Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBLIM:2018:3288 ECLI:NL:RBLIM:2018:3288 AI generated

ECLI:NL:RBLIM:2018:3288 · Rechtbank Limburg

Case Number ECLI:NL:RBLIM:2018:3288
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Strafrecht Parketnummer: 03/864502-14 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 29 maart 2018 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboortegegevens verdachte] , wonende te [adresgegevens verdachte] . De verdachte wordt bijgestaan door mr. S.B.C. Nicolaes, advocaat kantoorhoudende te Eindhoven.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBLIM:2018:3288 · Rechtbank Limburg: De officieren van justitie achten de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] over de herkomst van zijn gelden onaannemelijk en zijn van mening dat deze gelden een criminele herkomst hebben. De officieren van justitie wijzen erop dat de verdachte had moeten vermoeden dat het geld van haar stiefvader een criminele herkomst had, nu uit OVC-gesprekken kan worden afgeleid dat de verdachte wist dat haar stiefvader zich met criminele zaken bezighield. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.

Keywords

AI generated
illicit financial flows motor vehicle expenses private assets concealment of assets contract for vehicle sale property offenses

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBOVE:2014:236
Rechtbank Overijssel Team strafrecht Zittingsplaats Almelo Parketnummer: 08/710382-12 Datum vonnis: 21 januari 2014 Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen: [verdachte], geboren op [geboortedag] 1968 in [geboorteplaats], wonende in [woonplaats], [adres 1].
ECLI:NL:GHAMS:2016:2749
Parketnummer: 23-005316-12 Datum uitspraak: 7 juli 2016 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen – na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 13 november 2012 – op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 27 april 2009 in de strafzaak onder parketnummer 15-740740-07 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982, adres: [adres 1]. Procesgang De rechtbank Haarlem heeft de verdachte partieel vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde in de periode van 3 juli 2007 tot en met 4 juli 2008 en voor het overige voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren en een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis. De verdachte en het openbaar ministerie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep bij arrest van 24 februari 2011 het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan en de verdachte vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde en voor het onder 1 ten laste gelegde veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren. De verdachte heeft tegen het arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 13 november 2012 overwogen dat het hof in zijn arrest van 24 februari 2011 heeft verzuimd ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 1 met voldoende nauwkeurigheid de bewijsmiddelen aan te voeren waaraan het heeft ontleend dat de legale inkomsten van de mededader van de verdachte niet in verhouding stonden tot de door het hof genoemde “regelmatige soms bijzonder forse uitgaven aan bijvoorbeeld luxe vermogensbestanddelen en de verdachte zelf niet over “(voldoende) legale inkomsten” beschikte. Bij genoemd arrest van de Hoge Raad is het arrest van het gerechtshof Amsterdam – voor zover aan zijn oordeel onderworpen – vernietigd, en de zaak is voor dat gedeelte naar het gerechtshof Amsterdam teruggewezen teneinde, met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad, deze in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en, na terugwijzing naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 maart 2014, 9 juli 2015 en 23 juni 2016. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is – voor zover thans in hoger beroep nog aan de orde – ten laste gelegd dat: 1:[zaaksdossier A10:woninginrichting [adres 2]] zij in of omstreeks de periode van 01januari 2007 tot en met 03 juli 2007, te Zandvoort, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) - van onderstaande (een) voorwerp(en), de werkelijke aard en/of herkomst verborgen en/of verhuld, dan wel verhuld en/of verborgen wie de rechthebbende op dat/die voorwerp(en) is en/of dat/die voorwerp(en) voorhanden had en/of - onderstaand(e) voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet of van genoemd(e) voorwerp(en) gebruik gemaakt, te weten - een bankstel en/of zonwering en/of gordijnen en/of een sprei en/of beeld- en geluidapparatuur (van het merk Bang & Olufsen) ter waarde van ongeveer (in totaal) 38.810,- EURO; terwijl verdachte en/of verdachtes mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank. Vordering van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd. Op grond van het dossier staat vast dat er kosten zijn gemaakt voor de goederen die in de tenlastelegging zijn vermeld. De verdachte is op de hoogte geweest van die kosten en zij heeft ook over die bestedingen kunnen beschikken. Zij beschikte zelf niet over geld om dergelijke grote uitgaven te doen en zij heeft ongeloofwaardig verklaard om een andere indruk te wekken. Haar inmiddels veroordeelde toenmalige partner [medeverdachte] heeft de goederen als vermeld in de tenlastelegging gefinancierd. Hij hield zich op grote schaal bezig met criminele feiten en heeft zich daarmee in ruime mate van illegale inkomsten voorzien. Zijn bezittingen en uitgavenpatroon waren gezien zijn bedrijf in de autohandel dermate abnormaal, dat de verdachte wel van het illegale karakter daarvan op de hoogte moet zijn geweest. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand. Standpunt verdediging De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd. De redenering dat het niet anders kan dan dat de verdachte geweten moet hebben dat de in de tenlastelegging genoemde goederen gefinancierd waren met geld dat van misdrijf afkomstig was, is te kort door de bocht. De verdachte was niet op de hoogte van de criminele herkomst van het vermogen van [medeverdachte] en hoefde dat ook niet te zijn. Zij dacht dat zijn bezittingen uit zijn auto- en horlogehandel werden bekostigd. Zijn levensstijl was er een die de verdachte van huis uit gewend was. Daar komt bij dat de inrichting van de woning aan de [adres 2] vooral een aangelegenheid is geweest van [medeverdachte]. Alleen bij de bank en de gordijnen volgde bemoeienis van de verdachte. De verdachte had het geld waarmee zij deze goederen heeft bekostigd gekregen van haar ouders. De conclusie die het hof heeft getrokken in het arrest van 24 februari 2011, te weten dat de verdachte geen eigen inkomsten had, gaat niet op. Zij ontving veel geld en goederen van haar ouders, aldus de raadsman. Vrijspraak Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan het hof niet vaststellen dat het geld waarmee (een deel van) de ten laste gelegde goederen is bekostigd onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig was en dat de verdachte hiervan op de hoogte was. Niet kan worden uitgesloten dat de verdachte (een gedeelte van) dit geld, zoals zij zelf heeft verklaard, van haar ouders heeft gekregen. Voorts staat niet vast dat, zo al een (ander) deel van de betreffende goederen zou zijn gefinancierd met de opbrengst van door [medeverdachte] gepleegde misdrijven, de verdachte hiervan wetenschap had. [medeverdachte] had ook legale inkomsten in de jaren 2002-2005, terwijl gegevens over latere jaren ontbreken, en de verdachte is bij arrest van 24 februari 2011 vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde deelnemen aan een criminele organisatie, zodat haar betrokkenheid hierbij niet is gebleken. Hetgeen de advocaat-generaal heeft aangevoerd doet aan het vorengaande niet af. Gelet hierop is het hof met de raadsman van oordeel dat feit 1 niet wettig en overtuigend bewezen kan worden zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – en doet in zoverre opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. W.M.C. Tilleman en mr. J.W. Moors, in tegenwoordigheid van mr. D.G. Oomkes, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 juli 2016. De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. ========================================================================= [....]
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Strafrecht Parketnummer: 03/864502-14 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 29 maart 2018 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboortegegevens verdachte] , wonende te [adresgegevens verdachte] . De verdachte wordt bijgestaan door mr. S.B.C. Nicolaes, advocaat kantoorhoudende te Eindhoven.

1Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 28 november 2017. De verdachte en haar raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. De rechtbank heeft het onderzoek ter terechtzitting vervolgens gesloten op 15 maart 2018.

2De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het gewoontewitwassen van geldbedragen en/of een personenauto. 3De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officieren van justitie zijn van mening dat het tenlastegelegde feit is bewezen. Zij hebben daartoe aangevoerd dat de stiefvader van de verdachte, medeverdachte [medeverdachte] , grote hoeveelheden contant geld heeft gestort op zijn eigen bankrekeningen en die van zijn (stief)kinderen en tevens over een grote hoeveelheid geld in zijn woning beschikte, terwijl uit onderzoek is gebleken dat hij geen inkomsten uit dienstbetrekking en/of andere inkomsten had.

De officieren van justitie achten de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] over de herkomst van zijn gelden onaannemelijk en zijn van mening dat deze gelden een criminele herkomst hebben. De officieren van justitie wijzen erop dat de verdachte had moeten vermoeden dat het geld van haar stiefvader een criminele herkomst had, nu uit OVC-gesprekken kan worden afgeleid dat de verdachte wist dat haar stiefvader zich met criminele zaken bezighield. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.

Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard over haar gezinssituatie, waaruit volgt dat zij niet beter wist dan dat haar ouders eigen ondernemingen, onroerend goed en veel (contant) geld hadden. De gestorte geldbedragen waren bestemd om de verdachte in haar levensonderhoud te ondersteunen. De in de tenlastelegging genoemde bedragen dienen overigens gecorrigeerd te worden, nu niet alle stortingen door medeverdachte [medeverdachte] zijn gedaan en niet kan worden uitgesloten dat een gedeelte zakelijke stortingen betreft van verdachte en/of haar toenmalige partner.

Gelet op deze correctie en de lange tenlastegelegde periode was er geen sprake van uitgesproken hoge bedragen bij deze stortingen. De gift van de Audi A3 zag wel op een hogere luxe-uitgave maar was niet ongebruikelijk in het milieu van de verdachte. De raadsvrouw heeft erop gewezen dat een kind geen diepgaande onderzoeksplicht heeft ten opzichte van de financiële situatie van zijn of haar ouders. Uit het door de officieren van justitie aangehaalde OVC-gesprek blijkt geen verwijzing naar crimineel gedrag van de stiefvader van de verdachte. Dit gesprek d.d. 6 september 2013 ligt bovendien na de tenlastegelegde periode.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte destijds geen wetenschap had van de strafbare feiten waarvan haar stiefvader wordt verdacht. De raadsvrouw verwijst in dit verband naar uitspraken van de rechtbank Overijssel d.d. 21 januari 2014 (ECLI:NL:RBOVE:2014:236), het Gerechtshof Amsterdam d.d. 7 juli 2016 (ECLI:NL:GHAMS:2016:2749) en de Hoge Raad d.d. 16 maart 2013 (RvdW 2013/623). 3.3 Het oordeel van de rechtbank Onderhavige zaak maakt deel uit van het grootschalig onderzoek ‘Wolf/Beretta’, waarin het Openbaar Ministerie een aantal verdachten verwijt dat zij op enigerlei wijze in georganiseerd verband betrokken zijn geweest bij de import in Nederland van verdovende middelen en/of de handel daarin.

Naar aanleiding van dit onderzoek heeft de rechtbank bij vonnis van heden medeverdachte [medeverdachte] , zijnde de stiefvader van de verdachte, veroordeeld ter zake van (onder andere) het op grote schaal overtreden van de Opiumwet. De rechtbank stelt op grond van het zaaksdossier, alsook gelet op het verhandelde ter zitting, vast dat medeverdachte [medeverdachte] in de periode van 1 januari 2006 tot en met 30 juni 2013 aan de verdachte, te weten zijn stiefdochter, met grote regelmaat geldbedragen en tevens een personenauto (Audi A3, gekentekend [kenteken] ) heeft gegeven.

De rechtbank komt niet toe aan de beoordeling van de vraag of de door medeverdachte [medeverdachte] aan de verdachte geschonken geldbedragen en auto (on)middellijk uit enig misdrijf afkomstig waren omdat de rechtbank hoe dan ook niet wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte dit wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij niet beter wist dan dat haar ouders eigen ondernemingen, onroerend goed en veel (contant) geld hadden. De verdachte wist ook dat haar ouders een villa in Zuid-Frankrijk hadden, die verhuurd werd.

Deze verklaring van de verdachte wordt gesteund door de inhoud van het zaaksdossier waaruit volgt dat de verdachte van kindsaf aan in welstand heeft geleefd en ook toen zij volwassen was financiële bijstand van haar stiefvader is blijven ontvangen. De gelden en de auto die medeverdachte [medeverdachte] aan zijn stiefdochter schonk, passen naar het oordeel van de rechtbank binnen de gewoontes die reeds lange tijd, binnen gezinsverband, tussen hen bestonden. Indien en voor zover deze goederen een criminele herkomst hadden, hoefde dit - gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden - niet kenbaar te zijn voor de verdachte.

Het is niet ongebruikelijk dat ouders die het kunnen betalen hun kinderen tijdens de (jonge) volwassenheid blijven ondersteunen. Door dit enkele gegeven hoefden er dus geen alarmbellen te gaan rinkelen bij de verdachte. Anders dan de officieren van justitie is de rechtbank van oordeel dat een kind, onder de gegeven omstandigheden, geen wetenschap of gerechtvaardigd vermoeden van witwassen hoeft te hebben bij dergelijke giften van een ouder. Het door de officieren van justitie aangevoerde OVC-gesprek van 6 september 2013 maakt dit niet anders. In dit gesprek tussen de verdachte en haar stiefvader vertelt de verdachte dat zij is gevolgd, vertelt haar stiefvader dat hij al tweeëneenhalf jaar wordt gevolgd en vraagt verdachte haar stiefvader of hij niet alles uit zijn handen kan laten vallen en overal mee kan stoppen.

Volgens de officieren van justitie kan hieruit wetenschap van de verdachte van de criminele activiteiten van haar stiefvader worden afgeleid. De verdachte betwist dit en geeft een alternatieve verklaring, te weten dat het gesprek ziet op de vechtscheiding van haar stiefvader en moeder. Wat de rechtbank betreft kan de waarheid op dit punt in het midden blijven nu de laatste storting door haar stiefvader op 3 april 2013 heeft plaatsgevonden. Indien de verdachte inderdaad, zoals de officieren stellen, op 6 september 2013 wist van de criminele activiteiten van haar stiefvader, dan kan daaruit niet worden afgeleid dat zij dat in de periode van de schenkingen reeds wist.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het aan haar ten laste gelegde.

4De beslissing

De rechtbank: Vrijspraak - spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde. Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.A.G. van Baal, voorzitter, mr. A.M. Koster-van der Linden en mr. L. Feuth, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.K. Bakker en mr. Y.L.J. Damoiseaux, griffiers, en uitgesproken ter openbare zitting van 29 maart 2018. BIJLAGE I: De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat 1. (zaaksdossier 16) zij, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 30 juni 2013, tezamen en in vereniging, althans alleen, te Eindhoven, althans in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt, immers heeft/hebben zij, verdachte en/of haar medeverdachte(n), van (een) voorwerp(en) en/of een of meer geldbedrag(en), te weten - in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 6 juli 2012 een geldbedrag van 75.690 Eur, in elk geval enig(e) bedrag(en) aan geld en/of - in of omstreeks de periode van 7 juli 2012 tot en met 30 juni 2013 een geldbedrag van 12.155 Euro, in elk geval enig(e) geldbedrag(en) en/of - een personenauto (Audi A3, kenteken [kenteken] ) de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft/hebben zij en/of haar medeverdachte(n) verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat/die voorwerp(en) en/of dat/die geldbedrag(en) was of wie bovenomschreven voorwerp(en) en/of dat/die geldbedrag(en) voorhanden had, terwijl zij en/of haar medeverdachte(n) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) en/of dat/die geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit misdrijf en/of heeft zij, verdachte en/of haar medeverdachte(n), bovenomschreven voorwerp(en) en/of dat/die geldbedrag(en) verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van bovenomschreven voorwerp(en) en/of dat/die geldbedrag(en) gebruik gemaakt, terwijl zij en/of haar medeverdachte(n) wist(en) en/of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) en/of dat/die geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf; art. 420ter Wetboek van Strafrecht art. 420 bis lid1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht