Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBLIM:2016:623 ECLI:NL:RBLIM:2016:623 AI generated

ECLI:NL:RBLIM:2016:623 · Rechtbank Limburg

Case Number ECLI:NL:RBLIM:2016:623
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK limburg Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: AWB/ROE 15/1604 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 januari 2016 in de zaak tussen [eisers] [eisers], eisers, te [woonplaats] en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond, verweerder (gemachtigden: P.J.J.M. van Lierop en mr. B.J.H.T. Heesakkers). Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam rijhal], te [vestigingsplaats] (gemachtigde: mr. A. Snijders). Procesverloop Bij besluit van 18 november 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder een verzoek van eisers om handhavend op te treden tegen de rijhal van [naam rijhal] afgewezen.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBLIM:2016:623 · Rechtbank Limburg: De rechtbank overweegt nog het volgende. Eisers betoogden dat, nu de Tegelenjurisprudentie niet van toepassing was, de vernietiging van het bestemmingsplan, gelet op artikel 8:72, tweede lid, van de Awb, (automatisch) tot gevolg heeft gehad dat de rechtsgevolgen van die vernietiging niet in stand kunnen blijven. Volgens eisers was de omgevingsvergunning een rechtsgevolg van het op 10 september 2014 vernietigde bestemmingsplan, zodat op die datum, als (rechts)gevolg van deze vernietiging, ook de omgevingsvergunning is vervallen. De rechtbank volgt eisers niet in deze redenering.

Keywords

AI generated
planning approval revision of zoning plan nature conservation permit revocation of a permit countryside conservation administrative revocation of decision

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2014:3341
201303488/3/R1. Datum uitspraak: 10 september 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant] en anderen, wonend te Roermond, en de raad van de gemeente Roermond, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 21 februari 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie]" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. [appellant] en anderen en de raad hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 november 2013, waar [appellant] en anderen, bij monde van [appellant], en de raad, vertegenwoordigd door mr.
ECLI:NL:RVS:2015:1131
201408929/1/A1. Datum uitspraak: 8 april 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant A] en anderen, [appellant B], [appellant C], [appellant D] en [appellante E], wonend te Roermond, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 25 september 2014 in zaak nr. 14/268 in het geding tussen: [appellant A] en anderen en het college van burgemeester en wethouders van Roermond. Procesverloop Bij besluit van 31 mei 2013 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een overdekte paarden/pony rijbak op het perceel [locatie] te Roermond (hierna: het perceel).
ECLI:NL:RVS:1999:AA4296
A te B, 2. burgemeester en wethouders van Tegelen, appellanten, tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Roermond van 4 januari 1999 in het geding tussen: C te B en appellanten sub 2. 1 Procesverloop Bij besluit van 17 november 1997 hebben appellanten sub 2 aan appellant sub 1 een bouwvergunning verleend voor het oprichten van een kelder op het perceel […]hof 6, kadastraal bekend gemeente D, sectie A, nr. 7253. Bij besluit van 11 februari 1998 hebben appellanten sub 2 het hiertegen door C gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK limburg Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: AWB/ROE 15/1604 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 januari 2016 in de zaak tussen [eisers] [eisers], eisers, te [woonplaats] en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond, verweerder (gemachtigden: P.J.J.M. van Lierop en mr. B.J.H.T. Heesakkers). Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam rijhal], te [vestigingsplaats] (gemachtigde: mr. A. Snijders). Procesverloop Bij besluit van 18 november 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder een verzoek van eisers om handhavend op te treden tegen de rijhal van [naam rijhal] afgewezen.

Bij besluit van 21 april 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2015. Eiser [eiser] is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Tevens is [naam rijhal], vertegenwoordigd door S.S.J.M. Hendrickx, bijgestaan door C. Zegers (vervanger van de gemachtigde Snijders) verschenen.

Overwegingen 1. Eisers hebben verweerder bij brief van 11 september 2014 verzocht handhavend op te treden tegen de rijhal van [naam rijhal] op het perceel [adres perceel]. Bij het primaire besluit heeft verweerder dit verzoek afgewezen.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de bij besluit van 31 mei 2013 aan [naam rijhal] verleende omgevingsvergunning voor de rijhal ten tijde van het bestreden besluit nog rechtsgeldig was, zodat niet handhavend kon worden opgetreden.

3. Eisers voeren in beroep aan dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij uitspraak van 10 september 2014 het besluit tot vaststelling van bestemmingsplan [naam bestemmingsplan], op grond waarvan de omgevingsvergunning werd verleend, ten aanzien van het onderhavig plandeel heeft vernietigd. De omgevingsvergunning is volgens eisers, als rechtsgevolg van deze vernietiging, vervallen, zodat er ten tijde van het bestreden besluit niet langer een beletsel was om handhavend op te treden.

4. De rechtbank dient te beoordelen of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

5. De Afdeling heeft het bestemmingsplan [naam bestemmingsplan] bij uitspraak van 10 september 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3341) voor wat betreft het onderhavige plandeel vernietigd. Bij uitspraak van 8 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1131) heeft de Afdeling uitspraak gedaan op het hoger beroep inzake de voor de rijhal verleende omgevingsvergunning. In die uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat, nu de omgevingsvergunning is verleend voor de c-activiteit - als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in combinatie met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, sub 1° van de Wabo -, de zogeheten Tegelenjurisprudentie (zie de uitspraak van de Afdeling van 21 december 1999, ECLI:NL:RVS:1999:AA4296) op die vergunning niet van toepassing was, zodat de omgevingsvergunning ten onrechte was gebaseerd op het bestemmingsplan [naam bestemmingsplan].

De Afdeling heeft vervolgens verweerders besluit van 3 december 2013, voor zover daarbij de bezwaren van eisers tegen de omgevingsvergunning ongegrond waren verklaard, vernietigd. De Afdeling heeft in deze uitspraak evenwel niet beslist over de onderliggende omgevingsvergunning van 31 mei 2013.

6. Verweerder heeft het bestreden besluit genomen op 21 april 2015, dus kort na de uitspraak van de Afdeling inzake de omgevingsvergunning. Gelet op die uitspraak diende verweerder nog een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar tegen de omgevingsvergunning. Dat besluit was op 21 april 2015 nog niet genomen. Dit betekent dat ten tijde van het bestreden besluit de omgevingsvergunning van 31 mei 2013 voor de rijhal nog rechtsgeldig was en verweerder niet bevoegd was daartegen handhavend op te treden. Verweerder heeft bij het bestreden besluit het primaire besluit dan ook terecht gehandhaafd.

7. De rechtbank overweegt nog het volgende. Eisers betoogden dat, nu de Tegelenjurisprudentie niet van toepassing was, de vernietiging van het bestemmingsplan, gelet op artikel 8:72, tweede lid, van de Awb, (automatisch) tot gevolg heeft gehad dat de rechtsgevolgen van die vernietiging niet in stand kunnen blijven. Volgens eisers was de omgevingsvergunning een rechtsgevolg van het op 10 september 2014 vernietigde bestemmingsplan, zodat op die datum, als (rechts)gevolg van deze vernietiging, ook de omgevingsvergunning is vervallen. De rechtbank volgt eisers niet in deze redenering.

Een omgevingsvergunning is namelijk niet aan te merken als een (automatisch) rechtsgevolg van een bestemmingsplan en wordt dus bij vernietiging achteraf van het bestemmingsplan niet van rechtswege ongeldig. De rechtbank verwijst in dit verband naar rechtsoverweging 2.5.2 van voormelde uitspraak van de Afdeling van 21 december 1999. De vernietiging van een bestemmingsplan betekent wel dat het bestuursorgaan bij de beoordeling van een omgevingsvergunning, indien deze nog niet onherroepelijk is, zich niet meer mag baseren op het vernietigde bestemmingsplan.

Ter zitting is gebleken dat verweerder inmiddels, namelijk op 5 augustus 2015, een nieuwe beslissing op het bezwaar tegen de omgevingsvergunning voor de rijhal heeft genomen en deze omgevingsvergunning toen heeft ingetrokken.

8. Gelet op bovenstaande overwegingen is het beroep van eisers ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden, rechter, in aanwezigheid van mr. A.G.P.M. Zweipfenning, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2016. w.g. A. Zweipfenning, griffier w.g. Seerden, rechter Voor eensluidend afschrift: de griffier, Afschrift verzonden aan partijen op: 27 januari 2016 Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.