Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBLIM:2017:2465 ECLI:NL:RBLIM:2017:2465 AI generated

ECLI:NL:RBLIM:2017:2465 · Rechtbank Limburg

Case Number ECLI:NL:RBLIM:2017:2465
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: 5263091 OV VERZ 16-65 Beschikking van de kantonrechter van 17 maart 2017 in de zaak van: [verzoekster] , wonende te [woonplaats verzoekster] , verzoekster, gemachtigde mr. G.A.M. Verkuijlen, tegen: de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE VENRAY gevestigd te Venray, verweerster, gemachtigde mr. M. Bouwman. Partijen zullen hierna [verzoekster] en gemeente Venray worden genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het verzoekschrift het verweerschrift de mondelinge behandeling d.d. 1 maart 2017. 2De feiten 2.1. [verzoekster] is op 8 november 2013 omstreeks 16.30 uur ten val gekomen bij het verlaten van de broodjeszaak Bufkes, gelegen aan de Schoolstraat 29 te Venray.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6:174 BW, artikel 6:162 BW, artikel 6:96 lid 2 BW; ECLI:NL:RBLIM:2017:2465 · Rechtbank Limburg: Aan de orde is of de gemeente Venray in haar hoedanigheid als wegbeheerder aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval. Zoals tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd is toegelicht, baseert [verzoekster] de gestelde aansprakelijkheid van de gemeente Venray primair op artikel 6:174 BW en subsidiair op artikel 6:162 BW. 4.5. De kantonrechter stelt voor wat betreft de primaire grondslag voorop dat op de wegbeheerder de plicht rust ervoor te zorgen dat de toestand van de weg de veiligheid van personen en zaken niet in gevaar brengt (vgl. onder meer het nog onder het oude recht gewezen HR 20 maart 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0549, Bussluis).

Keywords

AI generated
foot injury traffic accident storm damage damage to electrical installations red light violation right-of-way violation

Cited Legislation

AI generated
artikel 6:174 BW
Zoals tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd is toegelicht, baseert [verzoekster] de gestelde aansprakelijkheid van de gemeente Venray primair op artikel 6:174 BW en subsidiair op artikel 6:162 BW.
artikel 6:162 BW
Zoals tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd is toegelicht, baseert [verzoekster] de gestelde aansprakelijkheid van de gemeente Venray primair op artikel 6:174 BW en subsidiair op artikel 6:162 BW.
artikel 6:96 lid 2 BW
De kantonrechter dient op grond van artikel 1019aa Rv de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van [verzoekster] te begroten en dient daarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te nemen.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:1992:ZC0549
Het geding in feitelijke instanties Verweerster in cassatie - verder te noemen Rep-Tax - heeft bij exploit van 18 maart 1987 eiseres tot cassatie - verder te noemen de Gemeente - gedagvaard voor de Rechtbank te Amsterdam en gevorderd de Gemeente te veroordelen tot betaling aan Rep-Tax van de somma van f 7.102,66 met de wettelijke rente. Nadat de Gemeente tegen de vordering verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank bij vonnis van 10 augustus 1988 de vordering afgewezen. Tegen dit vonnis heeft Rep-Tax hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. Bij arrest van 22 maart 1990 heeft het Hof het bestreden vonnis vernietigd en de vordering van Rep-Tax alsnog toegewezen. Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2010:BN6236
Het geding in feitelijke instanties Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken: a.
ECLI:NL:HR:1965:AB7079
dat hij, zich naar het herentoilet begevende, links voorbij de zich ter plaatse bevindende kistjes is gelopen, tegelijkertijd met zijn linkerhand de deurkruk van het herentoilet heeft vastgenomen en geopend en op hetzelfde moment een stap naar rechts heeft gemaakt; dat het voor hem niet mogelijk was door de zich ter plaatse bevindende coca-colakistjes aan de rechterzijde te passeren, omdat zich aan het achterste tafeltje mensen bevonden, en dat de kistjes en de zich aldaar bevindende personen bovendien het zicht op het keldergat hebben ontnomen; (3a) ‘’dat – wat het probandum sub 1 betreft – het Hof bewezen acht, dat Duchateau, zich naar het herentoilet begevende, links voorbij de zich ter plaatse bevindende kistjes is gelopen, (3b) dat immers uit de verklaringen van de getuigen Sjouwerman en Boom blijkt, dat het voor Duchateau niet mogelijk is geweest, om rechts achter de coca-colakistjes om te lopen, daar reeds de van het luik af naar voren geschoven stoelen en de daaronder geschoven opgerolde mat dit beletten; (4) ‘’dat – wat dit deel van het probandum betreft – het Hof niet bewezen acht, dat Duchateau daarop met zijn linkerhand de deurkruk van het herentoilet heeft vastgenomen en geopend en op hetzelfde moment een stap naar rechts heeft gemaakt; (5) ‘’dat het Hof echter niet van overwegend belang acht, wat Duchateau in de laatste ogenblikken vóór zijn val na het passeren van de kistjes heeft gedaan, nu door de wederpartij niet is bestreden, dat hij per ongeluk in het kelderruim is gevallen en niet als gevolg van een gewaagde poging, om over het kelderruim heen toch in het herentoilet te komen; (6) ‘’wat het tweede deel van het probandum betreft: (6a) dat niet is bewezen, dat zich aan het achterste tafeltje mensen bevonden, (6b) dat integendeel dit volgens de verklaring van getuige Sjouwerman niet het geval was, terwijl getuige Boom deze verklaring heeft bevestigd met zijn verklaring, dat volgens zijn herinnering aan dit tafeltje geen mensen zaten, (6c) dat daarmede allereerst een der redenen is komen te vervallen, waarom Duchateau volgens zijn posita niet rechts van de kistjes kon passeren, doch dat dit niet meer van belang is, nu is gebleken, dat hij dit uit anderen hoofde niet kon doen, (6d) dat verder echter door dit niet-bewezen zijn niet is gebleken, dat voormeld aanwezig zijn van mensen voor Duchateau het zicht op het keldergat heeft ontnomen, (6e) dat hiermede van de door Duchateau gestelde en in het probandum overgenomen redenen, waarom hij het keldergat niet heeft kunnen waarnemen, alleen de aanwezigheid der op elkaar gestapelde coca-colakistjes overblijft, (6f) dat echter, zoals de door de politie na het ongeval gemaakte en in het geding gebrachte foto’s duidelijk uitwijzen, de omvang van deze coca-colakistjes niet zodanig was, dat daarmede het gat geheel onzichtbaar werd gemaakt, terwijl voorts – naar uit die foto’s blijkt – het openstaande luik duidelijk boven de kistjes zichtbaar moet zijn geweest; (7) ‘’dat hieruit volgt, dat Duchateau niet op de omgeving van het herentoilet heeft gelet, toen hij daarbij was gekomen, en het nu de vraag is, of er reden voor hem bestond, om dit te doen; (8a) ‘’dat – al neemt men aan, dat Duchateau vóór het ongeval het openstaande luik niet heeft opgemerkt, gelijk hij beweert, doch de wederpartij betwist – toch voor Duchateau reden bestond bij het naderen van het toilet om zich heen te zien, alvorens verder te gaan, (8b) dat de deur van het herentoilet, naar Coca-Cola heeft gesteld, getuige Sjouwerman heeft verklaard en op de overgelegde situatiefoto’s is te zien, ingevolge de stand van de meergenoemde kistjes slechts gedeeltelijk open kon, (8c) dat dit feit, hetwelk Duchateau niet kan zijn ontgaan, hem zeker tot een opnemen van de omgeving had moeten brengen, zo hem de vreemde plaats van de kistjes daar – gedeeltelijk op het pad – al niet een waarschuwing had moeten zijn, om op die omgeving te letten; (9) ‘’dat, indien hij dit had gedaan, hem het zich daar ter plaatse bevindende keldergat niet had kunnen ontgaan, hetwelk naar uit de verklaringen van de getuigen Sjouwerman en Boom moet worden afgeleid, voldoende verlicht was; (10) ‘’dat hieruit volgt, dat hij schuld aan het ongeval heeft, en het thans nog slechts de vraag is, of hier van alle schuld, gelijk de Rechtbank heeft aangenomen, dan wel slechts van medeschuld aan zijn zijde sprake is; (11a) ‘’dat volgens de verklaring van de toenmalige eigenaar van de zaak, getuige Boom, deze in geval hij het luik moest openen, het keldergat barricadeerde met stoelen, (11b) dat getuige Sjouwerman ook gemakkelijk dit gat op deze wijze had kunnen barricaderen, (11c) dat hij dit niet heeft gedaan, maar zich volgens zijn eigen verklaring en die van getuige Boom bepaald heeft tot een opstapelen van de kistjes met lege flessen naast het keldergat, zonder de toegang tot de toiletten geheel af te sluiten; (11d) dat Sjouwerman er rekening mede had behoren te houden, dat bezoekers aan de toegang tot het toilet wellicht niet hun volledige aandacht zouden besteden, (11e) dat, gelet op de eenvoudige middelen, waarmede Sjouwerman – als voormeld – de toegang tot het keldergat afdoende had kunnen barricaderen, zo hij meende zich vandaar te moeten verwijderen, ook hem schuld aan het ongeval treft; (12) ‘’dat het Hof, de schuld van Duchateau en die van Sjouwerman tegen elkaar afwegende, van oordeel is, dat ieder van hen voor de helft aansprakelijk is voor het ongeval; (13) ‘’dat derhalve de door Duchateau aangevoerde grief gedeeltelijk is gegrond en Coca-Cola voor de helft van de door het ongeval geleden schade aansprakelijk is te stellen;’’ Overwegende dat Coca-Cola ’s Hofs arrest bestrijdt met het volgende middel van cassatie:
ECLI:NL:GHSHE:2016:667
te verklaren voor recht dat de Gemeente aansprakelijk is voor de door [appellante] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade ten gevolge van de val; veroordeling van de Gemeente tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 oktober 2010, althans vanaf de dag van (hof: de inleidende) dagvaarding;
ECLI:NL:RBGEL:2016:6689
vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Arnhem zaaknummer / rolnummer: C/05/299872 / HA ZA 16-148 Vonnis van 9 november 2016 in de zaak van [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres, advocaat mr. M.C.O. van Gerven te Amersfoort, tegen 1. de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE ALMERE, zetelend te Almere, 2. naamloze vennootschap ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V., zetelend te Apeldoorn, gedaagden, advocaat mr. M.T. Spronck te Apeldoorn. Partijen zullen hierna [eiseres] en de gemeente en Achmea genoemd worden.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: 5263091 OV VERZ 16-65 Beschikking van de kantonrechter van 17 maart 2017 in de zaak van: [verzoekster] , wonende te [woonplaats verzoekster] , verzoekster, gemachtigde mr. G.A.M. Verkuijlen, tegen: de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE VENRAY gevestigd te Venray, verweerster, gemachtigde mr. M. Bouwman. Partijen zullen hierna [verzoekster] en gemeente Venray worden genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het verzoekschrift het verweerschrift de mondelinge behandeling d.d. 1 maart 2017. 2De feiten 2.1. [verzoekster] is op 8 november 2013 omstreeks 16.30 uur ten val gekomen bij het verlaten van de broodjeszaak Bufkes, gelegen aan de Schoolstraat 29 te Venray.

Op die dag en dat moment was er sprake van regenachtig weer en invallende schemer. [verzoekster] is gevallen als gevolg van de overgang van de verhoging naar het trottoir als hierna is omschreven. Als gevolg van deze val heeft zij letselschade opgelopen. 2.2. Broodjeszaak Bufkes is hoger gelegen dan het trottoir. De broodjeszaak is daarom enkel via een verhoging te bereiken. De verhoging in kwestie betreft een egale verhoging en bestaat uit vier rijen tegels, gevolgd door naast elkaar geschakelde traptreden (in de stukken ook wel aangeduid door partijen als opstapje of stoeprand).

Een traptrede kent een maximum hoogte van ongeveer 22 centimeter. Het lager gelegen trottoir bestaat uit dezelfde tegels als de verhoging. De verhoging en de daarvan deel uitmakende traptreden en het lager gelegen trottoir zijn grijs van kleur. Op de traptreden zit vlak voor de afstap c.q. opstap een drie centimeter brede inkeping die bij droog weer donkerder van kleur is dan de traptreden en het lager gelegen trottoir. 2.3. Bezoekers kunnen de hiervoor omschreven verhoging op twee manieren benaderen. Aan de linkerzijde van de verhoging is een schuin oplopend gedeelte gemaakt, zodat het voor bijvoorbeeld rolstoelbezoekers of mensen die anderszins verhinderd zijn om een stoeprand op/af te stappen mogelijk is om de broodjeszaak binnen te gaan.

Tevens kan de broodjeszaak Bufkes worden binnengetreden door het opstappen van de verhoging via de traptreden. 2.4. De gemeente Venray is op 19 december 2013 door de gemachtigde van [verzoekster] aansprakelijk gesteld voor het door haar overkomen ongeval. De verzekeraar van de gemeente Venray heeft de aansprakelijkheid van de hand gewezen. Als gevolg daarvan zijn de onderhandelingen tussen partijen in een impasse geraakt. Dit vormde voor [verzoekster] aanleiding dit deelgeschil aanhangig te maken. 2.5. Door de gemeente Venray is na het ongeval een witte markering op de traptreden aangebracht. 3Het geschil 3.1. [verzoekster] verzoekt bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:I. te bepalen dat de gemeente Venray aansprakelijk is voor de door [verzoekster] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het ongeval dat haar op 8 november 2013 is overkomen;

II. de gemeente te veroordelen in de kosten van deze procedure conform artikel 1019aa Rv. 3.2. De gemeente Venray voert verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

Deelgeschilprocedure 4.1. In de eerste plaats dient te worden beoordeeld of het verzoek zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure als bedoeld in artikel 1019w-1019cc Rv. 4.2. De kantonrechter overweegt dat de deelgeschilprocedure volgens de memorie van toelichting bij de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade betrokkenen bij een geschil over letsel- en overlijdensschade (hierna: de Wet Deelgeschillen) de mogelijkheid biedt in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase de rechter in te schakelen, waardoor partijen een extra instrument in handen krijgen ter doorbreking van een impasse in de buitengerechtelijke onderhandelingen (Kamerstukken II, 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 2).

Gezien de ratio van de deelgeschilprocedure om de buitengerechtelijke onderhandelingen te bevorderen, dient de (kanton)rechter te toetsen of de verzochte beslissing voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. De investering in tijd, geld en moeite moeten aldus worden afgewogen tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren (Kamerstukken II, 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 18). 4.3. De kantonrechter is van oordeel dat deze zaak zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure.

Niet ter discussie staat dat [verzoekster] jegens de gemeente Venray een recht op schadevergoeding geldend kan maken indien de gemeente Venray aansprakelijk is voor het door [verzoekster] overkomen ongeval. Over die aansprakelijkheid zijn partijen verdeeld. Daarmee is het belang van het door [verzoekster] gedane verzoek gegeven. Toetsingskader 4.4. Vast staat dat [verzoekster] ten val is gekomen toen zij broodjeszaak Bufkes verliet. Zij is daarbij ten val gekomen van een verhoging, die onderdeel uitmaakt van de openbare weg en de weguitrusting ter plaatse.

Aan de orde is of de gemeente Venray in haar hoedanigheid als wegbeheerder aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval. Zoals tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd is toegelicht, baseert [verzoekster] de gestelde aansprakelijkheid van de gemeente Venray primair op artikel 6:174 BW en subsidiair op artikel 6:162 BW. 4.5. De kantonrechter stelt voor wat betreft de primaire grondslag voorop dat op de wegbeheerder de plicht rust ervoor te zorgen dat de toestand van de weg de veiligheid van personen en zaken niet in gevaar brengt (vgl. onder meer het nog onder het oude recht gewezen HR 20 maart 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0549, Bussluis).

Deze verplichting is in artikel 6:174 leden 1 en 2 BW verwoord als een risicoaansprakelijkheid. Deze aansprakelijkheid dient te worden beoordeeld aan de hand van de maatstaven die zijn ontwikkeld in HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6236 (Wilnis). Bij het antwoord op de vraag of de weg voldoet aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mogen worden gesteld, en dus niet gebrekkig is, komt het derhalve aan op de – naar objectieve maatstaven te beantwoorden – vraag of deze, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn.

Deze maatstaven komen overeen met de ‘kelderluikcriteria’ (HR 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079 (Kelderluik). Aansprakelijkheid 4.6. De door [verzoekster] geschetste feitelijke toedracht, inhoudende dat zij bij het invallen van de schemer en tijdens regenachtig weer broodjeszaak Bufkes verliet en bij de overgang van de verhoging naar het trottoir ten val is gekomen, is door gemeente Venray niet betwist. Verder staat tussen partij niet ter discussie dat de verhoging kan worden geduid als een opstal en dat de gemeente Venray bezitter is van deze opstal.

De vraag doet zich voor of het een gebrekkige opstal betreft, zoals door [verzoekster] is gesteld en door de gemeente wordt betwist. 4.7. Uit de door partijen getoonde foto’s – zoals onder andere overgelegd als productie 1 bij verzoekschrift alsmede productie 2 bij het verweerschrift – leidt de kantonrechter af dat broodjeszaak Bufkes alleen aan de voorzijde van de winkel kan worden bereikt. Het winkelend publiek dient zich dan ook de toegang tot de broodjeszaak te verschaffen hetzij door het opstappen van de verhoging, dan wel via het schuin oplopend gedeelte van de verhoging aan de linkerzijde.

Zowel de verhoging zelf als de op gelijke hoogte gelegen traptrede en het lager gelegen trottoir zijn van hetzelfde materiaal en van dezelfde kleur. Aldus is er geen waarneembaar onderscheid op basis van kleur te zien tussen enerzijds de naast elkaar geschakelde traptreden en anderzijds het lager gelegen trottoir, hetgeen naar het oordeel van de kantonrechter een potentieel gevaarlijke situatie oplevert. Door de gemeente Venray is betoogd dat de traptrede aan de bovenzijde voorzien was van een drie centimeter brede inkeping, zodat daarmee in voldoende mate duidelijk was voor oplettend publiek dat er een afstapje aan komt. 4.7.1.

In het onderhavige geval is niet in geschil dat het op 8 november 2013 ten tijde van het ongeval regenachtig weer was en het al schemerde. [verzoekster] stelt dat toen de drie centimeter brede inkeping niet te zien was en onderbouwt die stelling ook met foto’s, overgelegd als productie 8 bij verzoekschrift. Door de gemeente Venray is geen, althans geen gemotiveerd, verweer gevoerd met betrekking tot deze foto’s. Uit die foto’s blijkt dat de vorenbedoelde inkeping bij slecht weer niet goed te zien is, omdat het kleurverschil tussen de verhoging, de traptreden en het lager gelegen trottoir aanzienlijk vermindert indien de traptreden nat worden.

Uitgaande van de situatie dat een bezoeker de broodjeszaak Bufkes verlaat door recht door te lopen, is het zeer goed voorstelbaar dat die bezoeker het hoogteverschil met de traptrede en het trottoir niet (goed) ziet omdat een waarschuwingselement dat van de inkeping zou moeten uitgaan, ontbreekt. Daarbij komt dat het verhoogde deel ‘slechts’ 1,5 meter breed is, waardoor de bezoeker relatief snel bij het verlaten van de broodjeszaak wordt geconfronteerd met de bij slechtere weersomstandigheden niet duidelijk zichtbare afstap naar het trottoir. 4.7.2.

Anders dan de gemeente Venray betoogt, mag niet te snel worden aangenomen dat een bezoeker van de broodjeszaak Bufkes met de feitelijke situatie bekend is, enkel en alleen omdat die bezoeker de broodjeszaak Bufkes heeft betreden. Niet voor iedere bezoeker die de broodjeszaak via het geleidelijk oplopende deel aan de linker zijkant betreedt, zal duidelijk zijn dat bij het rechtdoor verlaten van de broodjeszaak een afstap is van maximaal 22 centimeter. Een en ander klemt te meer indien die afstap – zoals in het onderhavige geval aan de orde was – niet duidelijk (meer) zichtbaar was vanwege weersomstandigheden.

De kantonrechter is van oordeel dat de gemeente Venray met haar betoog miskent dat het primair op haar weg ligt om ervoor te zorgen dat de weginrichting ook bij veranderde weersomstandigheden veilig is. Dit oordeel wordt bevestigd door de omstandigheid dat de gemeente Venray na het litigieuze ongeval een beter zichtbare witte markering op de traptreden heeft aangebracht, waar ook bij slechtere weersomstandigheden een duidelijk waarschuwend signaal van uit gaat. Anders dan de gemeente Venray betoogt in haar verweerschrift, dient dit aspect gelet op de in rechtsoverweging 4.5. genoemde jurisprudentie, wel bij de onderhavige beoordeling te worden betrokken.

Niet valt in te zien waarom deze (weinig bezwarende) veiligheidsmaatregel niet eerder aangebracht had kunnen worden. Dat dit het straatbeeld van de gemeente Venray niet ten goede zou komen, weegt, nog daargelaten de validiteit van de stelling, niet op tegen het veiligheidsaspect voor het winkelend publiek. 4.7.3. De jurisprudentie waar de gemeente Venray naar verwijst, treft naar het oordeel van de kantonrechter geen doel. In de zaak die leidde tot het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (ECLI:NL:GHSHE:2016:667), waren varkensruggen geplaatst om te voorkomen dat auto’s op de stoep zouden worden geparkeerd.

De varkensruggen waren geplaatst bij parkeerplaatsen in plaats van bij of op een winkelroute, waardoor een scheiding werd aangebracht tussen winkelend publiek/voetgangers enerzijds en gemotoriseerd verkeer anderzijds, wat de veiligheid voor het winkelend publiek juist verhoogde. In de onderhavige zaak is der verhoging met traptreden direct voor de winkel gesitueerd, hetgeen met zich brengt dat andere eisen gesteld dienen te worden aan de in redelijkheid te nemen veiligheidsmaatregelen. 4.7.4. Ten aanzien van het vonnis van de Rechtbank Gelderland (ECLI:NL:RBGEL:2016:6689) overweegt de kantonrechter dat het in die zaak ging om een hoogteverschil bij de afstap tussen de voordeur van de gelaedeerde en de stoep door een verzakte/ingeklonken stoep.

Gelaedeerde was echter bekend met de langzaam toegenomen hoogte van de afstap, hetgeen in de thans voorliggende casus evident anders is. [verzoekster] heeft onbetwist gebleven gesteld dat zij op 8 november 2013 voor het eerst bij broodjeszaak Bufkes kwam en derhalve niet bekend was met de situatie ter plekke. Reeds om die reden kan het vonnis van de rechtbank Gelderland in deze zaak niet tot een ander oordeel leiden. 4.8. Alles overziende en samengevat weergegeven is de kantonrechter van oordeel dat de aanvankelijk getroffen veiligheidsmaatregel – te weten een donker gemarkeerde inkeping van 3 centimeter – in het onderhavige geval onvoldoende was om het gevaar zettende karakter van de situatie weg te nemen.

Dit heeft gevaar voor personen opgeleverd, welk gevaar zich in de namiddag van 8 november 2013 heeft verwezenlijkt. Nu het bovendien eenvoudig en ook niet bezwaarlijk is voor de gemeente Venray om een extra veiligheidsmaatregel te treffen – hetgeen zij ook reeds heeft gedaan – maakt dat de kantonrechter van oordeel is dat de gemeente Venray op de voet van artikel 6:174 BW aansprakelijk is voor de schade die [verzoekster] bij het ongeval heeft opgelopen. De daartoe strekkende verklaring voor recht is derhalve toewijsbaar. 4.9. Een bespreking van de subsidiaire grondslag (artikel 6:162 BW) behoeft gelet op het voorgaande geen bespreking meer.

Proceskosten 4.10. De kantonrechter dient op grond van artikel 1019aa Rv de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van [verzoekster] te begroten en dient daarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te nemen. Ook deze kosten, die in beginsel volledig voor vergoeding in aanmerking komen, dienen aldus te voldoen aan de zogenaamde dubbele redelijkheidstoets. Naar het oordeel van de kantonrechter is het redelijk dat [verzoekster] wat betreft deze procedure juridische bijstand heeft ingeroepen en is voldoende onderbouwd hoe de declaratie van de juridische kosten is opgebouwd.

Door de gemeente Venray is hier geen verweer tegen gevoerd. De kosten en de aan de zaak bestede tijd komen ook de kantonrechter niet bovenmatig voor. 4.11. Conform de door [verzoekster] in het verzoekschrift en ter zitting overgelegde urenspecificatie wordt uitgegaan van 4,5 uur voor het opstellen van het verzoekschrift en correspondentie ad € 250,00 per uur. Dit dient vermeerderd te worden met 21 % btw ad € 250,42 alsmede 6 % kantoorkosten ad € 67,50. Aan voorbespreking, bestudering van het verweerschrift, de zitting en correspondentie heeft de gemachtigde van [verzoekster] 6,5 uur besteed.

Het hiervoor in rekening gebrachte uurtarief bedraagt € 265,00 en dient eveneens vermeerderd te worden met 21 % btw ad € 361,72. De kantonrechter begroot de kosten aan de zijde van [verzoekster] derhalve op in totaal € 3.606,14 inclusief btw en kantoorkosten. 4.12. Bij deze uitkomst van de onderhavige deelgeschil procedure – waarbij de aansprakelijkheid van de gemeente Venray is vastgesteld – dient de gemeente Venray ten slotte als de in het ongelijk gestelde partij te worden aangemerkt, zodat zij verplicht dient te worden verwezen in de proceskosten.

5De beslissing

De kantonrechter 5.1. verklaart voor recht dat de gemeente Venray aansprakelijk is voor de door [verzoekster] ten gevolge van het ongeval op 8 november 2013 geleden schade, 5.2. veroordeelt de gemeente Venray tot betaling van de kosten als bedoeld in artikel 1019aa Rv, tot op heden begroot op € 3.606,14, 5.3. verklaart bovenstaande proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Aldus gegeven door mr. J.M.P. Drijkoningen, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken. type: SM