Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBLIM:2018:10842 ECLI:NL:RBLIM:2018:10842 AI generated

ECLI:NL:RBLIM:2018:10842 · Rechtbank Limburg

Case Number ECLI:NL:RBLIM:2018:10842
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Wrakingskamer Zaaknummer: 03/255054 / HA RK 18-244 Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken van 25 september 2018 op het op 17 september 2018 ingediende verzoek van: [verzoeker] , wonende te [woonplaats verzoeker] , verzoeker, strekkende tot wraking van mr. K.M.P. Jacobs, rechter in de rechtbank Limburg, hierna genoemd: de rechter. De beoordeling van het verzoek De wrakingskamer stelt vast dat het onderhavige verzoek is ingediend op 17 september 2018. Het verzoek heeft betrekking op twee bestuursrechtelijke procedures (met zaaknummers 18/946 en 18/1018), waarin de rechter op 9 augustus 2018 met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), derhalve zonder een behandeling ter zitting, uitspraak heeft gedaan.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RBLIM:2018:10842 · Rechtbank Limburg: Uit de formulering van het wrakingsverzoek blijkt dat verzoeker tegen die uitspraak verzet heeft aangetekend. In artikel 9.1, aanhef en onder c, van het wrakingsprotocol van de rechtbank Limburg, vastgesteld door het bestuur van de Rechtbank Limburg bij besluit van 15 november 2017, is bepaald dat de wrakingskamer een verzoek tot wraking wegens kennelijke niet ontvankelijkheid zonder behandeling ter zitting aanstonds kan afwijzen, indien het verzoek is ingediend na het tijdstip waarop in de hoofdzaak einduitspraak is of wordt gedaan. De strekking hiervan is dat alleen ten aanzien van de behandelend rechter een verzoek tot wraking kan worden ingediend.

Keywords

AI generated
untimely request for extension statute of limitations bar postponement of trial reasonable duration of the proceedings partial claim prorogation of jurisdiction

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
Het verzoek heeft betrekking op twee bestuursrechtelijke procedures (met zaaknummers 18/946 en 18/1018), waarin de rechter op 9 augustus 2018 met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), derhalve zonder een behandeling ter zitting, uitspraak heeft gedaan.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Wrakingskamer Zaaknummer: 03/255054 / HA RK 18-244 Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken van 25 september 2018 op het op 17 september 2018 ingediende verzoek van: [verzoeker] , wonende te [woonplaats verzoeker] , verzoeker, strekkende tot wraking van mr. K.M.P. Jacobs, rechter in de rechtbank Limburg, hierna genoemd: de rechter. De beoordeling van het verzoek De wrakingskamer stelt vast dat het onderhavige verzoek is ingediend op 17 september 2018. Het verzoek heeft betrekking op twee bestuursrechtelijke procedures (met zaaknummers 18/946 en 18/1018), waarin de rechter op 9 augustus 2018 met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), derhalve zonder een behandeling ter zitting, uitspraak heeft gedaan.

Uit de formulering van het wrakingsverzoek blijkt dat verzoeker tegen die uitspraak verzet heeft aangetekend. In artikel 9.1, aanhef en onder c, van het wrakingsprotocol van de rechtbank Limburg, vastgesteld door het bestuur van de Rechtbank Limburg bij besluit van 15 november 2017, is bepaald dat de wrakingskamer een verzoek tot wraking wegens kennelijke niet ontvankelijkheid zonder behandeling ter zitting aanstonds kan afwijzen, indien het verzoek is ingediend na het tijdstip waarop in de hoofdzaak einduitspraak is of wordt gedaan. De strekking hiervan is dat alleen ten aanzien van de behandelend rechter een verzoek tot wraking kan worden ingediend.

Nu het verzoek is ingediend op een tijdstip gelegen nadat in de hoofdzaak een einduitspraak is gewezen, zal de wrakingskamer het verzoek wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid afwijzen. Daar doet niet aan af dat verzoeker tegen de betreffende uitspraken verzet heeft aangetekend, nu de rechter op grond van artikel 8:55, zesde lid, van de Awb niet bij de behandeling van het verzet wordt betrokken. Ook bij een eventuele gegrondverklaring van het verzet zal de rechter geen verdere bemoeienis met de in het wrakingsverzoek betrokken procedures van verzoeker hebben.

De rechter ten aanzien van wie verzoeker een verzoek tot wraking heeft ingediend is derhalve geen behandelend rechter meer. Dat betekent dat het verzoek tot wraking van mr. Jacobs voor kennelijk niet-ontvankelijk dient te worden gehouden. De beslissing De wrakingskamer: wijst het verzoek wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid af. Deze beslissing is gegeven door mr. V.P. van Deventer, voorzitter, mr. J.J.M. Wassenberg en mr. A.K. Kleine, leden, en in tegenwoordigheid van de griffier J.N. Buddeke in het openbaar uitgesproken op 25 september 2018.

Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open.