Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBLIM:2020:7230 ECLI:NL:RBLIM:2020:7230 AI generated

ECLI:NL:RBLIM:2020:7230 · Rechtbank Limburg

Case Number ECLI:NL:RBLIM:2020:7230
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: 8604148 \ CV EXPL 20-2954 Vonnis van de kantonrechter van 23 september 2020 in de zaak van: de naamloze vennootschap N.V. UNIVÉ ZORG, betreffende ZEKUR, gevestigd te Arnhem, eisende partij, gemachtigde Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso, tegen: [gedaagde] , wonende [adres] , [woonplaats] , gedaagde partij, procederende in persoon. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de conclusie van antwoord. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De beoordeling 2.1.

Legislator headnote

AI generated

artikel 21 Rv, artikel 6:96 lid 6 BW; ECLI:NL:RBLIM:2020:7230 · Rechtbank Limburg: De gevorderde vergoeding komt echter niet voor toewijzing in aanmerking, nu de wettelijk verplichte aanmaning niet voldoet aan hetgeen artikel 6:96 lid 6 BW vereist. 2.8. De overige vordering, groot € 546,52 (€ 1.987,25 aan hoofdsom plus € 51,27 aan vervallen wettelijke rente minus € 1.492,00 aan deelbetalingen) zal als niet althans onvoldoende betwist worden toegewezen. 2.9. Gedaagde partij zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van eisende partij worden begroot op: dagvaarding € 105,09 griffierecht € 499,00 salaris gemachtigde € 120,00 (1 x tarief € 120,00) totaal € 724,09 2.10.

Keywords

AI generated
reimbursement of insurance costs overpaid insurance benefits pension overpayment setoff medical expenses covered health coverage for cataract reimbursement obligation

Cited Legislation

AI generated
artikel 21 Rv
Op grond van artikel 111 lid 2 onder d Rv dient de dagvaarding de eis en de gronden daarvan te vermelden en op grond van artikel 21 Rv dient eisende partij de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren.
artikel 6:96 lid 6 BW
De gevorderde vergoeding komt echter niet voor toewijzing in aanmerking, nu de wettelijk verplichte aanmaning niet voldoet aan hetgeen artikel 6:96 lid 6 BW vereist.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: 8604148 \ CV EXPL 20-2954 Vonnis van de kantonrechter van 23 september 2020 in de zaak van: de naamloze vennootschap N.V. UNIVÉ ZORG, betreffende ZEKUR, gevestigd te Arnhem, eisende partij, gemachtigde Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso, tegen: [gedaagde] , wonende [adres] , [woonplaats] , gedaagde partij, procederende in persoon. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de conclusie van antwoord. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De beoordeling 2.1.

Op grond van artikel 111 lid 2 onder d Rv dient de dagvaarding de eis en de gronden daarvan te vermelden en op grond van artikel 21 Rv dient eisende partij de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. 2.2. De kantonrechter is van oordeel dat de dagvaarding aan de voormelde vereisten voldoet. 2.3. Gedaagde partij is een consument, althans wordt vermoed een consument te zijn. Op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dient de rechter de beschermende bepalingen van het Europees consumentenrecht ook toe te passen als daar niet om gevraagd is (‘ambtshalve toepassing’). 2.4.

De kantonrechter is van oordeel dat in deze zaak geen beschermende bepalingen van het Europees consumentenrecht zijn geschonden. 2.5. Eisende partij vordert – samengevat - veroordeling van gedaagde partij tot betaling van een bedrag van € 891,07, te vermeerderen met rente en kosten, waaronder nakosten. 2.6. Ter onderbouwing van haar vordering voert eisende partij (samengevat) het volgende aan. Eisende partij heeft op grond van een met gedaagde partij gesloten zorgverzekeringsovereenkomst bedragen bij gedaagde partij in rekening gebracht. De totale achterstand bedraagt volgens eisende partij € 1.987,25.

Daarnaast is gedaagde partij aan haar de wettelijke rente verschuldigd. Eisende partij berekent de wettelijke rente tot 13 mei 2020 op € 51,27. Voorts stelt zij dat gedaagde partij aan haar een vergoeding van € 294,55 voor buitengerechtelijke kosten inclusief btw verschuldigd is. Op het totale bedrag van € 2.333,07 strekt nog een bedrag van € 1.492,00 aan deelbetalingen in mindering. 2.7. Eisende partij maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden.

De gevorderde vergoeding komt echter niet voor toewijzing in aanmerking, nu de wettelijk verplichte aanmaning niet voldoet aan hetgeen artikel 6:96 lid 6 BW vereist. 2.8. De overige vordering, groot € 546,52 (€ 1.987,25 aan hoofdsom plus € 51,27 aan vervallen wettelijke rente minus € 1.492,00 aan deelbetalingen) zal als niet althans onvoldoende betwist worden toegewezen. 2.9. Gedaagde partij zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van eisende partij worden begroot op: dagvaarding € 105,09 griffierecht € 499,00 salaris gemachtigde € 120,00 (1 x tarief € 120,00) totaal € 724,09 2.10.

De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen overeenkomstig de richtlijnen van het LOVCK&T en worden begroot op een half salarispunt conform het liquidatietarief proceskosten aan nakosten salaris.

3De beslissing

De kantonrechter 3.1. veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 546,52, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 13 mei 2020 tot de dag van volledige betaling, 3.2. veroordeelt gedaagde partij in de kosten van de procedure aan de zijde van eisende partij gevallen en aan die zijde tot op heden begroot op een bedrag van € 724,09, 3.3. veroordeelt gedaagde partij onder de voorwaarde dat deze niet binnen twee weken na aanschrijving door eisende partij volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op: - € 60,00 aan salaris gemachtigde, - te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, 3.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 3.5. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken. . type: JEC