Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBLIM:2020:3980 ECLI:NL:RBLIM:2020:3980 AI generated

ECLI:NL:RBLIM:2020:3980 · Rechtbank Limburg

Case Number ECLI:NL:RBLIM:2020:3980
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht Zaaknummer: ROE 18 / 1032 Uitspraak van de meervoudige kamer van 4 juni 2020 in de zaak tussen Stichting Wonen Limburg, gevestigd te Roermond, eiseres, en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, verweerder. Procesverloop Bij besluit met dagtekening 28 februari 2014 (hierna: de aanslag) – voor zover thans van belang – heeft verweerder aan eiseres een aanslag rioolheffing eigenaren voor het belastingjaar 2014 ten bedrage van € 22.649,25 opgelegd. Bij besluit van 4 april 2018 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen de aanslag gegrond verklaard en de aanslag verlaagd tot € 22.205,15.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBLIM:2020:3980 · Rechtbank Limburg: Ook is niet aannemelijk geworden dat verweerder in andere, met het geval van eiseres vergelijkbare, gevallen, heeft afgezien van rioolheffing. Kaderrichtlijn Water 5. Eiseres heeft voorts het standpunt ingenomen dat verweerder aan haar als eigenaar van de percelen ten onrechte de aanslag heeft opgelegd. Hiertoe heeft eiseres betoogd dat de Verordening, waaruit volgt dat de eigenaar van een perceel wordt betrokken in de rioolheffing, in strijd is met de Kaderrichtlijn Water (hierna: de KRW), meer specifiek met artikel 9, eerste lid, van de KRW. In dit artikellid is het beginsel van ‘de vervuiler betaalt’ neergelegd, waaruit volgens eiseres volgt dat niet zij als eigenaar maar de huurders van haar onroerende zaken dienen te worden betrokken in de rioolheffing.

Keywords

AI generated
building lease rent municipal liability exclusion construction cost overruns municipal ordinance violation of zoning regulations continuous building construction

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2017:3082
8 december 2017 nr. 17/00071 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van Stichting [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) en het incidenteel beroep in cassatie van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Someren (hierna: het College) tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 6 december 2016, nr. 15/00815, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant (nr. SHE 14/1839) betreffende aanslagen in de rioolheffing eigenaren voor het jaar 2013 van de gemeente Someren. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:GHARL:2018:7681
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Arnhem nummers 17/00022, 17/00023 en 17/00024 uitspraakdatum: 28 augustus 2018 Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van de erven [X] te [Z] (hierna gezamenlijk aangeduid als: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 1 december 2016, nummers AWB 15/3781, 15/3782 en AWB 15/3783, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Nijmegen (hierna: de heffingsambtenaar) 1Ontstaan en loop van het geding 1.1 De heffingsambtenaar heeft aan [X] (hierna: erflater) voor het jaar 2013 ter zake van het genot krachtens eigendom van de onroerende zaken gelegen aan de [a-straat 1] te [Z] en de [b-straat 2] te [Z] , aanslagen in de rioolheffing van de gemeente Nijmegen opgelegd. Ter zake van de laatstgenoemde onroerende zaak heeft de heffingsambtenaar aan erflater eveneens een aanslag in de rioolheffing voor het jaar 2014 opgelegd. 1.2 Na daartegen door erflater gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraken op bezwaar de aanslagen gehandhaafd. 1.3 Erflater is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen bij uitspraak van 1 december 2016 ongegrond verklaard. 1.4 Erflater heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Erflater is overleden op 29 juni 2017. De erven hebben de lopende procedure voortgezet. 1.5 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, de van de Rechtbank ontvangen dossiers die op deze zaken betrekking hebben alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd. 1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2018 te Arnhem. Daarbij is verschenen mr. [A] als de gemachtigde van belanghebbende. Namens de heffingsambtenaar is verschenen [B] , bijgestaan door [C] , [D] en [E] . 1.7 De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en afschriften daarvan verstrekt aan het Hof en aan de wederpartij. 1.8 Met instemming van partijen zijn de beroepen gelijktijdig behandeld met de beroepen van [F] , de erven [G] en [H] , rolnummers 17/00105 tot en met 17/00127, 17/00133 tot en met 17/00173, 17/00175 tot en met 17/00198 en 17/00200. Namens hen is ter zitting verschenen mr. [I] . 1.9 Van het verhandelde ter zitting is met instemming van partijen één proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht. 2De vaststaande feiten 2.1 Erflater was eigenaar van de onroerende zaken, plaatselijk bekend [a-straat 1] en [b-straat 2] te [Z] . Het betreft woonhuizen die zijn aangesloten op het gemeentelijke rioleringsstelsel. 2.2 Onder het Gemeentelijke Rioleringsplan van de gemeente Nijmegen (hierna: het GRP) voor de jaren 1994 – 2005 werden de kapitaallasten (rente en afschrijving) van de vervangingsinvesteringen jaarlijks verminderd met bedragen uit de zogenoemde voorziening ‘GRP-oud’. Die voorziening werd deels gevoed uit de toenmalige rioolrechten en deels uit de algemene middelen. 2.3 Op grond van een besluit van de Raad van de gemeente Nijmegen wordt met ingang van 2006 een rioolrecht (en met ingang van 2009 een rioolheffing) geheven die volledig kostendekkend zal zijn. Het besluit voorziet in een zogenoemd gesloten stelsel van rioolrechten/-heffingen hetgeen inhoudt dat alle bedragen die worden geïnd als rioolrecht dan wel rioolheffing worden en blijven gereserveerd ter dekking van de kosten van de riolering en, in de jaren 2009 en volgende, alle kosten die de gemeente moet maken voor de uitvoering van de haar opgedragen waterbeheertaken als bedoeld in artikel 228a van de Gemeentewet. De heffingsambtenaar heeft ter zitting van het Hof onweersproken verklaard dat het gesloten stelsel in de gemeente Nijmegen inhoudt dat zelfs de efficiency- en aanbestedingswinsten die bij de uitvoering van de begrote werkzaamheden worden gemaakt, enkel worden aangewend ten behoeve van de vorenbedoelde taken. 2.4 Onder het GRP 2006 – 2009 werden de kapitaallasten verminderd met bedragen uit de voorziening ‘GRP‑nieuw’, ook wel ‘Schommelfonds’ genoemd, welke voorziening volledig werd gevoed met ontvangen rioolrechten/-heffingen. Ultimo 2009 waren, afgerond, € 3,8 miljoen en € 175.000 aan investeringen uit het GRP 2006 – 2009 respectievelijk het GRP 1994 – 2005 nog niet (definitief) gerealiseerd. Het Schommelfonds bedroeg ultimo 2009, afgerond, € 7,1 miljoen. 2.5 In zijn arrest van 16 januari 2015, nr. 13/04173, ECLI:NL:HR:2015:67 (hierna: het arrest uit 2015) heeft de Hoge Raad met betrekking tot het rioolrecht van de gemeente Nijmegen voor het jaar 2006, in het algemeen, beslist dat het in procedures met betrekking tot de zogenoemde limietoverschrijding (artikel 229b van de Gemeentewet) erom gaat of bij de ramingen van de lasten de toerekening van lasten aan het desbetreffende jaar niet in strijd komt met de voor de gemeente gelden comptabiliteitsvoorschriften. Voorts heeft de Hoge Raad in dat arrest beslist dat van de handelwijze van de gemeente Nijmegen, onder meer inhoudend dat de in enig jaar in het Schommelfonds opgenomen spaarbedragen nog in hetzelfde jaar worden afgeboekt op de vervangingsinvesteringen, niet kan worden gezegd dat deze in strijd komt met de voor haar geldende comptabiliteitsvoorschriften. Naar het oordeel van de Hoge Raad leidt het door de gemeente Nijmegen in 2006 toegepaste financieringssysteem niet tot een overschrijding van de opbrengstlimiet. 2.6 Het Hof heeft bij uitspraken van 15 december 2015 de beroepen van erflater met betrekking tot de aan hem voor de jaren 2007, 2008 en 2009 opgelegde aanslagen, ongegrond verklaard met – onder meer – toepassing van het in 2.5 genoemde arrest, evenals de beroepen van een groot aantal andere belanghebbenden in soortgelijke zaken. Erflater heeft de daartegen ingediende beroepschriften in cassatie ingetrokken. Voor zover door andere belanghebbenden beroepschriften in cassatie zijn ingediend, zijn zij eveneens ingetrokken dan wel door de Hoge Raad niet-ontvankelijk verklaard. 2.7 De Raad van de gemeente Nijmegen heeft op 14 oktober 2009 het Gemeentelijke Rioleringsplan 2010 – 2016 vastgesteld. In dit GRP is onder meer het volgende opgenomen: “(…) 8 Lasten, baten en personeel Het hoofdstuk Kosten, baten en personeel beschrijft: - de financiële structuur van het GRP 2010-2016 en de financiële uitgangspunten daarbij (8.1) - de kosten (8.2) om de doelen te bereiken en hoeveel personeel daarvoor nodig is (8.5) - de hoogte en ontwikkeling van de baten/rioolheffing (8.3) en de Geïntegreerde Voorziening GRP (…) Financiële structuur Uitgangspunt is dat de financiële structuur een in de periode 2010-2016 gelijkblijvend riooltarief mogelijk maakt. Belangrijke doel is verder een transparanter, helderder en zo eenvoudig mogelijke structuur, met zuivere toepassing van het zogenaamde spaarsysteem voor alle vervangings- en verbeteringsinvesteringen en van een geïntegreerde voorziening, waarin de drie te onderscheiden componenten voor onderhoud, spaardeel voor investeringen en jaarlijkse financiële resultaten in samenhang met elkaar, maar wel apart zichtbaar worden bewaakt en verantwoord. Sinds het verschijnen van het GRP 2005-2009 heeft de Commissie BBV een notitie over rioleringen en heeft de Gemeentelijke Rekenkamer in 2008 haar “Nazorgonderzoek riolering” alsook in maart 2009 de “Handreiking wettelijke eisen rond financiële stromen riolering” uitgebracht. Van deze stukken en met name van de stukken van de Rekenkamer is uitgebreid gebruik gemaakt bij het vervolmaken van de financiële structuur. Een en ander is vertaald in de volgende opzet: Rekenperiode egalisatie rioolheffing Om schommelingen in de rioolheffing te voorkomen vindt egalisatie via een voorziening plaats over een bepaalde termijn. We kiezen daarbij voor een periode van 20 jaar. Hiermee voorkomen we dat er na de looptijd van dit GRP 2010-2016 een grote verandering van het tarief optreedt. Zo’n verandering zou immers impliceren dat kosten naar de toekomst zijn doorgeschoven of onterecht bij de huidige gebruikers in rekening worden gebracht. De gekozen termijn van 20 jaar hangt ook samen met de onder ‘’Investeringen’’ beschreven systeemwijziging. Argument is ook dat de gekozen termijn goed aansluit bij de “Handreiking wettelijke eisen rond financiële stromen riolering” van de Rekenkamer, waarin zij stelt dat een termijn van 10 tot 20 jaar voor tariefstelling acceptabel is. Een langere termijn waarover egalisatie van de heffing plaatsvindt voor wat betreft de kostendekkendheid van het riooltarief is niet realistisch, omdat naarmate deze termijn langer wordt de hardheid van de ramingen afneemt. Investeringen Bij het opstellen van het GRP 2005-2009 is nog uitgegaan van drie systematieken voor de dekking van de investeringen. Bij de Update GRP 2005- 2009 is al teruggegaan naar twee systematieken, te weten: - afschrijven in 40 jaar van de investeringen voortvloeiende uit GRP’s van voor 2005; - een soort spaarsystematiek voor de investeringen voortvloeiend uit het GRP 2005-2009. Wij willen een stap verder gaan ter wille van een optimale toepassing van de spaarsystematiek, en ter vergroting van transparantie en van eenduidigheid. Allereerst: Hoe werkt de spaarsystematiek?  In de begroting wordt een structurele dotatie geraamd die jaarlijks in de voorziening wordt gestort om zo te sparen voor de investeringen alsmede om zo de afbouw van de boekwaarde van de geactiveerde investeringen te financieren;  Investeringen worden geactiveerd in de balans;  De spaarcomponent (het ontvangen spaardeel uit het rioolrecht) dient als bijdrage van derden hierop in mindering te worden gebracht (exclusief de interne rentelasten);  Wat resteert is dan de boekwaarde, waarvoor dus nog geen spaarbedragen zijn ontvangen en die in de balans dient te worden opgenomen. Wij kiezen er voor alle investeringen, dus zowel voor de boekwaarde van de geactiveerde investeringen als voor de in de toekomst te plegen investeringen, te verwerken via de systematiek van sparen in een voorziening (onderdeel van de hieronder nader omschreven Geïntegreerde Voorziening GRP). Dit betekent dat de boekwaarde van de geactiveerde investeringen op de balans circa € 31,3 mln nu ook onder deze spaarsystematiek dienen te worden gebracht. Bij de berekening van de spaarcomponent voor deze ´oude´ investeringen gaan we uit van een afschrijving over een termijn van 20 jaar. Met deze termijn is er op korte termijn geen noemenswaardig verschil tussen het spaarbedrag voor deze ´oude´ investeringen vergeleken met de huidige kapitaalslasten bij meerjarig afschrijven over 40 jaar. Onderhoud Om de lasten voor onderhoud gelijkmatig te spreiden kiezen we voor een jaarlijkse gelijke dotatie vanuit de exploitatie aan een voorziening (onderdeel van de Geïntegreerde Voorziening GRP). Deze dotatie bedraagt jaarlijks circa € 2,3 mln. (…) Financiële resultaten op de exploitatie De werkelijke lasten en baten zullen afwijken van de ramingen. Dat geldt dus voor drie componenten:  onderhoud  spaardeel investeringen  overige exploitatiekosten Deze worden gestort/onttrokken aan een voorziening (onderdeel van de Geïntegreerde voorziening GRP). Kostendekkendheid tarief In de bepaling van de tarieven (rioolheffing) is kostendekkendheid leidend. De wettelijke regel schrijft voor dat de geplande opbrengsten niet hoger mogen zijn dan de geraamde kosten. Ook wordt bij vaststelling van het tarief rekening gehouden met ‘De handreiking kostentoerekening leges en tarieven 2007’, opgesteld door Deloitte in opdracht van het ministerie van Biza. Jaarlijks balans opmaken Jaarlijks zal bij de jaarrekening worden aangegeven hoe de omvang van de geïntegreerde voorziening zich verhoudt met het meerjarenkader en de werkelijke lasten voor investeringen, onderhoud en de overige exploitatie en de ontwikkeling van de rioolrechten. Dit is dan ook het moment om op basis van de bevindingen eventueel aanpassingen voor te stellen en/of keuzes te maken ten aanzien van de voorziening. Het gevolg kan dan zijn om tot heroverweging van de tariefstelling over te gaan. Areaaluitbreiding Ook in de komende jaren zal Nijmegen zowel uitbreidings- als inbreidingsprojecten hebben, de zogenaamde areaaluitbreidingen. Dit zal in de eerste jaren, bij gelijkblijvend tarief (rioolheffing) een voordeel opleveren omdat de extra baten van de extra volumes (woningen/ niet-woningen) hoger zullen zijn dan de extra lasten. Dit heeft onder meer te maken met het feit dat de investeringen voor rioolaanleg uit planexploitaties worden gedekt en dus niet via de rioolheffing hoeven te worden gedekt. Het is onzeker wanneer en in welke hoeveelheden het areaal zich uitbreidt. Daarom is het lastig de financiële effecten hiervan planmatig in te schatten. Om die reden kiezen we er primair voor om in dit GRP 2010-2016 geen rekening te houden met areaaluitbreidingen maar deze jaarlijks in november bij de vaststelling van de begroting en bij de vaststelling van de hoogte van het rioolrecht, in beeld te brengen en zo nodig te vertalen naar noodzakelijke aanpassingen (denk aan aanpassingen in de sfeer van onderhoudslasten en baten rioolrecht). (…) 8.3. Baten: rioolheffing Alle kosten voor de gemeentelijke watertaken worden gedekt uit de opbrengsten van de rioolheffing. De rioolheffing is een bestemmingsbelasting, dat wil zeggen dat de opbrengsten alleen aangewend mogen worden voor een specifieke bestemming, in dit geval de uitvoering van de gemeentelijke watertaken. De opbrengsten mogen op begrotingsbasis niet meer dan kostendekkend zijn (wel minder). (…) De gemiddelde rioolheffing blijft in de periode 2010 tot en met 2016 vrijwel constant en vertoont slechts een zeer geringe fluctuatie. Ten opzichte van 2009 (gemiddelde rioolheffing € 195,00) zal de gemiddelde rioolheffing in de jaren 2010-2016 circa 25% lager liggen, exclusief indexering. Het tarief wordt jaarlijks in november door de raad vastgesteld. Indexering In dit GRP zijn alle lasten en baten berekend op prijspeil 1 januari 2010. Jaarlijks zal aan de hand van de loon- en prijsstijgingen die zich hebben voorgedaan de lasten en baten worden bijgesteld. 8.4. Voorziening Binnen de bestaande regels en wetgeving kiezen we voor een zo eenduidig en eenvoudig mogelijke en transparante financiële structuur. Er is daarom gekozen voor een geïntegreerde voorziening waarin de drie componenten voor spaardeel voor investeringen, onderhoud en jaarlijkse financiële resultaten in samenhang met elkaar, maar wel apart zichtbaar worden, en gescheiden geregistreerd en beheerd worden. Door de nieuwe Geïntegreerde Voorziening GRP komt de huidige Voorziening GRP-nieuw (ook wel ‘schommelfonds’ genoemd) te vervallen. De totstandkoming en de stand van de Geïntegreerde Voorziening GRP per 1-1- 2010 is als volgt (bedragen in €): Stand per 1-1-2009 8.154.026 Mutaties 2009: - Dotatie 2009 (cf. begroting) 6.605.476 - Onttrekking 2009 (o.b.v. prognose 'gerealiseerde investeringen GRP 2005-2009' in het jaar 2009; cf. NJN melding) - 7.657.000 SUBTOTAAL mutaties -1.051.524 Stand per 1-1-2010 7.102.502 (…) Per 1-1-2010 bedraagt de stand van de Geïntegreerde Voorziening GRP € 7,1 mln. Hiervan wordt € 1,6 mln ingezet voor de onderhoudsvoorziening. Dit geld is nodig om de piek aan onderhoudslasten in de eerste jaren op te vangen. Wij achten het terecht om een deel van de voorziening ‘te besteden’ aan onderhoud omdat inhoudelijk gezien het nieuwe GRP 2010-2016 het accent verlegt van investeren naar onderhouden/repareren. We zouden als alternatief ook het riooltarief in 2010 en 2011 extra kunnen verhogen. Dat gaat echter in tegen ons uitgangspunt van een gelijkmatig riooltarief voor de burger. Het restant is onderdeel van de voorziening t.b.v. investeringen (€ 5,5 mln). Het verloop van de (onderdelen van de) Geïntegreerde Voorziening GRP is opgenomen in bijlagen 8.2.a (spaarbedrag investeringen, bijlage 8.2.b (dotatie onderhoud) en 8.2.d (Geïntegreerde Voorziening GRP).” 2.8 In de bijlage 8.2a bij het GRP 2010-2016 is, op basis van de uitgangspunten in dat plan, voor de jaren 2010 tot en met 2029 een benodigd spaarbedrag berekend van € 6.909.000 per jaar. Dit bedrag is, zoals door de heffingsambtenaar ook ter zitting van de Rechtbank is toegelicht, samengesteld uit bedragen voor afbouw van de balanspositie per 1 januari 2010, rente en vervangingsinvesteringen. Uitgaande van de boekwaarde per 1 januari 2010 van de gepleegde rioleringsinvesteringen (€ 31.383.000), van de op 1 januari 2010 nog uit te voeren investeringen uit het GRP 2005-2009 (€ 3.820.000) en uit het tot en met 2004 geldende GRP (€ 175.000), van een post aanleg (10 jaar € 50.000 en 10 jaar € 20.000) en van de vernieuwing- en verbeteringsinvesteringen volgens het GRP 2010-2016 en rekening houdend met een rentefactor, wordt een spaarbedrag van € 6.909.000 berekend, met als resultaat dat de boekwaarde van de investeringen na 20 jaar op ongeveer nihil staat. 2.9 De GRP-voorziening start op 1 januari 2010 met het saldo van het schommelfonds aan het einde van het voorafgaande jaar, verdeeld in reserveringen voor vervanging (€ 5.502.502) en onderhoud (€ 1.600.000). Aan het vervangingsdeel wordt jaarlijks het hierboven genoemde spaarbedrag (afgezien van actualiseringen) toegevoegd en de aanwending daarvan onttrokken (in 2010 dus € 6.909.000). Daarnaast wordt jaarlijks 10 percent van het saldo per 1 januari 2010 ten gunste van de exploitatie onttrokken. Aan het onderhoudsdeel wordt een vast (gecalculeerd) bedrag ten laste van de exploitatie toegevoegd en worden de werkelijke kosten ten gunste van de exploitatie onttrokken. Daarnaast wordt ook jaarlijks 10 percent van het saldo van de onderhoudsvoorziening per 1 januari 2010 ten gunste van de exploitatie onttrokken. Ten slotte worden op de GRP-voorziening de exploitatieresultaten gemuteerd. 2.10 Tot de stukken van het geding behoren overzichten “Rioleringskosten obv de primitieve begroting” voor de jaren 2010 tot en met 2014. Voor het jaar 2014 (de methodiek in de andere jaren is dezelfde) zijn daarin (telkens zowel in de kolom ‘Primitieve begroting’ als in de kolom ‘Basisberekening rioolrecht’; Hof: bedoeld zal zijn: rioolheffing) de volgende gegevens vermeld. Onderhoud 1.374.028 + reparatie 946.155 (werkelijke kosten) 2.320.183 Onderzoek 217.609 Planvorming 358.177 Voorlichting en klachtafhandeling 163.972 Beheer 262.098 Bijzondere posten (o.a. btw en straatvegen) 2.787.231 Kapitaallasten (Hof: geactualiseerd bedrag) 6.687.000 Subtotaal 12.796.270 Voorziening GPR-nieuw Spaarcomponent (dotatie) 6.687.000 Dekking kapitaallasten (onttrekking) -6.687.000 Normonderhoud (dotatie) 2.211.647 Werkelijk onderhoud (onttrekking) -2.320.183 Vrijval afbouw oude reserve/resultaat onderhoud/exploitatieresultaat -758.750 Subtotaal -867.286 Totale lasten 11.928.984 Totale baten -11.928.984 2.11 De Accountantskamer, ingesteld bij de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra), heeft, op een klacht van erflater tegen de registeraccountants die de jaarrekeningen van de gemeente Nijmegen voor de jaren 2006 tot en met 2012 goedkeurden, de klacht deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard. De Accountantskamer heeft daarbij geoordeeld dat zij: “4.11 Gelet op de tekst van genoemde wettelijke voorschriften en op de door de Commissie voor het BBV opgestelde interpretaties en verduidelijking van het BBV, (…) van oordeel [is] dat betrokkene sub 2) van opvatting mocht zijn dat de door de gemeente gekozen wijze van verslaggeving van de vervangingsinvesteringen in het riool strookte met de bepalingen van het BBV.” Het College van Beroep voor het Bedrijfsleven heeft het hoger beroep van erflater tegen de uitspraak van de Accountantskamer, deels onder verwijzing naar het in 2.5 genoemde arrest, ongegrond verklaard. 3Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen 3.1 In geschil is of de aanslagen rioolheffing rechtsgeldig aan erflater zijn opgelegd. Het geschil spitst zich in hoger beroep nog toe op de volgende vragen: a. Is sprake van een onredelijke en willekeurige rioolheffing doordat de afschrijvingen van de vervangingsinvesteringen en verbeteringen van het rioleringsstelsel op een onjuiste manier worden opgenomen in het kostenoverzicht waardoor de geraamde baten hoger zijn dan de geraamde lasten en de zogenoemde opbrengstlimiet is overschreden, zodat de rioolheffing in strijd is met artikel 228a van de Gemeentewet? Is het daarbij, ook onder toepassing van dat artikel, toegestaan om onder ‘lasten’ mede te verstaan bijdragen aan bestemmingsreserves en voorzieningen voor noodzakelijke vervanging van de betrokken activa? b. Is de rioolheffing in strijd met Richtlijn 2000/60/EG van het Europees parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (hierna: de KRW)? 3.2 Belanghebbende meent dat de antwoorden op bovenstaande vragen leiden tot onverbindendheid van de Verordening Rioolheffing 2013 en de Verordening rioolheffing 2014 van de gemeente Nijmegen (hierna voor elk jaar: de Verordening). 3.3 De heffingsambtenaar is van mening dat op grond van (inmiddels vaste) rechtspraak over de opgeworpen vragen de Verordening jegens belanghebbende verbindend is en dat de aanslagen terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. 3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting. 3.5 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en die van de heffingsambtenaar, en tot vernietiging van de opgelegde aanslagen. 3.6 De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. 4Beoordeling van het geschil Ad a: de limietoverschrijding 4.1 Op grond van artikel 228a van de Gemeentewet kan, onder de naam rioolheffing, door de gemeente een belasting worden geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente zijn verbonden aan – kort gezegd – de verwerking van huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater en hemelwater, en aan maatregelen ter beheersing van de grondwaterstand. 4.2 Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 228a en de bewoordingen van dat artikel blijkt dat, naar de bedoeling van de wetgever, de geraamde baten van de rioolheffing de geraamde lasten ter zake niet mogen overtreffen. Voor het onderhavige belastingjaar komt aan artikel 229b van de Gemeentewet in dit verband geen betekenis (meer) toe. Dit laat onverlet dat de rechtspraak van de Hoge Raad omtrent de limietoverschrijding als bedoeld in artikel 229b van de Gemeentewet overeenkomstig kan worden toegepast (vergelijk Hoge Raad 23 mei 2014, nummer 13/02955, ECLI:NL:HR:2014:1192). Uit de wetsgeschiedenis blijkt eveneens dat naar de bedoeling van de wetgever geen wijziging is gekomen in de mogelijkheid die gemeenten hadden om onder de lasten mede op te nemen bijdragen aan bestemmingsreserves en voorzieningen voor noodzakelijke vervanging van de betrokken activa (artikel 229b, tweede lid, onderdeel a van de Gemeentewet). Ook de Commissie BBV, ingesteld op grond van artikel 75 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten van 17 januari 2003, Stb. 2003, 27 (hierna: het BBV), gaat in haar Notitie riolering van november 2014 (hierna: de Notitie) hiervan uit (onderdeel 3 van de Notitie, voetnoot 2). De andersluidende visie van belanghebbende, verwoord in grief 5 van het hoger beroep (onderdeel van het geschil onder a.), stuit daarop af. 4.3 Bij het vorenstaande verdient nog opmerking dat de gewijzigde wettelijke opzet van de rioolheffing met zich brengt dat tot de zogenoemde “lasten ter zake” meer kosten kunnen worden gerekend dan onder de voormalige heffing van rioolrechten het geval was. Tot die kosten behoren thans immers ook de kosten van het inzamelen van afvloeiend hemelwater en de verwerking daarvan, alsmede van het treffen van maatregelen ter beheersing van de grondwaterstand. 4.4 In de gemeente Nijmegen wordt een rioolheffing geheven op grond van de voor de onderhavige jaren geldende Verordeningen. De rioolheffing wordt geheven van – kort gezegd en voor zover hier van belang – degene die het genot heeft krachtens eigendom van een perceel dat is aangesloten op de gemeentelijke riolering. De maatstaf van heffing is de waarde in het economische verkeer van het perceel. Het tarief bedraagt het in de Verordening genoemde percentage van de heffingsmaatstaf, tot een – eveneens in de Verordening vermeld – maximum. 4.5 Belanghebbende stelt – kort gezegd en zakelijk weergegeven – dat de Verordening overbindend is. In strijd met de voorschriften die inhouden dat de investeringen moeten worden geactiveerd en in 40 jaar moeten worden afgeschreven, worden de investeringen in één keer afgeschreven en onder de lasten opgenomen. De accountants van de gemeente hebben dat toegegeven in de procedure voor de Accountantskamer. Ook de heffingsambtenaar heeft het in de onderhavige procedure erkend. Van een spaarsysteem, waarbij bedragen voor toekomstige vervangingsinvesteringen ten laste van de exploitatie aan de GRP-voorziening mogen worden toegevoegd, is dan geen sprake en in zoverre is de Hoge Raad in eerdere procedures verkeerd voorgelicht. In het kielzog van die eerdere arresten van de Hoge Raad hebben de Accountantskamer, het Cbb, de Rechtbank en het Hof in andere procedures en procedures over latere jaren onjuist beslist. Door nog niet gerealiseerde investeringen uit de vorige Gemeentelijke Rioleringsplannen mee te nemen ontstaat een dubbeltelling, evenals door het opnemen van spaarbedragen voor de afboeking van de balanswaarde. Omdat in het gestelde systeem ineens wordt afgeschreven is er geen balanswaarde. Dubbeltelling ontstaat ook door de opgenomen post van € 50.000 voor ‘Aanleg’, althans, daardoor worden kosten meegenomen die niet toegelaten zijn omdat geen sprake is van vervanging of onderhoud. Ten onrechte heeft, aldus nog steeds belanghebbende, de Rechtbank geoordeeld dat de heffingsambtenaar voldoende inzicht heeft gegeven in de geraamde baten en lasten. De opbrengstlimiet is overschreden. 4.6 Het Hof overweegt dienaangaande als volgt. 4.7 Het tarief is gebaseerd op een raming van de baten en lasten zoals opgenomen in het overzicht Rioleringskosten op basis van de primitieve begroting (hierna ook: Overzicht Rioleringskosten), dat voor elk jaar behoort tot de stukken van het geding. Tot de stukken van het geding behoren tevens de stukken en toelichtingen die door de gemeente Nijmegen zijn verstrekt op grond van de Wet openbaarheid van bestuur. Ter zitting van het Hof zijn al deze stukken nader toegelicht, mede aan de hand van het Overzicht Rioleringskosten voor het jaar 2014 zoals dat onder de feiten is opgenomen waaraan de heffingsambtenaar ten behoeve van de uitleg ter zitting een opsomming heeft toegevoegd van de lasten zoals die, per saldo, in aanmerking zijn genomen voor de berekening van het tarief van de rioolheffing. Die opsomming luidt (zie ook 2.10): “Spaarcomponent (dotatie) 6.687.000 Normonderhoud (dotatie) 2.211.647 Vrijval afbouw oude reserve/resultaat onderh./expl. Resultaat - 758.750 Overige kosten 2.422.684 BTW-druk 1.366.404 11.928.985 ========” 4.8 De heffingsambtenaar heeft toegelicht dat hij het Overzicht Rioleringskosten heeft samengesteld ten behoeve van de lopende procedures over de rioolheffing en dat de daarin opgenomen bedragen zijn terug te vinden in de basisbegroting en de daaraan ten grondslag liggende begrotingen op hoofdstukken en productbegrotingen zoals die zijn voorgeschreven in de voor gemeenten geldende comptabiliteitsvoorschriften. De bedragen die daarin zijn opgenomen vinden, onder meer, naar hun aard en uitgangspunten hun oorsprong in het GRP 2010-2016 dat door de gemeenteraad is aangenomen. De cijfers stemmen niet exact daarmee overeen omdat na het aannemen van het GRP de cijfers jaarlijks zijn aangepast aan de ontwikkelingen, de inflatie en gewijzigde rentestanden. Zoals blijkt uit de Overzichten Rioleringskosten zijn de bedragen daardoor ook naar beneden bijgesteld. Het toegepaste systeem zoals dat in het GRP is beschreven, is echter niet gewijzigd. Het geheel staat in het licht van de door de gemeenteraad uitgesproken wens om in de toekomst te komen tot een ideaalcomplex waarbij de spaarbedragen in evenwicht zijn met de vervangings- en verbeteringsinvesteringen in, en de onderhoudskosten van het riool. Voor het overige wordt de begroting, zoals voorgeschreven, opgemaakt aan de hand van de gegevens van het lopende jaar en de vastgestelde rekening over het daaraan weer voorafgaande jaar. Ook met die gegevens wordt rekening gehouden ten einde de ramingen zo goed mogelijk af te stemmen met de (definitieve) cijfers van de meest recente jaren. 4.9 Gelet op de inhoud van de stukken van het geding en de door de heffingsambtenaar daarop gegeven toelichting acht het Hof aannemelijk dat het stelsel van vaststellen van de baten en de lasten ten behoeve van de rioolheffing van de gemeente Nijmegen voor de onderhavige jaren in essentie niet verschilt van het systeem dat van toepassing was voor de jaren 2006 tot en met 2009. Daarbij is niet van belang dat hier en daar in de stukken, in plaats van het juiste ‘afboeken van de voorziening op de investeringen’ gesproken wordt van ‘afschrijving ineens van de investeringen’. Het komt erop aan wat de bedoeling is geweest van de gemeenteraad toen hij het GRP 2010-2016 en de daarmee in overeenstemming zijnde begrotingen voor de jaren van het GRP vaststelde. Dat bij aanvang in het GRP 2010-2016 de vóór 2010 wel geplande maar nog niet gerealiseerde investeringen en het bestaande saldo van de voorziening (het Schommelfonds) zijn ingebracht doet daaraan niet af, temeer niet nu de voorziening hoger was dan de nog te realiseren investeringen en die voorziening in 10 jaren ten gunste van de exploitatie wordt gebracht. Van het dubbel rekening houden met vóór 1 januari 2010 al geplande investeringen is dan ook geen sprake. Dit onderschrijft het gehanteerde uitgangspunt van het hiervoor omschreven gesloten stelsel waarin alle gelden die door middel van aanslagen in de rioolheffing door de gemeente worden opgehaald, worden besteed aan de rioleringskosten, ook over de jaargrenzen van de elkaar opvolgende Gemeentelijke Rioleringsplannen heen. Dat aldus sprake zou zijn van een dubbeltelling vermag het Hof niet in te zien. 4.10 Aan het oordeel dat in essentie sprake is gebleven van hetzelfde financieringssysteem doet naar het oordeel van het Hof ook niet af dat onder het GRP 2010-2016 ook spaarbedragen in de begroting zijn opgenomen ten behoeve van het gelijkmatig in 20 jaar afboeken van de balanswaarde van de investeringen per 1 januari 2010. Het Hof acht aannemelijk hetgeen daarover in het GRP is opgenomen, namelijk dat de daarvoor benodigde spaarbedragen, bij een gehanteerde periode van 20 jaar, niet wezenlijk verschillen van de kapitaallasten die anders in de begroting opgenomen zouden moeten worden. Weliswaar is de aanduiding spaarbedragen bij het verwerken van kapitaallasten van reeds gepleegde investeringen verwarrend, maar niet valt in te zien waarom die rente- en afschrijvingslasten niet zodanig zouden mogen worden vastgesteld dat de lasten worden gespreid om de heffingen zoveel als mogelijk gelijk te houden of niet meer dan trendmatig te verhogen of te verlagen. Evenmin als sparen voor investeringen uit het jaar zelf (vgl. het in 2.5 genoemde arrest) sluit de Notitie versneld afboeken van in het verleden gedane investeringen met later ontvangen spaarbedragen uit (vgl. Notitie, onderdeel 3): “(…) Als het gespaarde bedrag in de voorziening ‘vervanging riolering’ niet voldoende is om het volledige bedrag van de vervangingsinvesteringen te dekken blijft het resterende deel als boekwaarde van het actief staan. De kapitaallasten daarvan kunnen vervolgens in de berekening van het tarief worden meegenomen. De resterende boekwaarde mag ook versneld worden afgeboekt met later ontvangen bijdragen.”. Met zijn stelling dat die post ten onrechte is opgenomen omdat de investeringen in de nieuwe opzet ‘ineens worden afgeschreven’ miskent belanghebbende dat het hier gaat om investeringen van vóór 2005 die nog een balanswaarde hebben. Daar komt bij dat, zoals de heffingsambtenaar heeft toegelicht, ook onder het nieuwe stelsel het kan voorkomen dat het jaarlijkse spaarbedrag onvoldoende is om op de investeringen in mindering te brengen waardoor een balanswaarde overblijft die moet worden geactiveerd (en waarop toekomstige spaarbedragen in mindering mogen worden gebracht). 4.11 Uit het voorgaande volgt dat het systeem van heffing van het rioolrecht dan wel (met ingang van 2009) de rioolheffing, zoals dat in 2006 door de gemeente Nijmegen is ingevoerd, naar het oordeel van het Hof in de onderhavige jaren niet is gewijzigd. Het arrest van de Hoge Raad uit 2015 behoudt derhalve ook voor de onderhavige jaren zijn betekenis. Het door de gemeente Nijmegen in de onderhavige jaren toegepaste financieringssysteem leidt als zodanig niet tot een overschrijding van de opbrengstlimiet. 4.12 Belanghebbende heeft niet bestreden dat de gemeente Nijmegen in de onderhavige jaren vervangingsinvesteringen heeft gedaan en verbeteringen in het bestaande rioleringsstelsel heeft uitgevoerd. 4.13 Voor het antwoord op de vraag of de geraamde opbrengsten van de rioolheffing de ter zake geraamde lasten overtreffen is de wijze, noch het tijdstip waarop inzicht is geboden in de geraamde baten en lasten bepalend. In een procedure als de onderhavige kan de heffingsambtenaar het vereiste inzicht in de desbetreffende ramingen verschaffen op basis van de gemeentelijke begroting op grond waarvan de tarieven in de Verordening zijn vastgesteld, of op basis van andere gegevens (vgl. Hoge Raad 16 april 2010, nr. 08/02001, ECLI:NL:HR:2010:BM1236). 4.14 Indien een belanghebbende aan de orde stelt of de geraamde baten de ‘lasten ter zake’ hebben overschreden, dient de heffingsambtenaar inzicht te verschaffen in de desbetreffende ramingen. Indien de belanghebbende ten aanzien van één of meer posten in de raming in twijfel trekt of de post kan worden aangemerkt als een ‘last ter zake’, dient de heffingsambtenaar nadere inlichtingen over deze post(en) te verstrekken, ten einde – naar vermogen – deze twijfel weg te nemen (vgl. Hoge Raad 24 april 2009, nr. 07/12961, ECLI:NL:HR:2009:BI1968). 4.15 De grieven van belanghebbende houden voor het merendeel in dat hij betwist dat met betrekking tot de opgevoerde kosten van riolering sprake is van lasten ter zake. Het had naar de mening van belanghebbende op de weg van de heffingsambtenaar gelegen om nadere inlichtingen te verstrekken. De Rechtbank had niet zonder meer het door de heffingsambtenaar gestelde mogen aanvaarden. In hoger beroep bestrijdt belanghebbende nog slechts dat de opgevoerde spaarcomponent ten behoeve van de ‘Geïntegreerde Voorziening GRP nieuw’ als last kan worden aangemerkt. Met betrekking tot het aandeel van de reeds gepleegde en nog te plegen investeringen in de spaarcomponent verwijst het Hof naar hetgeen hiervoor is overwogen. 4.16 Met betrekking tot het aandeel van de geraamde kosten van ‘Aanleg € 50.000’ (vanaf 2020: € 20.000 per jaar) in de spaarcomponent overweegt het Hof dat geen sprake is van uitbreidingskosten (waarvoor reservering niet is toegestaan) in eigenlijke zin. Het rioleringsnet als zodanig, dat ter plaatse reeds aanwezig is, wordt niet uitgebreid. Het gaat, aldus de toelichting van de heffingsambtenaar, om kosten voor rekening van de gemeente van aanleg van een voorziening (buis plus put) tussen de bestaande rioleringsbuis en de perceelgrens van percelen, veelal in de binnenstad, die nog niet op de riolering zijn aangesloten. Die kosten kunnen, anders dan de aansluitkosten, niet uit ter zake daarvan geheven leges worden voldaan. Naar het oordeel van het Hof kunnen die kosten worden aangemerkt als kosten van (toekomstige) verbeteringen en onderhoud van het bestaande rioleringsstelsel en mogen die kosten worden opgenomen onder de zogenoemde lasten ter zake. 4.17 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de totstandkoming van de kostenoverzichten en het financieringssysteem, is het Hof van oordeel dat daarmee tevens vaststaat dat de heffingsambtenaar – op het door belanghebbende thans nog bestreden onderdeel – naar behoren en in voldoende mate inzicht heeft verschaft in de ramingen van de baten en lasten in de gemeentebegroting voor zover deze de rioolheffing betreffen. Dat belanghebbende niet of onvoldoende is toegerust om een controle uit te voeren op de aangeleverde cijfers moet voor zijn risico blijven omdat dat niet kan afdoen aan de op hem rustende bewijslast. 4.18 Alsdan is aan de orde of van de heffingsambtenaar nader bewijs kan worden verlangd. Nu belanghebbende de geraamde baten niet gemotiveerd in twijfel heeft getrokken noch gemotiveerd heeft aangevoerd dat de in het overzicht opgenomen geraamde lasten (andere dan het hiervoor reeds beoordeelde Schommelfonds en ‘Aanleg € 50.000’) niet kunnen worden aangemerkt als ‘lasten ter zake’, beantwoordt het Hof die vraag ontkennend. 4.19 Gelet op het vorenstaande is het Hof van oordeel dat de heffingsambtenaar voldoende inzicht heeft verschaft en dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de opbrengstlimiet is overschreden. De in 3.1 onder a. genoemde beroepsgrond moet ook voor het overige (zie ook overweging 4.2) worden verworpen. Ad b: de KRW 4.20 Belanghebbende handhaaft, ook na het arrest van de Hoge Raad van 8 december 2017, nr. 17/00071, ECLI:NL:HR:2017:3082, zijn standpunt dat de rioolheffing van eigenaren/verhuurders in strijd is met de KRW. Het aanmerken van de eigenaar/verhuurder als vervuiler in de zin van die richtlijn en niet het feitelijke huishouden van de huurder-vervuiler, miskent naar de mening van belanghebbende zowel de tekst als de expliciete doelstelling van artikel 9 van de KRW. Belanghebbende beroept zich op analoge toepassing van het arrest HvJ EU, nr. C-293/97, Standley e.a. en Metson e.a., Jurispr. 1999, I-2603. 4.21 De KRW verbiedt niet de invoering of instandhouding van een rioolheffing zoals bedoeld in artikel 228a van de Gemeentewet, waarop de Verordening is gebaseerd. Het door belanghebbende ingenomen standpunt kan hooguit leiden tot de conclusie dat de verplichtingen die voor Nederland voortvloeien uit die richtlijn niet correct zijn geïmplementeerd. Deze conclusie zou, zo deze al juist zou zijn, niet tot gevolg hebben dat artikel 228a van de Gemeentewet en de daarop gebaseerde Verordening verbindende kracht ontberen. Een andersluidend oordeel zou ook niet een (betere) implementatie van de KRW bewerkstelligen. Naar het oordeel van het Hof is een rechtstreeks beroep op artikel 9 van de KRW niet mogelijk aangezien de bewoordingen waarmee dit artikel verplichtingen oplegt aan de lidstaten een zodanige beoordelings- en beleidsvrijheid ten aanzien van de uitvoering daarvan kennen, dat geen sprake is van een voldoende nauwkeurig bepaalde verplichting. 4.22 In zijn in 4.20 genoemde arrest heeft de Hoge Raad – onder meer – geoordeeld: “(…) 2.2.1. Het Hof is veronderstellenderwijs ervan uitgegaan dat artikel 9 van de KRW en het daarin neergelegde beginsel dat ‘de vervuiler betaalt’ rechtstreekse werking heeft. Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat dit beginsel niet ertoe dwingt kosten van inzameling en verwerking van hemelwater vanuit een perceel en kosten voor beheer en onderhoud van het rioolstelsel in rekening te brengen aan de gebruikers van dat perceel. Gelet op de beoordelingsmarge die een lidstaat heeft bij de implementatie van de KRW, is het dan ook toegestaan om de kosten ter zake van de inzameling en het transport van afvalwater van de gebruiker van een perceel te verhalen op de eigenaar van het perceel, aldus het Hof. (…) 2.3.1. Het eerste middelonderdeel betoogt dat van belanghebbende als eigenaar van de panden geen rioolheffing geheven kan worden, omdat dit in strijd is met het in de KRW neergelegde beginsel dat de vervuiler betaalt. 2.3.2. Belanghebbende is eigenaar van de panden die zij exploiteert door ze aan derden te verhuren. Zij geeft daarmee aan deze derden het recht gebruik van de panden te maken, waardoor op het riool is geloosd. Het stond de gemeentelijke wetgever vrij om belanghebbende, als eigenaar, aan te merken als vervuiler in de zin van de KRW en als zodanig in de heffing te betrekken, evenzeer als wanneer zij zelf rechtstreeks de lozingen op het riool zou hebben verricht. Het middelonderdeel faalt daarom.” 4.23 Uit de in 4.22 geciteerde overwegingen van het arrest van de Hoge Raad vloeit voort dat, ook als artikel 9 van de KRW rechtstreekse werking zou hebben, het beroep van belanghebbende op de KRW niet kan slagen. Het Hof voegt daaraan nog toe dat, anders dan belanghebbende meent, het arrest van de Hoge Raad niet een miskenning inhoudt van het door hem, belanghebbende, genoemde arrest van het HvJ EU. Voor de toepassing van het beginsel ‘de vervuiler betaalt’ is het begrip ‘huishouden’ niet van doorslaggevende betekenis en voorts ziet belanghebbende over het hoofd dat de uitvoering door de gemeente van de watertaken als bedoeld in artikel 228a van de Gemeentewet meer inhoudt dan de zorg voor het behandelen van huishoudelijk afvalwater. Tot die taken, waarvoor ter bestrijding van de kosten een rioolheffing kan worden geheven, behoren immers ook de behandeling van hemelwater en het treffen van maatregelen ter beheersing van de grondwaterstand, taken waarvan de uitvoering zeer wel ten dienste van de eigenaar/verhuurder van onroerende zaken kan staan. Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond. 5Proceskosten Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. 6Beslissing Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.M. Kooijmans, voorzitter, mr. A.I. van Amsterdam en mr. J.A. Monsma, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier. De beslissing is op 28 augustus 2018 in het openbaar uitgesproken. De griffier, De voorzitter, (E.D. Postema) (J.P.M. Kooijmans) Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 28 augustus 2018. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
ECLI:NL:HR:2019:869
Hoge Raad der Nederlanden Derde Kamer Nr.
ECLI:NL:HR:2014:1192
23 mei 2014 Nr. 13/02955 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 mei 2013, nr. 10/00593, betreffende een aanslag in de afvalstoffenheffing. Aan belanghebbende is voor het jaar 2008 een aanslag in de afvalstoffenheffing opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de heffingsambtenaar is gehandhaafd. De Rechtbank te Arnhem (nr. AWB 08/4598) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de heffingsambtenaar en de aanslag vernietigd. De heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, het beroep ongegrond verklaard en het onderzoek heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over een immateriële schadevergoeding. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2009:BI1968
Het geding in feitelijke instantie Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag in het rioolafvoerrecht van de gemeente Roosendaal opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de heffingsambtenaar van de gemeente Roosendaal is gehandhaafd. Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard en de uitspraak alsmede de aanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2015:67
16 januari 2015 nr. 13/04173 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen (hierna: het College) tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 23 juli 2013, nr. 12/00044, betreffende aan [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) opgelegde aanslagen in het rioolrecht van de gemeente Nijmegen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht Zaaknummer: ROE 18 / 1032 Uitspraak van de meervoudige kamer van 4 juni 2020 in de zaak tussen Stichting Wonen Limburg, gevestigd te Roermond, eiseres, en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, verweerder. Procesverloop Bij besluit met dagtekening 28 februari 2014 (hierna: de aanslag) – voor zover thans van belang – heeft verweerder aan eiseres een aanslag rioolheffing eigenaren voor het belastingjaar 2014 ten bedrage van € 22.649,25 opgelegd. Bij besluit van 4 april 2018 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen de aanslag gegrond verklaard en de aanslag verlaagd tot € 22.205,15.

Eiseres heeft bij brief van 4 mei 2018 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben ingezonden en heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft [naam] als deskundige benoemd. Het onderzoek ter zitting heeft, gezamenlijk met de zaak ROE 18/1034, plaatsgevonden op 23 januari 2019. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.F. van der Muur en mr. R. Froentjes, rechtsbijstandverleners te Groningen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [medewerker belastingdienst], werkzaam bij verweerder, mr.

R.M.M. Duits, rechtsbijstandverlener te Sliedrecht, en [medewerker gemeente 1] en [medewerker gemeente 2], beiden werkzaam bij de gemeente Stein. Ook de deskundige is ter zitting verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om van de deskundige een nadere toelichting te verkrijgen. Bij brief van 3 maart 2019 heeft de deskundige verslag uitgebracht. Bij brief van 13 maart 2019 heeft eiseres haar reactie op het verslag van de deskundige gegeven. Verweerder heeft bij brief van 18 maart 2019 meegedeeld geen op- of aanmerkingen op het verslag van de deskundige te hebben.

Het onderzoek ter zitting is hervat en gesloten op 19 maart 2019. Overwegingen 1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres was als woningbouwvereniging in 2014 eigenaar van de in de aanslag geduide 101 percelen in de gemeente Stein. Deze percelen beschikken over een directe of indirecte aansluiting op het gemeentelijk riool. Op grond van de Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing Stein 2014 (hierna: de Verordening) is eiseres als eigenaar voor ieder perceel afzonderlijk in de rioolheffing betrokken, tegen een tarief van € 224,25 per perceel.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen de aanslag gegrond verklaard omdat gebleken is dat 241 garageboxen ten onrechte niet in de rioolheffing zijn betrokken. De potentiële opbrengst van deze percelen bedraagt € 54.044,-, zodat de begrote baten op € 2.741.544,- dienen te worden gesteld. Door deze correctie is er ten opzichte van de begrote lasten (€ 2.687.298,-) sprake van een overschrijding van (afgerond) 2%. Verweerder heeft de aanslag daarom verlaagd met € 444,10.

3. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Over de door eiseres aangevoerde gronden, voor zover ter zitting gehandhaafd, overweegt de rechtbank als volgt. Gelijkheidsbeginsel 4. Eiseres betoogt dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel omdat verweerder ten aanzien van bepaalde percelen een begunstigend beleid voert door deze percelen niet in de rioolheffing te betrekken terwijl ten aanzien daarvan wel een belastingplicht bestaat. Verweerder heeft, ondanks een verzoek daartoe van eiseres, niet met een adresoverzicht inzichtelijk gemaakt welke percelen vanwege het ontbreken van een (indirecte) aansluiting op de gemeentelijke riolering niet in de heffing zijn betrokken.

Door dit na te laten kan eiseres niet aan de op haar rustende bewijslast voldoen, hetgeen voor rekening en risico van verweerder dient te komen. 4.1. Verweerder heeft als bijlage bij het bestreden besluit een overzicht gevoegd waarin – onderverdeeld naar type – het aantal objecten is genoemd dat wel en niet in de rioolheffing is betrokken. Volgens dit overzicht zijn 4417 objecten niet in de heffing betrokken. Verweerder heeft erkend dat de 241 in het overzicht opgenomen garageboxen ten onrechte niet in de heffing zijn betrokken omdat het mogelijk is dat van deze percelen het hemelwater (gedeeltelijk) in de gemeentelijke riolering terechtkomt.

Dat is anders bij onder meer de vermelde onbebouwde percelen (zoals cultuurgrond en groenstroken), in aanbouw zijnde percelen, trafo’s, hoogspanningsmasten. Die percelen hebben geen eigen aansluiting op de gemeentelijke riolering en het (hemel)water wordt bij die percelen over het algemeen in de grond geïnfiltreerd of afgevoerd op een waterweg die niet in verbinding staat met de gemeentelijke riolering. Het is ook vrijwel niet aan te tonen dat het op die percelen vallend hemelwater in de gemeentelijke riolering terechtkomt. Voor zover er al niet in de heffing meegenomen percelen zijn waarvan het daarop vallende hemelwater wel in de gemeentelijke riolering terechtkomt, betekent dit in de visie van verweerder nog niet dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel.

Het verschil in behandeling wordt veroorzaakt door een fout in de uitvoering (vanwege de onjuiste interpretatie van het begrip “indirecte aansluiting”) en is niet het gevolg van bewust begunstigend beleid of een oogmerk tot begunstiging, terwijl bovendien geen sprake is van schending van de meerderheidsregel. 4.2. De rechtbank overweegt als volgt. 4.3. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Verordening wordt rioolheffing geheven van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering.

Een perceel is op grond van artikel 1, onder a, van de Verordening een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan. 4.4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met het bij het bestreden besluit gevoegde overzicht voldoende inzichtelijk heeft gemaakt welk type objecten wel en niet in de rioolheffing zijn betrokken. Aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van het overzicht heeft de rechtbank niet. Het nader specificeren van de niet in de heffing betrokken percelen door het verstrekken van de adresgegevens acht de rechtbank voor haar beoordeling van het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel niet nodig.

De rechtbank acht op grond van de door verweerder aangevoerde argumenten voldoende aannemelijk dat de niet in de heffing betrokken percelen over het algemeen niet voldoen aan de in artikel 3, eerste lid, van de Verordening neergelegde voorwaarde dat sprake moet zijn van een (in)directe aansluiting op de gemeentelijke riolering. Verweerder heeft erkend dat in de gemeente sprake kan zijn van percelen die ten onrechte niet in de rioolheffing worden betrokken. Het gaat dan om 241 garageboxen waarvan aannemelijk is dat het daarop vallende hemelwater (deels) in de gemeentelijke riolering terechtkomt.

Dit leidt echter nog niet tot het oordeel dat een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel kan worden gedaan. Een beroep op het gelijkheidsbeginsel kan namelijk alleen slagen als sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen voortkomend uit een door verweerder gevoerd begunstigend beleid of uit een oogmerk van begunstiging, dan wel wanneer in een meerderheid van de vergelijkbare gevallen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven. De rechtbank is niet gebleken dat verweerder een – in afwijking van de Verordening – begunstigend beleid heeft gevoerd of een oogmerk van begunstiging had.

Ook is niet aannemelijk geworden dat verweerder in andere, met het geval van eiseres vergelijkbare, gevallen, heeft afgezien van rioolheffing. Kaderrichtlijn Water 5. Eiseres heeft voorts het standpunt ingenomen dat verweerder aan haar als eigenaar van de percelen ten onrechte de aanslag heeft opgelegd. Hiertoe heeft eiseres betoogd dat de Verordening, waaruit volgt dat de eigenaar van een perceel wordt betrokken in de rioolheffing, in strijd is met de Kaderrichtlijn Water (hierna: de KRW), meer specifiek met artikel 9, eerste lid, van de KRW. In dit artikellid is het beginsel van ‘de vervuiler betaalt’ neergelegd, waaruit volgens eiseres volgt dat niet zij als eigenaar maar de huurders van haar onroerende zaken dienen te worden betrokken in de rioolheffing.

Zij zijn immers de vervuilers en niet eiseres. Verweerder heeft artikel 9 van de KRW dan ook niet, niet tijdig dan wel onjuist geïmplementeerd in de Verordening waardoor deze onverbindend verklaard dient te worden. Omdat voornoemd artikel van de KRW onvoorwaardelijke en voldoende nauwkeurig bepaalde verplichtingen voor verweerder in het leven roept, heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat haar een rechtstreeks beroep op dit artikel van de KRW toekomt. Eiseres verbindt aan dit alles de consequentie dat de aanslag dient te worden vernietigd.

Voorts verzoekt eiseres tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. 5.1. Deze grieven van eiseres slagen niet. Voor de motivering van dit oordeel verwijst de rechtbank naar het arrest van de Hoge Raad van 8 december 2017 (ECLI:NL:HR:2017:3082), alsmede naar de uitspraak van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 augustus 2018 (ECLI:NL:GHARL:2018:7681), welke uitspraak de Hoge Raad bij arrest van 7 juni 2019 (ECLI:NL:HR:2019:869) met toepassing van artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft bevestigd.

Opbrengstlimiet 6. Eiseres betoogt daarnaast dat de met de opbrengst van de rioolheffing geraamde baten de geraamde lasten overstijgen zodat de Verordening (ook) om die reden onverbindend verklaard dient te worden. 6.1. In geschil is hiermee de vraag of de geraamde baten van de rioolheffing de lasten ter zake overtreffen, en zo ja, of ze zodanig worden overtroffen dat de Verordening geheel of gedeeltelijk onverbindend moet worden verklaard. 6.2. Op grond van artikel 228a van de Gemeentewet kan, onder de naam rioolheffing, door de gemeente een belasting worden geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn – kort gezegd – aan de verwerking van huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater en hemelwater, en aan maatregelen ter beheersing van de grondwaterstand. 6.3.

De aard van de rioolheffing is een bestemmingsheffing. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 228a van de Gemeentewet en de bewoordingen van dat artikel blijkt dat, naar de bedoeling van de wetgever, de geraamde baten van de rioolheffing de lasten ter zake niet mogen overtreffen. 6.4. De tariefstelling van een verordening kan partieel onverbindend zijn voor zover de ter zake geraamde baten uitgaan boven de ter zake geraamde lasten. Een dergelijke partiële onverbindendheid heeft tot gevolg dat een op die verordening gegronde aanslag evenredig wordt verlaagd.

Er kan sprake zijn van algehele onverbindendheid indien (a) het de gemeente op voorhand duidelijk moet zijn geweest dat de desbetreffende post(en) (in zoverre) niet diende(n) ter dekking van de kosten waarvoor de heffingen worden geheven, en bovendien (b) na de eliminatie van de desbetreffende bedragen uit de lastenraming, de geraamde baten in betekenende mate uitgaan boven het gecorrigeerde bedrag van de geraamde lasten (‘de opbrengstnorm’ of de ‘opbrengstlimiet’). 6.5. De jurisprudentie van de Hoge Raad omtrent de limietoverschrijding als bedoeld in artikel 229b van de Gemeentewet kan overeenkomstig worden toegepast (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 23 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1192). 6.6.

Zoals uiteen is gezet in het arrest van de Hoge Raad van 4 april 2014 (ECLI:NL: HR:2014:777), ter precisering van hetgeen is overwogen in het arrest van de Hoge Raad van 24 april 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BI1968), dient bij de beoordeling van een geschil inzake een mogelijke overschrijding van de opbrengstlimiet een aantal regels over de stelplicht en bewijslast in acht te worden genomen. Zo mag niet van de gemeente worden verlangd dat zij van alle in de verordening en de bijbehorende tarieventabel genoemde diensten afzonderlijk en op controleerbare wijze vastlegt hoe zij de kosten ter zake daarvan heeft geraamd.

Voorts kan, indien de heffingsambtenaar inzicht in de desbetreffende ramingen heeft verschaft, het verstrekken van nadere inlichtingen uitsluitend van hem worden verlangd voor zover de belanghebbende voldoende gemotiveerd heeft gesteld waarom naar zijn oordeel ten aanzien van een of meer bepaalde posten in de raming redelijke twijfel bestaat of sprake is van een ‘last ter zake’. Aan de nadere inlichtingen die de heffingsambtenaar in dat geval dient te verstrekken, mag geen zwaardere eis worden gesteld dan dat deze naar vermogen – dat wil zeggen in de mate waarin hij daartoe in de gegeven omstandigheden in redelijkheid in staat is – duidelijk maakt op grond waarvan hij de voornoemde stelling(en) van de belanghebbende betwist, en waarom dus naar zijn oordeel de door de belanghebbende opgeworpen twijfel ongegrond is.

De heffingsambtenaar hoeft niet te bewijzen dat die twijfel ongegrond is. De bewijslast ten aanzien van de feitelijke onderbouwing van het beroep op limietoverschrijding rust op de belanghebbende. In het kader van de toetsing aan de opbrengstlimiet is pas dan plaats voor een correctie van de omvang van de volgens de gemeentelijke begroting geraamde bedragen aan opbrengsten en lasten, indien de gemeente deze opbrengsten en lasten niet in redelijkheid op die bedragen heeft kunnen ramen. 6.7. Op grond van artikel 186, eerste lid, van de Gemeentewet worden de begroting, de begrotingswijzigingen, de meerjarenraming, de jaarrekening en het jaarverslag van een gemeente ingericht overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te geven regels.

Deze regels zijn neergelegd in het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten van 17 januari 2003, Stb. 2003, 27 (hierna: het BBV). 6.8. Voor de raming van kosten en baten ter zake van de rioolheffing geldt volgens het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2015 (ECLI:NL:HR:2015:67) als uitgangspunt dat deze niet in strijd mag komen met de voor de gemeente geldende comptabiliteitsvoorschriften, zoals die zijn neergelegd in het BBV. 6.9. Op grond van artikel 75 van het BBV is er een commissie, de Commissie BBV. Die commissie draagt zorg voor een eenduidige uitvoering en toepassing van dit besluit en voor een visie ten aanzien van rechtmatigheid in de controleverklaring van gemeenten, gemeenschappelijke regelingen, waterschappen en provincies.

De Commissie BBV heeft bij de uitvoering van de haar in artikel 75 van het BBV opgedragen taak om ten minste zorg te dragen voor een document dat de eenduidige interpretatie van het BBV bevordert en voor de beantwoording van vragen, standpunten ingenomen omtrent de zogenoemde comptabiliteits-voorschriften. 6.10. Uit de begroting van de gemeente Stein blijk dat de geraamde baten van de rioolheffing over 2014 € 2.687.500,- bedragen. De geraamde lasten bedragen € 2.687.298. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de geraamde baten vanwege het ten onrechte niet betrekken van de 241 garageboxen in de rioolheffing bijgesteld tot € 2.741.544,- en de aanslag overeenkomstig verminderd. 6.11.

Uit de begroting blijkt voorts dat kapitaallasten onderdeel zijn van de lasten ter zake de rioolheffing. De kapitaallasten zijn gespecificeerd in een activastaat. Verweerder heeft toegelicht dat tijdens de hoorzitting in bezwaar is gebleken dat de eerder aan eiseres toegezonden activastaat niet juist is omdat deze niet ten grondslag heeft gelegen aan de begroting over 2014. Verweerder heeft dit hersteld door op 22 januari 2016 alsnog de juiste activastaat aan eiseres toe te zenden. De rechtbank neemt laatstgenoemde activastaat tot uitgangspunt. 6.12.

Uit die activastaat volgt dat de lasten voor € 1.219.540,- uit kapitaallasten bestaan, waarvan € 448.396,- afschrijvingen en € 771.144,- rente zijn. De kapitaallasten bedragen inclusief BTW € 1.418.709,-. Laatstgenoemd bedrag komt overeen met het totaalbedrag aan kapitaallasten inclusief BTW in de begroting. Dat is anders voor de van die lasten in de begroting onderdeel uitmakende afschrijvingen en rente (van respectievelijk € 435.666,- en € 707.011,-). Verweerder heeft daarover toegelicht dat die laatste bedragen niet correct zijn omdat ze waren gebaseerd op een eerdere, foutieve raming. 6.13.

De rechtbank sluit voor de hoogte van de ‘rente’ en de ‘afschrijvingen’ aan bij de activastaat en stelt vast dat het in de activastaat gehanteerde rentepercentage van 4,07 hoger ligt dan het in de begroting gebruikte percentage van 3,77. Verweerder heeft hierover in zijn verweerschrift opgemerkt dat bij de bepaling van de hoogte van het rentepercentage voor de rioolheffing in 2014 is uitgegaan van 4,07% in plaats van het in de begroting vermelde percentage omdat ten aanzien van de riolering sprake was van relatief veel ‘oude’ investeringen, die destijds zijn gefinancierd tegen beduidend hogere rentepercentages. 6.14.

Eiseres heeft ter zitting betoogd dat de stelling dat sprake is van oude investeringen met hogere rentepercentages door verweerder in het geheel niet is onderbouwd. Dat geldt evenzeer voor de keuze om het rentepercentage voor 2014 dan maar op 4,07 te bepalen. Eiseres heeft erop gewezen dat zij het in beroepschrift reeds heeft aangetoond dat een rentepercentage van 4,07 cijfermatig niet kan leiden tot de in de begroting opgenomen rentelast van € 707.011,-. Het is vast beleid van verweerder om voor alle vaste activa het jaarlijks in de begroting opgenomen omslagpercentage te gebruiken, dus ook voor de rioleringsactiva.

In dit verband heeft eiseres nog verwezen naar de Financiële Verordening gemeente Stein (hierna: de Financiële Verordening) waarin dit beleid ook is opgenomen. 6.15. In reactie hierop heeft verweerder aangegeven dat de Financiële Verordening ziet op de gehele financiële verslaglegging van de gemeente, maar dat daarvan voor de rioolheffing is afgeweken. Volgens verweerder heeft de gemeenteraad door goedkeuring van de begroting impliciet daarmee ingestemd. Het omslagpercentage is van belang voor de financiële verslaglegging, maar hiervan mag worden afgeweken bij de berekening van de kostendekking. 6.16.

De deskundige heeft ter zitting verklaard dat in de begroting aangegeven moet worden op welke grondslag het rentepercentage is gebaseerd. Als hiervan wordt afgeweken, moet dat vermeld worden, zodat de gemeenteraad weet dat er afgeweken is. Afwijking van het omslagpercentage is alleen bij projectfinanciering toegestaan. 6.17. Uit hetgeen onder 6.5 is overwogen volgt dat (ook) de vaststelling van tarieven als bedoeld in artikel 228a van de Gemeentewet berust op een raming, welke raming moet berusten op gegevens omtrent geraamde baten en lasten in de gemeentebegroting voor het desbetreffende jaar dan wel gegevens die op geraamde baten en lasten in die begroting zijn terug te voeren (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 6 april 2010, ECLI:NL:

HR:2010:BM1236). Zoals is overwogen in de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 februari 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:1286) kunnen kosten of lasten die niet hebben behoord tot de geraamde lasten in de gemeentebegroting niet alsnog worden aangedragen ter onderbouwing van de stelling dat de opbrengstlimiet niet is overschreden. Bij het opstellen van de begroting heeft de gemeenteraad in die situatie immers, al dan niet impliciet, beslist dat deze kosten op andere wijze worden gefinancierd dan uit de opbrengst van de rioolheffing 6.18.

De rechtbank is met eiseres van oordeel dat verweerder onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom de omslagrente voor 2014 op 4,07% is gesteld, waar dat wel van hem mocht worden verwacht. In artikel 7, derde lid, van de Financiële Verordening is immers bepaald dat het percentage van de omslagrente wordt bepaald door de totale rentelasten te delen door het totaalbedrag van alle vaste activa, zodat verweerder geacht moet worden kennis te hebben van alle variabelen die uiteindelijk tot het percentage van de omslagrente leiden. Daarbij komt voorts dat verweerder niet heeft bestreden dat richting de raad niet expliciet is vermeld dat een ander rentepercentage is gehanteerd. 6.19.

Gelet hierop heeft verweerder de gemotiveerde twijfel van eiseres omtrent de toegerekende kapitaallasten niet naar vermogen weggenomen, waar dit gezien de op hem rustende bewijslast wel diende te geschieden. Nu verweerder onvoldoende inzicht heeft gegeven in de lasten en baten van de rioolheffing over het jaar 2014, is de Verordening jegens eiseres als onverbindend te beschouwen (zie uitspraak van de Hoge Raad van 13 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1928) zodat de door verweerder aan eiseres opgelegde aanslag niet op een daarvoor toereikende wettelijke grondslag berust.

Reeds hierom kan die aanslag niet in stand blijven en is het beroep gegrond. Aan een beoordeling van hetgeen eiseres overigens in het kader van de overschrijding van de opbrengstlimiet naar voren heeft gebracht, komt de rechtbank daarom niet meer toe. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en zelf in de zaak voorzien door de aanslag te herroepen voor zover deze betrekking heeft op de rioolheffing voor de in de gemeente Stein gelegen percelen.

7. Omdat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond wordt verklaard, volgt uit artikel 8:74, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder het griffierecht zal dienen te vergoeden.

8. De rechtbank ziet voorts aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.312,50 (één punt voor het indienen van het beroepschrift, één punt voor het bijwonen van de zitting en 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze van 13 maart 2019, met een waarde per punt van € 525,- en wegingsfactor 1). Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - herroept de aanslag, voor zover in deze procedure bestreden; - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338,00 aan eiseres te vergoeden; - veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.312,50 (wegens kosten van rechtsbijstand), te vergoeden aan eiseres. Aldus vastgesteld door mr. R.M.M. Kleijkers, voorzitter, en mr. N.J.J. Derks-Voncken en mr.

L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier-Dassen, leden, in aanwezigheid van mr. R.A. Debets, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 4 juni 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Voor zover nodig wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken wanneer dat weer mogelijk is. de griffier is verhinderd te ondertekenen voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: 4 juni 2020 Rechtsmiddel Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak hoger beroep open bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.