Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBLIM:2018:3298 ECLI:NL:RBLIM:2018:3298 AI generated

ECLI:NL:RBLIM:2018:3298 · Rechtbank Limburg

Case Number ECLI:NL:RBLIM:2018:3298
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Strafrecht Parketnummer: 03/864004-14 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 29 maart 2018 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboortegegevens verdachte] , wonende te [adresgegevens verdachte] . De verdachte wordt bijgestaan door mr. R.M.J. van den Boom, advocaat kantoorhoudende te Eindhoven.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBLIM:2018:3298 · Rechtbank Limburg: Onder verwijzing naar jurisprudentie van de rechtbank Limburg (d.d. 17 juli 2015 ECLI:NL:RBLIM:2015:5990) heeft de raadsman aangevoerd dat er ook ten aanzien van de personenauto onvoldoende bewijs is voor (schuld)witwassen. 3.3 Het oordeel van de rechtbank Deze zaak maakt deel uit van het grootschalig onderzoek ‘Wolf/Beretta’, waarin het Openbaar Ministerie een aantal verdachten verwijt dat zij op enigerlei wijze in georganiseerd verband betrokken zijn geweest bij de import in Nederland van verdovende middelen en/of de handel daarin. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft de rechtbank bij vonnis van heden medeverdachte [medeverdachte 1] , zijnde de vader van de verdachte, veroordeeld ter zake van (onder andere) het op grote schaal overtreden van de Opiumwet.

Keywords

AI generated
concealment of assets illicit financial flows economic wealth private assets money laundering intent of unlawful enrichment

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBALK:2011:BQ2782
RECHTBANK ALKMAAR Sector straf Parketnummer: 14.701108-10 (P) Datum uitspraak: 27 april 2011 TEGENSPRAAK VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het OPENBAAR MINISTERIE tegen: [Verdachte], geboren te [geboorteplaats en –datum], ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het [adres en woonplaats] 1. Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 1 december 2010, 18 maart 2011 en 14 april 2011. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsvrouw van de verdachte, mr. A.N. Slijters, advocaat te Amsterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.
ECLI:NL:GHAMS:2016:2749
Parketnummer: 23-005316-12 Datum uitspraak: 7 juli 2016 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen – na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 13 november 2012 – op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 27 april 2009 in de strafzaak onder parketnummer 15-740740-07 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982, adres: [adres 1]. Procesgang De rechtbank Haarlem heeft de verdachte partieel vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde in de periode van 3 juli 2007 tot en met 4 juli 2008 en voor het overige voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren en een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis. De verdachte en het openbaar ministerie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep bij arrest van 24 februari 2011 het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan en de verdachte vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde en voor het onder 1 ten laste gelegde veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren. De verdachte heeft tegen het arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 13 november 2012 overwogen dat het hof in zijn arrest van 24 februari 2011 heeft verzuimd ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 1 met voldoende nauwkeurigheid de bewijsmiddelen aan te voeren waaraan het heeft ontleend dat de legale inkomsten van de mededader van de verdachte niet in verhouding stonden tot de door het hof genoemde “regelmatige soms bijzonder forse uitgaven aan bijvoorbeeld luxe vermogensbestanddelen en de verdachte zelf niet over “(voldoende) legale inkomsten” beschikte. Bij genoemd arrest van de Hoge Raad is het arrest van het gerechtshof Amsterdam – voor zover aan zijn oordeel onderworpen – vernietigd, en de zaak is voor dat gedeelte naar het gerechtshof Amsterdam teruggewezen teneinde, met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad, deze in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en, na terugwijzing naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 maart 2014, 9 juli 2015 en 23 juni 2016. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is – voor zover thans in hoger beroep nog aan de orde – ten laste gelegd dat: 1:[zaaksdossier A10:woninginrichting [adres 2]] zij in of omstreeks de periode van 01januari 2007 tot en met 03 juli 2007, te Zandvoort, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) - van onderstaande (een) voorwerp(en), de werkelijke aard en/of herkomst verborgen en/of verhuld, dan wel verhuld en/of verborgen wie de rechthebbende op dat/die voorwerp(en) is en/of dat/die voorwerp(en) voorhanden had en/of - onderstaand(e) voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet of van genoemd(e) voorwerp(en) gebruik gemaakt, te weten - een bankstel en/of zonwering en/of gordijnen en/of een sprei en/of beeld- en geluidapparatuur (van het merk Bang & Olufsen) ter waarde van ongeveer (in totaal) 38.810,- EURO; terwijl verdachte en/of verdachtes mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank. Vordering van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd. Op grond van het dossier staat vast dat er kosten zijn gemaakt voor de goederen die in de tenlastelegging zijn vermeld. De verdachte is op de hoogte geweest van die kosten en zij heeft ook over die bestedingen kunnen beschikken. Zij beschikte zelf niet over geld om dergelijke grote uitgaven te doen en zij heeft ongeloofwaardig verklaard om een andere indruk te wekken. Haar inmiddels veroordeelde toenmalige partner [medeverdachte] heeft de goederen als vermeld in de tenlastelegging gefinancierd. Hij hield zich op grote schaal bezig met criminele feiten en heeft zich daarmee in ruime mate van illegale inkomsten voorzien. Zijn bezittingen en uitgavenpatroon waren gezien zijn bedrijf in de autohandel dermate abnormaal, dat de verdachte wel van het illegale karakter daarvan op de hoogte moet zijn geweest. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand. Standpunt verdediging De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd. De redenering dat het niet anders kan dan dat de verdachte geweten moet hebben dat de in de tenlastelegging genoemde goederen gefinancierd waren met geld dat van misdrijf afkomstig was, is te kort door de bocht. De verdachte was niet op de hoogte van de criminele herkomst van het vermogen van [medeverdachte] en hoefde dat ook niet te zijn. Zij dacht dat zijn bezittingen uit zijn auto- en horlogehandel werden bekostigd. Zijn levensstijl was er een die de verdachte van huis uit gewend was. Daar komt bij dat de inrichting van de woning aan de [adres 2] vooral een aangelegenheid is geweest van [medeverdachte]. Alleen bij de bank en de gordijnen volgde bemoeienis van de verdachte. De verdachte had het geld waarmee zij deze goederen heeft bekostigd gekregen van haar ouders. De conclusie die het hof heeft getrokken in het arrest van 24 februari 2011, te weten dat de verdachte geen eigen inkomsten had, gaat niet op. Zij ontving veel geld en goederen van haar ouders, aldus de raadsman. Vrijspraak Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan het hof niet vaststellen dat het geld waarmee (een deel van) de ten laste gelegde goederen is bekostigd onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig was en dat de verdachte hiervan op de hoogte was. Niet kan worden uitgesloten dat de verdachte (een gedeelte van) dit geld, zoals zij zelf heeft verklaard, van haar ouders heeft gekregen. Voorts staat niet vast dat, zo al een (ander) deel van de betreffende goederen zou zijn gefinancierd met de opbrengst van door [medeverdachte] gepleegde misdrijven, de verdachte hiervan wetenschap had. [medeverdachte] had ook legale inkomsten in de jaren 2002-2005, terwijl gegevens over latere jaren ontbreken, en de verdachte is bij arrest van 24 februari 2011 vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde deelnemen aan een criminele organisatie, zodat haar betrokkenheid hierbij niet is gebleken. Hetgeen de advocaat-generaal heeft aangevoerd doet aan het vorengaande niet af. Gelet hierop is het hof met de raadsman van oordeel dat feit 1 niet wettig en overtuigend bewezen kan worden zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – en doet in zoverre opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. W.M.C. Tilleman en mr. J.W. Moors, in tegenwoordigheid van mr. D.G. Oomkes, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 juli 2016. De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. ========================================================================= [....]
ECLI:NL:RBLIM:2015:5990
RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Parketnummer: 03/703330-09 Tegenspraak (gemachtigde raadsman) Vonnis van de meervoudige kamer d.d.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Strafrecht Parketnummer: 03/864004-14 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 29 maart 2018 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboortegegevens verdachte] , wonende te [adresgegevens verdachte] . De verdachte wordt bijgestaan door mr. R.M.J. van den Boom, advocaat kantoorhoudende te Eindhoven.

1Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 28 november 2017. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officieren van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. De rechtbank heeft het onderzoek ter terechtzitting vervolgens gesloten op 15 maart 2018.

2De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het gewoontewitwassen van geldbedragen en/of een personenauto. 3De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officieren van justitie zijn van mening dat het tenlastegelegde feit is bewezen. Zij hebben daartoe aangevoerd dat de vader van de verdachte, medeverdachte [medeverdachte 1] , grote hoeveelheden contant geld heeft gestort op zijn eigen bankrekeningen en die van zijn (stief)kinderen en tevens over een grote hoeveelheid geld in zijn woning beschikte, terwijl uit onderzoek is gebleken dat hij geen inkomsten uit dienstbetrekking en/of andere inkomsten had.

De officieren van justitie achten de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] over de herkomst van zijn gelden onaannemelijk en zijn van mening dat deze een criminele herkomst hebben. De officieren van justitie wijzen erop dat de verdachte had moeten vermoeden dat het geld van zijn vader een criminele herkomst had, nu zijn vader omging met mensen uit het drugsmilieu. Daarnaast wist de verdachte dat er zich verdovende middelen in de woning van zijn vader bevonden én wist hij dat zijn vader een geëncrypte PGP-telefoon gebruikte. De officieren van justitie vinden het verwijtbaar dat de verdachte niet naar de herkomst van de gelden van zijn vader heeft geïnformeerd. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat de verdachte van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.

Primair heeft de raadsman aangevoerd dat er geen bewijs is dat de gelden van medeverdachte [medeverdachte 1] onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig waren, nu niet valt uit te sluiten dat diens geld uit de handel in vastgoed en/of computeronderdelen afkomstig was. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat, indien de rechtbank vaststelt dat de gelden van medeverdachte [medeverdachte 1] uit enig misdrijf afkomstig zijn, er onvoldoende bewijs is dat de verdachte hiervan wetenschap had. Onder verwijzing naar jurisprudentie van de rechtbank Alkmaar (d.d. 27 april 2011, ECLI:NL:RBALK:2011:BQ2782) en het Gerechtshof te Amsterdam (d.d. 7 juli 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2749) heeft de raadsman gesteld dat een kind niet hoeft na te gaan waar het geld van zijn ouders precies vandaan komt.

Onder verwijzing naar jurisprudentie van de rechtbank Limburg (d.d. 17 juli 2015 ECLI:NL:RBLIM:2015:5990) heeft de raadsman aangevoerd dat er ook ten aanzien van de personenauto onvoldoende bewijs is voor (schuld)witwassen. 3.3 Het oordeel van de rechtbank Deze zaak maakt deel uit van het grootschalig onderzoek ‘Wolf/Beretta’, waarin het Openbaar Ministerie een aantal verdachten verwijt dat zij op enigerlei wijze in georganiseerd verband betrokken zijn geweest bij de import in Nederland van verdovende middelen en/of de handel daarin. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft de rechtbank bij vonnis van heden medeverdachte [medeverdachte 1] , zijnde de vader van de verdachte, veroordeeld ter zake van (onder andere) het op grote schaal overtreden van de Opiumwet.

De rechtbank stelt op grond van het zaaksdossier, alsook gelet op het verhandelde ter zitting, vast dat medeverdachte [medeverdachte 1] in de periode van 1 januari 2006 tot en met 30 juni 2013 aan de verdachte, te weten zijn zoon, een geldbedrag (in delen) van in totaal € 36.350,-, een geldbedrag (ineens) van € 500,- en een personenauto (Volkswagen Polo, kenteken [kenteken] ) heeft gegeven. De rechtbank komt niet toe aan de beoordeling van de vraag of de door medeverdachte [medeverdachte 1] aan de verdachte geschonken geldbedragen en auto (on)middellijk uit enig misdrijf afkomstig waren omdat de rechtbank hoe dan ook niet wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte dit wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niet anders wist dan dat zijn vader als ondernemer handelde in vastgoed, dat zijn ouders een villa in Zuid-Frankrijk hadden en dat het gezin het financieel goed had. Deze verklaring wordt gesteund door de inhoud van het dossier waaruit volgt dat de verdachte van kinds af aan in welstand is opgegroeid. Tijdens zijn adolescentie en jonge volwassenheid heeft de verdachte steeds financiële bijstand van zijn vader genoten. De gelden en de auto die medeverdachte [medeverdachte 1] aan zijn zoon schonk, passen naar het oordeel van de rechtbank binnen de gewoontes die reeds lange tijd, binnen gezinsverband, tussen hen bestonden.

Indien en voor zover deze goederen een criminele herkomst hadden, hoefde dit - gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden - niet kenbaar te zijn voor de verdachte. Het is niet ongebruikelijk dat ouders die het kunnen betalen hun kinderen tijdens de adolescentie en jonge volwassenheid financieel ondersteunen. Door dit enkele gegeven hoefden er dus geen alarmbellen te gaan rinkelen bij verdachte. Anders dan de officieren van justitie is de rechtbank van oordeel dat een kind, onder de gegeven omstandigheden, geen wetenschap of gerechtvaardigd vermoeden van witwassen hoeft te hebben bij dergelijke giften van een ouder.

De enkele wetenschap van de verdachte dat zijn vader van een geëncrypte Blackberry gebruik maakte, maakt evenmin dat hij redelijkerwijs moest vermoeden dat het geld uit misdrijf afkomstig kon zijn. De eerste bedragen heeft de verdachte van zijn vader ontvangen op 10 februari 2006, toen hij net 18 jaar was. Uit het ‘Wolf/Beretta’-onderzoek volgt dat de criminele groepering, waartoe de vader van de verdachte behoorde, pas medio 2012 gebruik ging maken van geëncrypte Blackberry’s. De verdachte was toen 24 jaar. De rechtbank kan niet vaststellen vanaf welk moment de verdachte wetenschap heeft gekregen van het gebruik van een geëncrypte Blackberry door zijn vader.

Na 6 juli 2012 zijn er echter geen contante stortingen meer door zijn vader op zijn bankrekening gedaan of gelden naar zijn bankrekening overgemaakt (zoals weergegeven op pagina 336 van zaaksdossier 16) en is hem alleen nog een geldbedrag van € 500,- betaald door zijn vader toen hij in het buitenland zat. Dit is niet een dermate groot bedrag dat dit überhaupt tot wetenschap of het redelijk vermoeden van een criminele herkomst had hoeven leiden. De Volkswagen Polo is vermoedelijk in 2011 op naam van de verdachte geplaatst, blijkens een tapgesprek van zijn halfzus [medeverdachte 2] met hun vader (zoals weergegeven op pagina 319 van zaaksdossier 16), op een moment dat zijn vader nog geen gebruik maakte van de geëncrypte Blackberry.

Op 1 oktober 2013, zijnde de dag van de doorzoeking van de woning van de verdachte en het gezin van zijn vader, werden er verdovende middelen in deze woning aangetroffen. Hoewel de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij wist van de aangetroffen hasjiesj, kan niet worden vastgesteld dat deze wetenschap van de verdachte reeds bestond ten tijde van de giften van zijn vader aan hem zodat ook dit niet tot een andere conclusie leidt. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het aan hem ten laste gelegde.

4De beslissing

De rechtbank: Vrijspraak - spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde. Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.A.G. van Baal, voorzitter, mr. A.M. Koster-van der Linden en mr. L. Feuth, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.K. Bakker en mr. Y.L.J. Damoiseaux, griffiers, en uitgesproken ter openbare zitting van 29 maart 2018. BIJLAGE I: De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat 1. (zaaksdossier 16) hij, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 30 juni 2013, tezamen en in vereniging, althans alleen, te Eindhoven, althans in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn medeverdachte(n), van (een) voorwerp(en) en/of een of meer geldbedrag(en), te weten - in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 6 juli 2012 een geldbedrag van 36.350 Euro, in elk geval enig bedrag(en) aan geld en/of - in of omstreeks de periode van 7 juli 2012 tot en met 30 juni 2013 een geldbedrag van 500 Euro, in elk geval enig(e) geldbedrag(en) en/of - een personenauto (Volkswagen Polo, kenteken [kenteken] ) de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft/hebben hij en/of zijn medeverdachte(n) verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat/die voorwerp(en) en/of dat/die geldbedrag(en) was of wie bovenomschreven voorwerp(en) en/of dat/die geldbedrag(en) voorhanden had, terwijl hij en/of zijn medeverdachte(n) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) en/of dat/die geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit misdrijf en/of heeft hij, verdachte en/of zijn medeverdachte(n), bovenomschreven voorwerp(en) en/of dat/die geldbedrag(en) verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van bovenomschreven voorwerp(en) en/of dat/die geldbedrag(en) gebruik gemaakt, terwijl hij en/of zijn medeverdachte(n) wist(en) en/of rederlijkerwijs moest(en) vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) en/of dat/die geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf; art. 420ter Wetboek van Strafrecht art. 420 bis lid1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht