom moet(en) de provisionele vordering(en) worden afgewezen. 2.4. Eisende partij zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het incident. Deze worden begroot op nihil.

Keywords

AI generated
artikel 223 lid 1 Rv

Cited Legislation

AI generated
artikel 223 lid 1 Rv
Ingevolge artikel 223 lid 1 Rv kan een voorlopige voorziening alleen worden getroffen als de bodemprocedure aanhangig is.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: 8647551 \ CV EXPL 20-3397 Vonnis van de kantonrechter van 4 november 2020 in de zaak van: [eiser] , wonende [adres 1] , [woonplaats 1] , eisende partij, gemachtigde mr. B.H.A. Augustin, tegen: 1 [gedaagde sub 1] ,wonende [adres 2] ,[woonplaats 2] , 2. [gedaagde sub 2],wonende [adres 2] ,[woonplaats 2] , 3. [gedaagde sub 3],wonende [adres 3] ,[woonplaats 3] , gedaagde partij, gemachtigde mr. J.M.A. van Dijk. 1De procedure in de hoofdzaak en het incident 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding tevens houdende provisionele vordering(en) - het verzoek om uitstel van gedaagde partij. 1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald. 2De beoordeling in de hoofdzaak 2.1. Gedaagde partij heeft, na verkregen uitstel niet meer geantwoord. De vordering van eisende partij staat daarom als niet weersproken tussen partijen vast en behoort als onvoldoende betwist te worden toegewezen behoudens de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de verklaring voor recht, welke zich hiertoe niet leent. 2.2. Gedaagde partij zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure. De kosten aan de zijde van eisende partij worden begroot op: dagvaarding € 207,99 griffierecht € 83,00 salaris gemachtigde € 120,00 (1 x tarief € 120,00) totaal € 410,99 in het incident 2.3.

Ingevolge artikel 223 lid 1 Rv kan een voorlopige voorziening alleen worden getroffen als de bodemprocedure aanhangig is. De kantonrechter stelt vast dat de bodemprocedure thans niet meer aanhangig is, omdat bij dit vonnis in de hoofdzaak een eindbeslissing is gewezen. Daarom moet(en) de provisionele vordering(en) worden afgewezen. 2.4. Eisende partij zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het incident. Deze worden begroot op nihil.

3De beslissing

De kantonrechter in de hoofdzaak 3.1. verklaart voor recht dat het gehuurde gebreken vertoont, welke gebreken in de risicosfeer van gedaagde partij vallen, weshalve sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de tussen partijen gesloten huurovereenkomst, voor welke tekortkoming gedaagde partij jegens eisende partij aansprakelijk is voor alle geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, 3.2. bepaalt dat de huursom per 1 januari 2020 tot het moment dat alle gebreken aan zowel het dak alsook de riolering verholpen zijn met 50% gematigd wordt, 3.3. veroordeelt gedaagde partij in de kosten van de procedure aan de zijde van eisende partij gevallen en aan die zijde tot op heden begroot op een bedrag van € 410,99, in het incident 3.4. wijst de provisionele vordering af, 3.5. veroordeelt eisende partij in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde partij tot op heden begroot op nihil, in de hoofdzaak en in het incident 3.6. verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad, 3.7. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken. type: JEC