Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBLIM:2018:5990 ECLI:NL:RBLIM:2018:5990 AI generated

ECLI:NL:RBLIM:2018:5990 · Rechtbank Limburg

Case Number ECLI:NL:RBLIM:2018:5990
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK limburg Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: AWB/ROE 18/1071 uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 juni 2018 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen Gemeente Peel en Maas, te Panningen, verzoeker (gemachtigde: mr. J.J. Jacobse), en het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regeling Reinigingsdienst Maasland, verweerder (gemachtigde: mr. A.J.G. Vegt). Procesverloop Bij besluit van 13 april 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de hoogte van de zogenaamde uittreedsom van verzoeker gewijzigd vastgesteld op een bedrag van € 1.482.500,-, bepaald dat dit bedrag binnen zes weken na de bekendmaking van het besluit door verzoeker moet zijn betaald en meegedeeld dat na ommekomst van deze termijn wettelijke rente verschuldigd zal zijn.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:86 van de Awb; ECLI:NL:RBLIM:2018:5990 · Rechtbank Limburg: Gelet op voorgaande overwegingen ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om gebruik zal maken van zijn bevoegdheid tot “kortsluiten” als bedoeld in artikel 8:86 van de Awb.

Keywords

AI generated
financial hardship local authority finances maintenance arrears objection to debt enforcement pecuniary dispute lack of financial resources

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:86 van de Awb
Gelet op voorgaande overwegingen ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om gebruik zal maken van zijn bevoegdheid tot “kortsluiten” als bedoeld in artikel 8:86 van de Awb.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2017:1463
201703780/2/A1. Datum uitspraak: 2 juni 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van: [verzoeker], wonend te Noordwijk, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 maart 2017 in zaak nr. 16/8615 in het geding tussen: [verzoeker] en het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk. Procesverloop Bij besluit van 6 mei 2015, verzonden 12 mei 2015, heeft het college [verzoeker] gelast binnen zes maanden na de verzenddatum van deze brief: - het dak van de paardenstal op het perceel [locatie] te Noordwijk (hierna: het perceel) uit te voeren zoals aangegeven in de omgevingsvergunning van 19 september 2012 waarbij een maximale nokhoogte van 5,5 m geldt, onder oplegging van een dwangsom van € 500,00 per week tot een maximum van € 2.500,00; - de dakkappellen op de paardenstal die niet zijn opgenomen in de omgevingsvergunning van 19 september 2012 te verwijderen en verwijderd te houden, onder oplegging van een dwangsom van € 100,00 per week tot een maximum van € 500,00; - de zonder omgevingsvergunning gerealiseerde stal, opslagschuur, schuur nabij de paardenbak, paardenbak, longeercirkel en schuurtje nabij de moestuin op het perceel te verwijderen en verwijderd te houden, onder oplegging van een dwangsom per bouwwerk van € 100,00 per week tot een maximum van € 500,00.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK limburg Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: AWB/ROE 18/1071 uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 juni 2018 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen Gemeente Peel en Maas, te Panningen, verzoeker (gemachtigde: mr. J.J. Jacobse), en het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regeling Reinigingsdienst Maasland, verweerder (gemachtigde: mr. A.J.G. Vegt). Procesverloop Bij besluit van 13 april 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de hoogte van de zogenaamde uittreedsom van verzoeker gewijzigd vastgesteld op een bedrag van € 1.482.500,-, bepaald dat dit bedrag binnen zes weken na de bekendmaking van het besluit door verzoeker moet zijn betaald en meegedeeld dat na ommekomst van deze termijn wettelijke rente verschuldigd zal zijn.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt alsmede hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank (AWB 18/1166). Verzoeker heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2018. Namens verzoeker zijn verschenen [naam 1], [naam 2], [naam 3] en [naam 4], bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam 5]. Overwegingen 1. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.

Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (bijvoorbeeld: ECLI:NL:RVS:2017:1463) niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.

In dit verband is ook van belang dat verzoeker inmiddels (onder protest) onderhavige uittreedsom heeft voldaan. Verzoeker heeft niet gesteld hierdoor in financiële problemen te geraken. Bovendien ziet de voorzieningenrechter niet in welke voorziening op dit moment nog kan worden getroffen.

2. Over verzoekers stelling dat sprake is van een evident onrechtmatig besluit, omdat verweerder een (verkapte) beslissing op bezwaar zou hebben genomen, waartoe hij niet bevoegd was en dat op grond hiervan de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening zou moeten treffen, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

3. Partijen hebben hun standpunten dat het bestreden besluit moet worden gekwalificeerd als een (verkapte) beslissing op bezwaar, respectievelijk een (gewijzigd) primair besluit onderbouwd met verwijzingen naar wetsgeschiedenis en naar relevante jurisprudentie. Zowel de wetsgeschiedenis, als de jurisprudentie laat ruimte voor discussie op dit punt, zodat reeds hierom geen sprake is van een evident onrechtmatig besluit.

4. De voorzieningenrechter is op grond van het vorenstaande van oordeel dat er onvoldoende spoedeisend belang is. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

5. Gelet op voorgaande overwegingen ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om gebruik zal maken van zijn bevoegdheid tot “kortsluiten” als bedoeld in artikel 8:86 van de Awb.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.P. Jacobs, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.W. Seylhouwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2018. griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.