Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBLIM:2016:976 ECLI:NL:RBLIM:2016:976 AI generated

ECLI:NL:RBLIM:2016:976 · Rechtbank Limburg

Case Number ECLI:NL:RBLIM:2016:976
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK limburg Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummers: AWB/ROE 15/2717 en AWB/ROE 15/2718 uitspraak van de meervoudige kamer van 5 februari 2016 in de zaken tussen [naam] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. J.M. Smits), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo, verweerder (gemachtigde: mr. C.H.J.M. Michels). Procesverloop Bij besluit van 26 januari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder [belanghebbende] (buurman van eiser, hierna: belanghebbende) meegedeeld zijn verzoek om handhaving deels in te willigen.

Legislator headnote

AI generated

artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 1:3 van de Awb; ECLI:NL:RBLIM:2016:976 · Rechtbank Limburg: Ingevolge artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Met het begrip rechtshandeling wordt bedoeld: een handeling gericht op rechtsgevolg.

Keywords

AI generated
unjustified procedural delay inactivity after procedural stay non-renewal of contract repeated non-compliance right to a decision untimely request for extension

Cited Legislation

AI generated
artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht
Ingevolge artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
artikel 1:3 van de Awb
Op grond van voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat het voornemen geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2007:BA6367
05/3915 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante], (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 10 juni 2005, 04/3147, in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv). Datum uitspraak: 1 juni 2007 I. PROCESVERLOOP Namens appellante is door mr. B.R. Kuijlman, regiojurist bij CNV Publieke Zaak te Hilversum, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
ECLI:NL:RVS:2006:AV1777
Procesverloop Bij besluit van 6 november 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dalfsen (hierna: het college) het verzoek van [verzoeker] te [plaats] om handhaving van het bestemmingsplan op het perceel [locatie] te [plaats], gemeente Dalfsen (hierna: het perceel) afgewezen. Bij besluit van 22 juli 2004 heeft het college, beslissend op het bezwaar van [verzoeker], zijn besluit van 6 november 2003 in stand gelaten. Bij uitspraak van 11 maart 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2009:BJ1862
Procesverloop Bij besluit van 31 januari 2007, gewijzigd bij besluit van 15 februari 2007, heeft het college van burgemeester en wethouders van Zutphen (hierna: het college) aan het Kerkgenootschap Leger des Heils (hierna: het Leger des Heils) een last onder dwangsom opgelegd met betrekking tot het gebruik van een kerkgebouw gelegen aan het Hagepoortplein 4A te Zutphen. Bij besluit van 6 juni 2008 heeft het college het door het Leger des Heils hiertegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de last onder dwangsom ingetrokken. Tegen dit besluit heeft het Leger des Heils bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 juli 2008, beroep ingesteld voor zover het betreft de in het besluit onder het kopje "Akoestisch kader" opgenomen overwegingen Het college heeft een verweerschrift ingediend.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK limburg Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummers: AWB/ROE 15/2717 en AWB/ROE 15/2718 uitspraak van de meervoudige kamer van 5 februari 2016 in de zaken tussen [naam] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. J.M. Smits), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo, verweerder (gemachtigde: mr. C.H.J.M. Michels). Procesverloop Bij besluit van 26 januari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder [belanghebbende] (buurman van eiser, hierna: belanghebbende) meegedeeld zijn verzoek om handhaving deels in te willigen.

Ten aanzien van de overschrijding van het aantal bebouwde vierkante meters zal een handhavingstraject worden opgestart. Met betrekking tot het gebruik van de woning (door eiser) is, volgens verweerder, geen sprake van strijdig gebruik. Bij besluit van 27 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. Bij brief van 27 juli 2015 (het voornemen) heeft verweerder eiser meegedeeld dat verweerder voornemens is om eiser een last onder dwangsom op te leggen tot het: binnen 4 weken: terugbrengen van het aantal m2 aan bijbehorende bouwwerken zodat sprake is van vergunningsvrij bouwen en gebruik in de zin van de Wabo; het verwijderen van de hondenren dan wel een omgevingsvergunning hiervoor aanvragen ter legalisering van dit bouwwerk; ingaande 1 juli 2016: terugbrengen van het aantal te houden vogels tot gemiddeld 30 vogels per jaar.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit en het voornemen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2016. Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Bij brief van 20 oktober 2014 heeft de gemachtigde van belanghebbende verweerder verzocht handhavend op te treden tegen de door belanghebbende ondervonden overlast van de door eiser op zijn perceel (aan de [adres perceel] ) gehouden huisdieren (vogels).

Op 3 december 2014 heeft een controle op voormeld adres plaatsgevonden door medewerkers van verweerder, waarbij is geconstateerd dat in het achtererf een volière is gebouwd en dat sprake is van een overschrijding van het maximaal toegestane aantal m2 aan bijgebouwen.

2. Eiser voert in beroep aan -kort samengevat- dat belanghebbende in Duitsland woont. Zijn belang is daarmee niet zodanig dat dit noopt tot handhavend optreden. Verder stelt eiser dat er tegen andere vogelliefhebbers in de gemeente niet handhavend wordt opgetreden. Eiser is van mening dat het houden van 40 of meer halsbandparkieten, rosella’s en lorri’s in overeenstemming is met de woonfunctie/-bestemming van zijn perceel. Voorts stelt eiser dat hij in een onzekere rechtspositie wordt gebracht door de opdracht het aantal vogels terug te brengen tot gemiddeld 30 per jaar. Onduidelijk is immers hoe dit berekend moet worden. Eiser is ook van mening dat voormelde opdracht (last) onevenredig bezwarend voor hem is, omdat hij iedere mutatie in het vogelbestand zal moeten vastleggen. Ten slotte stelt eiser dat het onderzoek door verweerder naar de gestelde geluidsoverlast onvoldoende zorgvuldig is geweest. De rechtbank overweegt als volgt. 3Over de beslissing op bezwaar van 27 juli 2015 (het bestreden besluit: AWB 15/2717) overweegt de rechtbank het volgende.

4. Verweerder stelt in zijn verweerschrift van 29 september 2015 dat eiser geen procesbelang heeft bij onderhavige procedure, omdat als gevolg van de beslissing op bezwaar geen wijziging optreedt in zijn rechten en plichten.

5. Voldoende procesbelang wordt, ingevolge vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld: ECLI:NL:CRVB:2007:BA6367), aangenomen als het resultaat dat met de procedure wordt nagestreefd ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor eiser feitelijk betekenis kan hebben.

6. Desgevraagd heeft de gemachtigde van eiser bij brief van 30 oktober 2015 de rechtbank meegedeeld dat eiser er belang bij heeft dat er duidelijkheid ontstaat over de rechten en plichten die hij heeft als het gaat om de vraag welke vogels en hoeveel (vogels) hij mag houden en onder welke voorwaarden dat kan. Het is, volgens eiser, voor hem zeer belastend als hij een daadwerkelijke last moet afwachten.

7. De rechtbank overweegt over de vraag of eiser voldoende procesbelang heeft bij deze procedure als volgt. In het bestreden besluit is weliswaar vermeld dat eiser zal worden verzocht het aantal te houden vogels ingaande 1 juli 2016 terug te brengen tot gemiddeld 30 per jaar, maar tevens dat de weigering om handhavend op te treden tegen het gebruik (van het perceel) door eiser wordt gehandhaafd. Dit betekent, naar het oordeel van de rechtbank, dat de door eiser gewenste zekerheid ten aanzien van zijn vogels in deze procedure niet kan worden bereikt.

8. De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat eiser onvoldoende procesbelang heeft bij onderhavige procedure (de rechtbank verwijst in dit verband ook naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 februari 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AV1777). Het beroep van eiser gericht tegen het bestreden besluit moet niet-ontvankelijk worden verklaard.

9. Over verweerders brief van 27 juli 2015 (het voornemen: AWB 15/2718) overweegt de rechtbank het volgende.

10. Ingevolge artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Met het begrip rechtshandeling wordt bedoeld: een handeling gericht op rechtsgevolg.

11. Aangezien het hier een voornemen betreft om eiser een last onder dwangsom op te leggen is de brief van 27 juli 2015 een voorbereidingshandeling en niet op rechtsgevolg gericht (en derhalve geen besluit).

12. Over eisers stelling dat sprake zou zijn van een zogenaamd bestuurlijk rechtsoordeel overweegt de rechtbank dat ingevolge vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld: ECLI:NL:RVS:2009:BJ1862) een bestuurlijk rechtsoordeel, in uitzonderingssituaties, ondanks het ontbreken van een rechtsgevolg, als besluit moet worden aangemerkt. Daarvoor is in ieder geval vereist dat het voor de betrokkenen onevenredig bezwarend is om het geschil over de interpretatie van de rechtsregels via een beroepsprocedure over een daadwerkelijk besluit, met name betreffende handhaving of vergunningverlening, bij de bestuursrechter aan de orde te stellen.

13. Het is de rechtbank evenwel niet gebleken dat het afwachten door eiser van het opleggen door verweerder van een last onder dwangsom voor hem onevenredig bezwarend zou zijn. In dit verband heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting ook verklaard dat bij het bepalen van de begunstigingstermijn rekening zal worden gehouden met het feit dat sprake is van levende dieren (vogels). Tegen een dergelijk besluit van verweerder kan eiser bezwaar maken en (voor zover noodzakelijk) een verzoek om een voorlopige voorziening indienen.

14. Op grond van voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat het voornemen geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Dit betekent dat het hiertegen gerichte beroep van eiser niet-ontvankelijk moet worden verklaard. 15De beroepen van eiser zijn niet-ontvankelijk. 16Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers (voorzitter), en mr. C.M. Nollen en mr. P.J. Voncken, leden, in aanwezigheid van mr. E.W. Seylhouwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2016. w.g. E.W. Seylhouwer, griffier w.g. E.J. Govaers, voorzitter Voor eensluidend afschrift: de griffier, Afschrift verzonden aan partijen op: 5 februari 2016 Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.