Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBLIM:2016:5095 ECLI:NL:RBLIM:2016:5095 AI generated

ECLI:NL:RBLIM:2016:5095 · Rechtbank Limburg

Case Number ECLI:NL:RBLIM:2016:5095
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Parketnummer: 03/225306-15 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 15 juni 2016 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (toen behorend tot de Federatieve Socialistische Republiek Joegoslavië, nu behorend tot de Republiek Macedonië) ,wonende te [adresgegevens verdachte] . De verdachte wordt bijgestaan door advocaat mr. P.H. Hillen, kantoorhoudende te Nijmegen.

Legislator headnote

AI generated

artikel 50 van de Vw 2000, artikel 20 van de Vw 2000, artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 66a van de Vw 2000; ECLI:NL:RBLIM:2016:5095 · Rechtbank Limburg: Uit het proces-verbaal van de Koninklijke Marechaussee blijkt dat verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , beiden ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen, op basis van artikel 47 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), en beiden ook belast met de uitoefening van het Mobiel Toezicht Vreemdelingen (hierna: MTV) ter bestrijding van illegaal verblijf, zich op 9 november 2015 bevonden op de weg President Rooseveltlaan in de gemeente Maastricht. Zij reden, komende uit de richting van Maastricht-Aachen-Airport, in de richting van Eijsden.

Keywords

AI generated
unlawful departure risk of overstaying removal prohibition of expulsion of nationals prolonged absence abroad breach of entry ban

Cited Legislation

AI generated
artikel 50 van de Vw 2000
Verbalisant [verbalisant 1] heeft aan de bestuurder van die auto ingevolge artikel 50 van de Vw 2000 een teken tot volgen gegeven middels de stop-transparant van het dienstvoertuig van de Koninklijke Marechaussee.
artikel 20 van de Vw 2000
artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht
Naar aanleiding van vorenstaande feiten en omstandigheden werd [verdachte] daarop aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht.
artikel 66a van de Vw 2000

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHAMS:2015:4751
parketnummer: 23-001779-15 datum uitspraak: 17 november 2015 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 april 2015 in gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-701036-15 (A) en 13-703377-14 (B) alsmede 13-850664-12 (TUL) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Somalië) op [geboortedag] 1983, thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande, gedetineerd in het Detentiecentrum Schiphol te Badhoevedorp. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 november 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlasteleggingen Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: Zaak A met parketnummer 13-701036-15: 1:hij op of omstreeks 07 januari 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid goederen (bestaande uit o.a. tandpasta en/of douchegel en/of een of meer blikjes bier en/of whisky (ter waarde van 60,95 euro)), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf Albert Heijn (filiaal gelegen aan de [adres]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte (met kracht) - eenmaal of meermalen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft geduwd en/of (vervolgens) - (met gebalde vuist(en)) een of meer slaande en/of zwaaiende bewegingen naar en/of tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft gemaakt; 2:hij op of omstreeks 07 januari 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard OF terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000; Zaak B met parketnummer 13-703377-14 (gevoegd): hij op of omstreeks 12 december 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard OF terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank. Vrijspraak zaak A feit 2 en zaak B Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte in de zaak A met parketnummer 13-701036-15 onder 2 en in de zaak B met parketnummer 13-703377-14 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Hiertoe overweegt het hof als volgt. Bij besluit van 4 februari 2014 is aan de verdachte een inreisverbod op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet juncto artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder c van de Vreemdelingenwet opgelegd. Dit inreisverbod is opgelegd voor de duur van tien jaar. Niet betwist wordt, en ook het hof leidt uit de bewijsmiddelen af, dat de verdachte ten tijde van de tenlastegelegde feiten op de hoogte was van dit besluit. Omtrent eventueel ingestelde rechtsmiddelen tegen dit besluit ontbreekt informatie in het proces-verbaal “sfeer” van de Dienst Regionale Recherche van de politie Eenheid Amsterdam d.d. 21 oktober 2015. Uit de mededelingen van de raadsman van de verdachte houdt het hof het er, bij gebreke aan andersluidende informatie, voor dat voornoemd besluit nog niet rechtens onaantastbaar is nu er kennelijk nog een vreemdelingrechtelijke procedure aanhangig is bij de Raad van State. Het hof acht, gelet op de duur van deze procedure, en de daarin te beantwoorden rechtsvragen, geen termen aanwezig (nogmaals) tot heropening van het onderzoek en aanhouding van de onderhavige zaak over te gaan teneinde de vreemdelingrechtelijke procedure af te wachten nu dit tot een onaanvaardbare vertraging van de strafzaak zou leiden. Het hof ziet zich bij de beoordeling van de onder A2 en B tenlastegelegde feiten derhalve thans gesteld voor beantwoording van de vraag of het inreisverbod dusdanig in strijd is met inhoud en strekking van de richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 (hierna: Terugkeerrichtlijn), bezien in het licht van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ-EU) van 11 juni 2015, dat hieraan gevolgen dienen te worden verbonden in het kader van de bewijsbeslissing. De advocaat-generaal heeft zich dienaangaande – kort samengevat en zakelijk weergegeven – op het volgende standpunt gesteld: - Bij de beoordeling van een besluit als het onderhavige dient internationale regelgeving in ogenschouw te worden genomen. - De uitspraak van het HvJ-EU van 11 juni 2015 heeft betrekking op het bepaalde in artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn. De kern van de uitspraak is dat een termijn voor vrijwillig vertrek wordt gegeven, tenzij sprake is van een acuut of reëel gevaar voor de openbare orde. - In het inreisverbod van de verdachte is geen termijn voor vrijwillig vertrek opgenomen zonder dat hieraan overwegingen zijn gewijd. Volstaan wordt met een verwijzing naar eerdere veroordelingen. Gelet op de uitspraak van het HvJ-EU van 11 juni 2015 is dit niet juist. Hieraan hoeven echter in deze strafzaak geen consequenties te worden verbonden nu materieel gezien wel sprake is geweest van een dergelijke termijn. Het besluit dateert immers van 4 februari 2014 en de verdachte heeft genoeg tijd gehad om terug te keren. - In de onderhavige zaak kon het inreisverbod voorts op juiste gronden worden opgelegd voor de duur van 10 jaar nu de strafbare feiten waarop dit verbod is gebaseerd niet slechts betrekking hebben op vermogensdelicten maar ook op ernstiger feiten, die gedurende langere tijd hebben plaatsgevonden. - Hierbij wordt opgemerkt dat het arrest van 11 juni 2015 specifiek betrekking had op artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Het Hof overweegt als volgt. A. Uitspraak HvJ-EU 11 juni 2015 Het HvJ-EU heeft op 11 juni 2015 arrest gewezen op een verzoek van de Raad van State om een prejudiciële beslissing met betrekking tot de uitleg van artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn. In dit arrest is – samengevat – het volgende overwogen: 1Rechtsoverweging 38: De Raad van State heeft een prejudiciële beslissing verzocht over de volgende vragen: 1) Vormt een onderdaan van een derde land, die illegaal verblijft op het grondgebied van een lidstaat, een gevaar voor de openbare orde in de zin van artikel 7, lid 4, van richtlijn 2008/115, reeds omdat hij verdacht wordt van het plegen van een naar nationaal recht als misdrijf strafbaar gesteld feit of is daarvoor vereist dat hij door de strafrechter wegens het plegen van dit feit is veroordeeld en, in het laatste geval, dient die veroordeling dan onherroepelijk te zijn geworden? 2) Spelen bij de beoordeling of een onderdaan van een derde land, die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft, een gevaar vormt voor de openbare orde in de zin van artikel 7, lid 4, van richtlijn 2008/115 naast een verdenking of een veroordeling nog andere feiten en omstandigheden van het geval een rol, zoals de ernst en aard van het naar nationaal recht als misdrijf strafbaar gestelde feit, het tijdsverloop en de intentie van de betrokkene? 3) Spelen de feiten en omstandigheden van het geval die relevant zijn voor de beoordeling als bedoeld in de tweede vraag, nog een rol bij de in artikel 7, lid 4, van richtlijn 2008/115 geboden mogelijkheid om in het geval de betrokkene een gevaar vormt voor de openbare orde in de zin van dat artikellid te kunnen kiezen tussen enerzijds het afzien van het toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek en anderzijds het toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek die korter is dan zeven dagen? 2Rechtsoverweging 40 In de Vreemdelingencirculaire is vermeld dat als gevaar voor de openbare orde wordt aangemerkt iedere door de korpschef van de politie bevestigde verdenking of iedere veroordeling ter zake van een naar misdrijf strafbaar gesteld feit. 3Rechtsoverweging 41 Het begrip “gevaar voor de openbare orde” is in artikel 3 van de Terugkeerrichtlijn noch elders gedefinieerd. 4Rechtsoverweging 50 Een lidstaat dient het begrip gevaar voor de openbare orde in de zin van artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn per geval te beoordelen teneinde na te gaan of de gedragingen van de betrokken derdelander een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde vormen. Wanneer een lidstaat daarbij steunt op een algemene praktijk of een vermoeden om vast te stellen dat sprake is van een dergelijk gevaar zonder dat naar behoren rekening wordt gehouden met de persoonlijke gedragingen van de derdelander en met het gevaar dat van die gedragingen uitgaat voor de openbare orde, gaat de lidstaat voorbij aan een individueel onderzoek van het betrokken geval en het evenredigheidsbeginsel. Daaruit volgt dat het enkele feit dat een derdelander wordt verdacht van het plegen van een naar nationaal recht als misdrijf strafbaar gesteld feit of daarvoor is veroordeeld, er op zichzelf geen rechtvaardiging voor kan vormen dat deze derdelander wordt beschouwd als een gevaar voor de openbare orde te zijn in de zin van artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn. 5Rechtsoverweging 60 Het begrip: “gevaar voor de openbare orde” als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn veronderstelt hoe dan ook dat er, naast de verstoring die bij elke wetsovertreding plaatsvindt, sprake is van een werkelijke en actuele bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. 6Rechtsoverweging 61 Daaruit volgt dat in het kader van een beoordeling van dat begrip alle feitelijke en juridische gegevens betreffende de situatie van de betrokken derdelander waardoor kan worden verduidelijkt of diens persoonlijke gedragingen een dergelijke bedreiging vormen, relevant zijn. 7Rechtsoverweging 70 Een lidstaat mag niet automatisch, middels regelgeving of in de praktijk, afzien voor het toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek in het geval waarin de betrokkene een gevaar voor de openbare orde vormt. Voor een juiste gebruikmaking van artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn geboden mogelijkheid dient per geval te worden nagegaan of het niet toekennen van een dergelijke termijn verenigbaar zou zijn met de grondrechten van de betrokkene. Het HvJ-EU verklaart in het arrest van 11 juni 2015 voor recht: 1) Artikel 7, lid 4, van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven, moet in die zin worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale praktijk volgens welke een illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende derdelander wordt geacht een gevaar voor de openbare orde te vormen in de zin van die bepaling, louter omdat hij wordt verdacht van het plegen van een naar nationaal recht als misdrijf strafbaar gesteld feit of daarvoor strafrechtelijk is veroordeeld. 2) Artikel 7, lid 4, van richtlijn 2008/115 moet in die zin worden uitgelegd dat in het geval van een illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende derdelander die wordt verdacht van het plegen van een naar nationaal recht als misdrijf strafbaar gesteld feit of daarvoor strafrechtelijk is veroordeeld, andere gegevens, zoals de aard en de ernst van dat feit, het tijdsverloop sinds dat feit werd gepleegd en de omstandigheid dat die derdelander het grondgebied van die lidstaat aan het verlaten was toen hij door de nationale autoriteiten werd aangehouden, van belang kunnen zijn bij de beoordeling of die derdelander een gevaar voor de openbare orde vormt in de zin van die bepaling. In het kader van die beoordeling is in voorkomend geval tevens elk gegeven relevant dat betrekking heeft op de gegrondheid van de verdenking van het aan de betrokken derdelander verweten misdrijf. 3) Artikel 7, lid 4, van richtlijn 2008/115 moet in die zin worden uitgelegd dat voor gebruikmaking van de bij deze bepaling geboden mogelijkheid om geen termijn voor vrijwillig vertrek toe te kennen wanneer de derdelander een gevaar voor de openbare orde vormt, de gegevens die reeds zijn onderzocht om vast te stellen dat dit gevaar bestaat, niet opnieuw hoeven te worden onderzocht. Elke regeling of praktijk van de lidstaat ter zake moet echter waarborgen dat per geval wordt nagegaan of het niet toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek verenigbaar is met de grondrechten van die derdelander. B. Betekenis uitspraak HvJ-EU d.d. 11 juni 2015 voor de toetsing van artikel 11, tweede lid, Terugkeerrichtlijn De uitspraak van het HvJ-EU van 11 juni 2015 heeft betrekking op (uitleg van) het bepaalde in artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Naar het oordeel van het hof (Gerechtshof Amsterdam) kan echter aan de uitleg van het begrip “openbare orde” in artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn geen betekenis worden ontzegd bij de uitleg van het begrip “ernstige bedreiging van de openbare orde” in artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn. Immers bieden inhoud en strekking van de Terugkeerrichtlijn geen aanknopingspunt voor de conclusie dat bij de uitleg van het bepaalde in artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn een ander, minder verstrekkend, niveau van rechtsbescherming dan het in de uitspraak HvJ-EU d.d. 11 juni 2015 in het kader van artikel 7, vierde lid, Terugkeerrichtlijn geschetste, leidend zou moeten zijn. Het hof zal er daarom bij de beoordeling van de onder A2 en B tenlastegelegde feiten vanuit gaan dat de uitleg die het HvJ-EU in het arrest geeft aan artikel 7, vierde lid, Terugkeerrichtlijn richtinggevend is voor de uitleg van artikel 11 van deze richtlijn. C. Inhoud van het inreisverbod Aan de verdachte is bij besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie d.d. 4 februari 2014 een inreisverbod opgelegd op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet juncto artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet. Het inreisverbod is op grond van het bepaalde in artikel 66a, vierde lid, van de Vreemdelingenwet, juncto artikel 6.5a, vijfde lid, aanhef en onder a van het Vreemdelingenbesluit – voor zover van belang – opgelegd voor de duur van 10 jaar. Hiertoe is door de Staatsecretaris, voor zover hier van belang, het volgende overwogen (waarbij onder betrokkene wordt verstaan: de verdachte): “Volgens artikel 6.5 a, vijfde lid, onder a Vb kan een ernstige bedreiging voor de openbare orde of de openbare veiligheid blijken uit onder meer: a. een veroordeling naar aanleiding van een geweldsdelict of Opiumdelict; b. een veroordeling tot een vrijheidsstraf wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van meer dan zes jaren is bedreigd. (…) Vastgesteld wordt dat betrokkene een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid. Betrokkene heeft immers bij herhaling misdrijven gepleegd, waaronder een geweldsdelict. Voorts wordt nog opgemerkt dat betrokkene is gedagvaard voor een zedenmisdrijf. In de zienswijze zijn met betrekking tot artikel 8 EVRM en 3 EVRM geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren gebracht. De overwegingen uit het voornemen hieromtrent dienen dan ook als herhaald en ingelast te worden beschouwd. Volgens paragraaf A4/2.3 Vc legt de IND het inreisverbod op voor de maximale duur zoals die in de verschillende onderdelen van artikel 6.5a Vb is genoemd. In artikel 6.5 Vb is al rekening gehouden met de ernst van de aanleiding om een inreisverbod uit te vaardigen. Aangezien door betrokkene geen nader onderbouwde individuele omstandigheden zijn aangevoerd, wordt volgens artikel 6.5a, lid 5, onder a, Vb de maximale duur van 10 jaar opgelegd.” Verder is in dit besluit van de Staatssecretaris overwogen: “5. Rechtsgevolgen van deze beschikking Betrokkene moet het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland onmiddellijk verlaten en kan worden uitgezet.” D. Beoordeling van de rechtmatigheid van het inreisverbod Het hof is van oordeel dat het toetsingskader dat is aangelegd bij de besluitvorming tot oplegging van het inreisverbod van 14 februari 2014 in het licht van de in de uitspraak van het HvJ-EU van 11 juni 2015 geformuleerde criteria, onvoldoende dragend is voor de conclusie dat in dit geval sprake is van een (ernstige) bedreiging van de openbare orde. De enkele verwijzing naar de aard van twee misdrijven is daarvoor onvoldoende. Voor het overige wordt slechts gesproken van “misdrijven” die de verdachte “bij herhaling” gepleegd zou hebben, welke motivering eveneens tekortschiet. Het vorenstaande brengt het hof tot het oordeel dat de motivering van het inreisverbod onvoldoende is in het licht van de Terugkeerrichtlijn en dat dit besluit derhalve niet rechtmatig kan worden geacht. Naar aanleiding van hetgeen in dit verband is aangevoerd door de advocaat-generaal merkt het hof nog op dat het niet aan het hof is om in het kader van de onderhavige strafprocedure het betreffende gebrek te “helen”. Dit brengt met zich dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem onder A2 en B tenlastegelegde. Gezien het voorgaande bestaat er geen aanleiding meer nadere overwegingen te wijden aan de, ook door de advocaat-generaal onderkende, omstandigheid dat in het inreisverbod geen termijn voor vrijwillig vertrek is verleend zonder dat dit nader is gemotiveerd. Bespreking van een gevoerd bewijsverweer De raadsman heeft ten aanzien van het in de zaak A onder 1 tenlastegelegde aangevoerd dat er vrijspraak dient te volgen omdat er, kortgezegd, geen sprake is van diefstal met geweld. Het hof verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt als volgt. De aangifte van de beveiliger van Albert Heijn wordt met betrekking tot de wegnemingshandelingen en de confrontatie die daarop volgde ondersteund door het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] die de bewakingsbeelden van Albert Heijn heeft bekeken en heeft gerelateerd wat er op de betreffende camerabeelden is waargenomen. Daarnaast wordt de lezing van de beveiliger bevestigd door getuige [getuige]. Gelet op de context waarin verdachtes handelen plaatsvond, te weten bij de aanhouding door de winkelbeveiliger ter zake verdenking van een zojuist gepleegde winkeldiefstal, en welke handelingen uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid, is het hof van oordeel dat deze moeten worden aangemerkt als geweld in de zin van artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht. Het betoog van de raadsman dat het geweld niet was gericht op het vergemakkelijken van de diefstal en de verdachte zich moest verweren tegen de wederrechtelijke aanranding door een beveiliger treft geen doel nu het hof uit de te bezigen bewijsmiddelen afleidt dat het handelen van de betreffende beveiliger niet als een wederrechtelijke aanval kan worden aangemerkt waartegen de verdachte zich noodzakelijkerwijs diende te verdedigen. Ook naar de uiterlijke verschijningsvorm moet het handelen van de verdachte, te weten het duwen tegen [slachtoffer] en vervolgens slaande en zwaaiende bewegingen maken naar en tegen [slachtoffer], naar het oordeel van het hof worden aangemerkt als te zijn aangewend om zichzelf bij betrapping op heterdaad de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren. In dit laatste ligt de toepassing van geweld met bijkomend oogmerk besloten. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak A met parketnummer 13-701036-15 onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 7 januari 2015 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid goederen, bestaande uit o.a. tandpasta, douchegel en bier, toebehorende aan winkelbedrijf Albert Heijn (filiaal gelegen aan de [adres]), welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte (met kracht) meermalen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft geduwd en met gebalde vuist een of meer slaande en zwaaiende bewegingen naar en tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft gemaakt. Hetgeen in de zaak A met parketnummer 13-701036-15 onder 1 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Bewijsmiddelen Het hof neemt over de bewijsmiddelen zoals vermeld in het vonnis waarvan beroep, ten aanzien van het in zaak A onder 1 bewezen verklaarde, onder de nummers 1, 2, 3 en 4. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in de zaak A met parketnummer 13-701036-15 onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het in de zaak A met parketnummer 13-701036-15 onder 1 bewezen verklaarde levert op: diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in de zaak A met parketnummer 13-701036-15 onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf of maatregel De rechtbank Amsterdam heeft aan de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders opgelegd. Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde maatregel als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal. Diefstal is een ergerlijk feit dat doorgaans overlast en schade veroorzaakt voor een winkelbedrijf. Daarnaast is door de verdachte geweld gebruikt tegen een winkelbeveiliger die hem op heterdaad betrapte. Dit geweld maakt dit feit veel ernstiger. Door een dergelijk handelen wordt immers de lichamelijke integriteit van deze medewerker aangetast en een voor hem en andere aanwezigen intimiderende situatie geschapen. Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 15 oktober 2015 is de verdachte eerder voor soortgelijke strafbare feiten onherroepelijk veroordeeld. Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. In het voorgaande ligt besloten dat het hof in casu geen termen aanwezig acht om, als gevorderd door de advocaat-generaal, tot het opleggen van de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) over te gaan. Het hof overweegt hiertoe als volgt. De advocaat-generaal heeft zijn vordering tot oplegging van de ISD-maatregel mede gebaseerd op het advies van de Reclassering d.d. 26 maart 2015. Dit advies strekt tot oplegging van de ISD-maatregel. De daaraan ten grondslag gelegde motivering heeft hoofdzakelijk en in de eerste plaats betrekking op verdachtes illegaal verblijf hier te lande. Dragende overwegingen in dit advies komen er in de kern op neer dat de ISD-maatregel moet worden opgelegd met als doel de verdachte te motiveren terug te keren naar zijn land van herkomst. Een dergelijke doelstelling verdraagt zich naar het oordeel van het hof niet aanstonds met doel en strekking van de ISD-maatregel zoals neergelegd in artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht. Het zou een (naar het oordeel van het hof te) vergaande uitleg van (in het bijzonder het tweede lid van) deze bepaling vergen indien de in de wet voorziene doelstellingen “beveiliging van de maatschappij” en “beëindigen van recidive” – met name – zouden moeten worden bereikt door een strafrechtelijk gefaciliteerd vertrek uit Nederland. Opleggen van een ISD-maatregel gericht op terugkeer naar het land van herkomst zou voorts tot gevolg hebben dat deze strafrechtelijke sanctie feitelijk als onderdeel van de terugkeerprocedure moet worden gezien hetgeen naar het oordeel van het hof op gespannen voet staat met: het uitgangspunt dat vreemdelingrechtelijke regelgeving is neergelegd in de bij en krachtens de Vreemdelingenwet 2000 gestelde regelgeving en een goede taakverdeling tussen de vreemdelingrechtelijke autoriteiten en de strafrechter. Het hof acht het advies van de Reclassering van 26 maart 2015 dan ook, voor zover dit uitgaat van bovenstaande doelstelling, onvoldoende redengevend voor het aannemen van de wenselijkheid en noodzakelijkheid van de gevorderde maatregel. Ook overigens kunnen hiervoor in de inhoud van dit advies onvoldoende concrete aanknopingspunten worden gevonden, zodat het hof niet meegaat in de eis van de advocaat-generaal. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht. Dit wettelijk voorschrift wordt toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde. Vordering tenuitvoerlegging Aan de orde is een vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Amsterdam van 7 april 2012 opgelegde voorwaardelijke geldboete van 100 euro, subsidiair 2 dagen hechtenis. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting bij het hof gevorderd om de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen, evenals de rechtbank heeft gedaan, omdat het onverenigbaar is met het opleggen van de ISD-maatregel. Op grond van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting omtrent de persoon van de verdachte is gebleken, zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak A met parketnummer 13-701036-15 onder 2 en in de zaak B met parketnummer 13-703377-14 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak A met parketnummer 13-701036-15 onder 1 ten laste gelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het in de zaak A met parketnummer 13-701036-15 onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Amsterdam van 13 januari 2015, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Amsterdam van 7 april 2012, parketnummer 13-850664-12, voorwaardelijk opgelegde geldboete van 100 euro, subsidiair 2 dagen hechtenis. Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E.N. van der Spoel, mr. F.M.D. Aardema en mr. M.W. Groenendijk, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Schoutsen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 november 2015. ========================================================================= [....]
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Parketnummer: 03/225306-15 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 15 juni 2016 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (toen behorend tot de Federatieve Socialistische Republiek Joegoslavië, nu behorend tot de Republiek Macedonië) ,wonende te [adresgegevens verdachte] . De verdachte wordt bijgestaan door advocaat mr. P.H. Hillen, kantoorhoudende te Nijmegen.

1Onderzoek van de zaak

De zaak is aanvankelijk aangebracht ter terechtzitting van de politierechter in deze rechtbank van 26 januari 2016, tijdens welke zitting het onderzoek is geschorst. De politierechter heeft tijdens deze zitting de zaak verwezen naar de meervoudige strafkamer van deze rechtbank. Deze zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van deze meervoudige strafkamer van 1 juni 2016. De verdachte en zijn raadsman zijn tijdens deze zitting verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 9 november 2015, in de gemeente Maastricht, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard of terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

3De voorvragen

De verdediging heeft primair een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn strafvervolging. Daartoe is aangevoerd dat door de officier van justitie geen of onvoldoende afstand is genomen van de uiterst gekleurde sfeerrapportage van de Dienst Terugkeer en Vertrek (hierna: DT&V), reden waarom aan die dienst een krachtig signaal afgegeven dient te worden door de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging. In de brief van DT&V van 11 november 2015 staan namelijk een aantal evidente onjuistheden, te weten:- er is geen sprake van een LP (laissez passer)-aanvraag maar van een verzoek op grond van de Terug- en Overname overeenkomst;- de stelling dat de Macedonische autoriteiten aangegeven zouden hebben dat verdachte niet meer de nationaliteit van Macedonië bezit en dat hij deze opnieuw kan aanvragen is onjuist.

Verdachte heeft nooit de Macedonische nationaliteit gehad maar is geboren in voormalig Joegoslavië, nu Republiek Macedonië. Door de autoriteiten van de Republiek Macedonië is aangegeven dat verdachte niet de nationaliteit van Macedonië bezit en daar evenmin een (permanent) verblijfsrecht heeft. Uit de brief van de IND van 4 februari 2015 volgt namelijk dat verdachte, indien hij de nationaliteit van Macedonië wil verkrijgen, aan de voorwaarden daarvoor dient te voldoen. De rechtbank stelt vast dat de opmerking in de brief van DT&V dat verdachte niet meer de Macedonische nationaliteit bezit, niet de opvatting van deze dienst weergeeft, maar die van de Macedonische autoriteiten, kennelijk gegeven naar aanleiding van correspondentie met DT&V.

Gesteld noch gebleken is dat DT&V in de brief van 11 november 2015 het standpunt van de Macedonische autoriteiten anders heeft weergegeven dan door hen daadwerkelijk is verwoord. Dat verdachte dit standpunt onjuist acht, doet hier niet aan af. Voor zover in de brief van DT&V ten onrechte is vermeld dat een LP-aanvraag zou zijn gedaan, houdt deze onjuiste vermelding, gelet op vaste jurisprudentie, geen onrechtmatig handelen of vormverzuim in, en zeker geen vormverzuim dat zou moeten leiden tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn strafvervolging.

De rechtbank verwerpt daarom dit verweer van de verdediging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft aangevoerd dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden omdat verbalisanten de verdachte op 9 november 2015 hebben aangetroffen in de gemeente Maastricht. Ten aanzien van de verdachte was een inreisverbod voor de duur van 10 jaren opgelegd, welk inreisverbod ten tijde van de controle op 9 november 2015 ook onherroepelijk was, wat de verdachte toen ook wist. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft subsidiair verzocht de verdachte van het tenlastegelegde vrij te spreken.

Daartoe is aangevoerd – kort gezegd – dat de staandehouding van de verdachte onrechtmatig is geweest en de bewijsmiddelen ten gevolge daarvan verkregen, van het bewijs dienen te worden uitgesloten. Immers uit het proces-verbaal van 9 november 2015 blijkt niet dat op de President Rooseveltlaan waar de staandehouding plaatsvond, illegale migratie pleegt plaats te vinden. Verder was er geen aanleiding om juist dit voertuig te controleren. Zo is er sprake van een arbitraire staandehouding in strijd met het discriminatieverbod van artikel 21, eerste lid van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (verder: het Handvest).

De rechtmatigheid van de staandehouding moet – in weerwil van de vaste jurisprudentie - door de strafrechter getoetst kunnen worden vanwege het recht op effectieve rechtsbescherming van artikel 47 van het Handvest. Verder voldoet het bij beschikking van 19 mei 2014 aan verdachte opgelegde inreisverbod niet aan de eisen die de Terugkeerrichtlijn in artikel 11, tweede lid, stelt aan de oplegging van een inreisverbod. Er moet sprake zijn van een werkelijke en actuele bedreiging van de openbare orde die een fundamenteel belang van de samenleving aantast.

Verwezen wordt naar het arresten van het gerechtshof Amsterdam van 16 december 2015 ECLI:NLGHAMS:2015:5264, 17 november 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4751 en het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 11 juni 2015, ECLI:EU:C:2015:377. Ten slotte is er geen effectief rechtsmiddel geweest om de strafrechtelijke gevolgen van het inreisverbod (tijdelijk) opgeheven te krijgen, als nader in de pleitnota van de raadsman is uiteengezet. Meer subsidiair heeft de verdediging verzocht de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging, wegens overmacht als gevolg van staatloosheid van verdachte.

Verwezen wordt naar de paragrafen 34 toe en met 38 van de Guidelines on Statelessness no. 3 van de UNHCR van 7 december 2012. Verdachte is geboren in [geboorteplaats] in voormalig Joegoslavië, nu Republiek Macedonië, maar hij heeft niet de Macedonische nationaliteit bevestigen de autoriteiten van dat land. Het is een utopie dat - gelet op de eisen die Macedonië stelt – hij deze nationaliteit alsnog kan verkrijgen. Ook dit is nader door de verdediging ter zitting onderbouwd. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, waarnaar in de voetnoten bij deze uitspraak wordt verwezen, stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.

Uit het proces-verbaal van de Koninklijke Marechaussee blijkt dat verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , beiden ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen, op basis van artikel 47 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), en beiden ook belast met de uitoefening van het Mobiel Toezicht Vreemdelingen (hierna: MTV) ter bestrijding van illegaal verblijf, zich op 9 november 2015 bevonden op de weg President Rooseveltlaan in de gemeente Maastricht. Zij reden, komende uit de richting van Maastricht-Aachen-Airport, in de richting van Eijsden.

Deze mobiele toezichtcontrole werd uitgevoerd op grond van artikel 50 van de Vw 2000 in overeenstemming met het gestelde in artikel 4.17a, eerste lid, aanhef en onder c, tweede en vijfde lid van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000), waarmee is gewaarborgd dat deze controle niet is gericht op grenstoezicht en niet hetzelfde effect heeft van een grenscontrole zoals bedoeld in de artikelen 7 en 21 van de Schengengrenscode. Verbalisanten verklaren in dat verband: dat op de President Rooseveltlaan in de gemeente Maastricht in beperkte mate toezichtcontroles worden uitgevoerd met het oog op het verkrijgen van informatie over illegaal verblijf na grensoverschrijding; dat de genoemde weg is gelegen binnen de zone van twintig kilometer vanaf de gemeenschappelijke landgrens met België; dat in deze maand tot en met de controle waarbij de verdachte is staande gehouden op deze weg geen toezichtcontroles hebben plaatsgevonden; dat op deze dag op deze weg geen toezichtcontroles hebben plaatsgevonden; dat tijdens de controle waarbij de verdachte is staande gehouden daadwerkelijk één vervoermiddel is stilgehouden en dat betrof een deel van het aantal gepasseerde vervoermiddelen.

Verbalisanten verklaren voorts dat zij op 9 november 2015 omstreeks 12.55 uur een personenauto, merk Fiat met Duitse kentekenplaten [kenteken] , zagen rijden over de President Rooseveltlaan te Maastricht. Verbalisant [verbalisant 1] heeft aan de bestuurder van die auto ingevolge artikel 50 van de Vw 2000 een teken tot volgen gegeven middels de stop-transparant van het dienstvoertuig van de Koninklijke Marechaussee. Verbalisanten zagen dat de bestuurder hen volgde tot aan de controleplaats op genoemde President Rooseveltlaan, ter hoogte van knooppunt Europaplein, en zijn voertuig daar tot stilstand bracht.

De selectie en het toezicht is mede uitgevoerd op basis van informatie of ervaringsgegevens over illegaal verblijf na grensoverschrijding hierbij ondersteund door cameratoezicht. Verbalisant [verbalisant 1] heeft daarop op 9 november 2015 om 13.01 uur de bestuurder staande gehouden op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000, ter vaststelling van de identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie. Op zijn vordering overhandigde de bestuurder aan hem een geldig Nederlands rijbewijs, afgegeven op 11 oktober 2010, dat was voorzien van een goed gelijkende pasfoto van de persoon.

Verbalisant zag dat dit document op naam stond van: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , staatloos. De staande gehouden persoon gaf op dat zijn verblijfsrechtelijke positie onrechtmatig was. Verbalisant [verbalisant 1] heeft op 9 november 2015 omstreeks 13.07 uur genoemde persoon gecontroleerd in diverse systemen en registers, waaruit bleek dat [verdachte] gesignaleerd stond in het Nationaal Schengen Informatie Systeem als niet tot Schengengebied toe te laten vreemdeling. Verbalisant heeft op 9 november 2015 contact gehad met de Immigratie- en Naturalisatiedienst (verder:

IND) waaruit bleek dat op 10 juni 2014 door de IND een beschikking (gedateerd 19 mei 2014) aangetekend aan [verdachte] is verstuurd, inhoudend dat diens verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, als bedoeld in artikel 20 van de Vw 2000, was ingetrokken en dat tevens een inreisverbod ingevolge artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000 was uitgevaardigd. Naar aanleiding van vorenstaande feiten en omstandigheden werd [verdachte] daarop aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht. Uit het proces-verbaal van de Koninklijke Marechaussee en de daarbij gevoegde bijlagen, waaronder de beschikking van 19 mei 2014, blijkt dat verdachte van 6 oktober 1987 tot 19 mei 2014 in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning, dat bij beschikking van 19 mei 2014 deze verblijfsvergunning met ingang van 10 oktober 2012 is ingetrokken en dat bij die beschikking aan [verdachte] tevens een (zwaar) inreisverbod ingevolge artikel 66a van de Vw 2000 is opgelegd voor de duur van tien jaren.

Uit een proces-verbaal van de Vreemdelingenpolitie Gelderland Midden blijkt dat de beschikking van 19 mei 2014 op 10 juni 2014 aangetekend is toegezonden aan het laatst bekende adres van de verdachte en dat van die beschikking tevens mededeling is gedaan in de Staatscourant van 25 juni 2014. Het verweer ten aanzien van de mobiele toezichtcontrole Door de verdediging is aangevoerd dat de op 9 november 2015 plaatsgevonden controle van verdachte door verbalisanten op grond van het MTV onrechtmatig was. De verdediging heeft daartoe gesteld dat de bevoegdheid (op grond van artikel 4.17a van het Vb 2000) tot bedoelde MTV-controle gericht dient te zijn op bestrijding van illegale immigratie en weliswaar kan worden uitgeoefend ten aanzien van een ieder, maar slechts op die plaatsen binnen de grenszone van twintig kilometer waarvan op basis van informatie of ervaringsgegevens mag worden aangenomen dat daar illegale immigratie pleegt plaats te vinden.

Door de verdediging is aangevoerd dat uit het proces-verbaal van verbalisanten d.d. 9 november 2015 of andere processen-verbaal in het dossier, geen enkele informatie is af te leiden dat op de President Rooseveltlaan in Maastricht, welke straat in het centrum van deze stad ligt, sprake zou zijn van illegale migratie. Volgens het proces-verbaal d.d. 9 november 2015 maakte de controle geen deel uit van een ruimere controle en volgens het aanvullend proces-verbaal d.d. 23 mei 2016 is op 9 november 2015 alleen de door verdachte bestuurde auto staande gehouden.

Volgens de verdediging is, omdat de wettelijke bevoegdheid om verdachte staande te houden ontbrak, sprake van een ernstig vormverzuim. De verdediging heeft aangevoerd dat de staandehouding en de daaropvolgende gegevens voor het bewijs dienen te worden uitgesloten. De rechtbank overweegt het volgende. Ingevolge artikel 4.17a, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000 wordt de bevoegdheid, bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000, om ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding personen staande te houden ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie, uitsluitend uitgeoefend in het kader van toezicht op vreemdelingen op wegen en vaarwegen in een gebied tot twintig kilometer vanaf de gemeenschappelijke landgrens met België of Duitsland.

Ingevolge het tweede lid wordt dit toezicht uitgevoerd op basis van informatie of ervaringsgegevens over illegaal verblijf na grensoverschrijding. Het toezicht kan daarnaast in beperkte mate worden uitgevoerd met het oog op het verkrijgen van informatie over dergelijk illegaal verblijf.Ingevolge het vijfde lid wordt het toezicht, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, op eenzelfde weg of vaarweg ten hoogste negentig uur per maand en ten hoogste zes uur per dag uitgevoerd. In het kader van dit toezicht wordt slechts een deel van de passerende vervoermiddelen stilgehouden.

De rechtbank stelt vast dat in het proces-verbaal van 9 november 2015 is gerelateerd dat de controle kon worden uitgevoerd met het oog op het verkrijgen van informatie over illegaal verblijf na grensoverschrijding. Dit is in overeenstemming met artikel 4,17a, tweede lid van het Vb 2000, ook wanneer er maar één voertuig wordt gecontroleerd. Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 19 juli 2012, C-278/12 PPU, Adil (ECLI:EU:C:2012:508; hierna: het arrest Adil) in de punten 77 tot en met 87 van het arrest Adil uiteengezet welke kenmerken zij doorslaggevend heeft geacht voor haar oordeel in punt 88 dat de MTV-controles bedoeld in artikel 4.17a van het Vb 2000 niet in strijd zijn met de artikelen 20 en 21 van de Schengengrenscode.

Hoewel de verscherping van deze controles op grond van artikel 4.17b, eerste en vijfde lid, van het Vb 2000 bij besluit van 16 oktober 2015 in de praktijk neerkomt op een verdubbeling van de controles bedoeld in artikel 4.17a, betekent dat niet dat de verscherpte controles niet meer voldoen aan de door het Hof in de punten 77 tot en met 87 van het arrest uiteengezette kenmerken. Daarbij is met name van belang dat de controles nog immer worden uitgevoerd op een wijze die duidelijk verschilt van systematische controles van personen aan de buitengrenzen van de Unie.

De rechtbank overweegt, gelet op vorenstaande, dat de door verbalisanten op 9 november 2015 verrichte controle rechtmatig is geweest. De verdachte heeft ter terechtzitting van 1 juni 2016 verklaard dat hij zich op 9 november 2015 in de gemeente Maastricht bevond en dat hij toen wist dat bij beschikking van 19 mei 2014 een inreisverbod tegen hem was uitgevaardigd. De rechtbank overweegt dat het bij beschikking van 19 mei 2014 tegen verdachte uitgevaardigde inreisverbod op 9 november 2015 onherroepelijk was en dat verdachte daarvan op de hoogte was.

De rechtbank is, gelet op vorenstaande feiten en omstandigheden, van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte het tenlastegelegde, zoals hierna wordt vermeld, heeft begaan. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat de verdachte op 9 november 2015 in de gemeente Maastricht als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd.

De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Bij beschikking van 19 mei 2014 is tegen de verdachte een inreisverbod voor de duur van tien jaren uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000 juncto artikel 6.5a van het Vb 2000. De verdediging heeft – kort gezegd – aangevoerd dat genoemd (zwaar) inreisverbod in strijd is met het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), meer in het bijzonder met artikel 8, en met het communautaire recht, meer in het bijzonder richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 (hierna: de Terugkeerrichtlijn) en enkele communautaire beginselen.

Volgens de raadsman moet de beschikking van 19 mei 2014 inhoudelijk beoordeeld worden, wil recht worden gedaan aan artikel 47 van het Handvest en de Terugkeerrichtlijn. Gelet op vaste jurisprudentie dient de rechtbank het verweer dat het inreisverbod in strijd is met het Unierecht te onderzoeken. Op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 11 juni 2015 (ECLI: EU:C:2015:377, JV 2015/209) dient bij iedere betrokken derdelander beoordeeld te worden of de persoonlijke gedragingen van de betrokkene een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn vormen, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel (punt 50 van dat arrest).

Het enkele feit dat een derdelander veroordeeld is voor, of verdacht wordt van het plegen van een misdrijf, is onvoldoende voor de conclusie dat de derdelander een gevaar oplevert voor de openbare orde in de zin van artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn (punt 54 van het arrest). Naast de verstoring van de maatschappelijke orde die bij elke wetsovertreding plaatsvindt, moet daarvoor sprake zijn van een werkelijke actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast (punt 60 van het arrest). De rechtbank is van oordeel dat het aan verdachte opgelegde inreisverbod voor de duur van 10 jaren, in het licht van de in de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 11 juni 2015 geformuleerde criteria, niet in overeenstemming is met de Terugkeerrichtlijn, nu is volstaan met de vaststelling dat verdachte een gevaar voor de openbare orde is, maar niet (kenbaar) is getoetst aan het criterium van artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn.

Op grond van voormeld arrest van het Hof van Justitie dient de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie te motiveren dat én tevens waarom de vreemdeling een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde vormt, dat noopt tot een inreisverbod als bedoeld in artikel 11 juncto artikel 7, vierde lid van de Terugkeerrichtlijn zonder ruimte voor vrijwillig vertrek. Uit de gegeven motivering komt echter niet naar voren waarom de aan de vreemdeling [verdachte] opgelegde veroordelingen dermate ernstig zijn dat deze vreemdeling redelijkerwijs een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde – in de zin van een voldoende ernstige bedreiging van een fundamenteel belang van de samenleving – vormt.

De rechtbank neemt verder in aanmerking dat de Terugkeerrichtlijn beoogt dat mensen op een humane manier, met volledige eerbiediging van hun grondrechten en waardigheid, teruggezonden kunnen worden. Daartoe dienen lidstaten er zorg voor te dragen dat beëindigen van illegaal verblijf van onderdanen van derde landen volgens een billijke en transparante procedure geschiedt. Overeenkomstig de algemene rechtsbeginselen van de EU moeten beslissingen die op grond van deze richtlijn worden genomen per geval vastgesteld worden en op objectieve criteria berusten, die zich niet beperken tot het loutere feit van illegaal verblijf.

Bij het nemen van terugkeerbesluiten en besluiten met betrekking tot een inreisverbod moeten daarom die beginselen worden geëerbiedigd en alle toepasselijke bepalingen van deze richtlijn worden nageleefd. De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat het aan de verdachte opgelegde (en op 9 november 2015 weliswaar van kracht zijnde) inreisverbod op onjuiste gronden is genomen, waardoor dit inreisverbod in strijd is met rechtsreeks werkende bepalingen van Unierecht voormeld. Om die reden acht de rechtbank dit inreisverbod onrechtmatig en is zij van oordeel dat het bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert.

De rechtbank zal daarom de verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging.

6De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht, 66a van de Vreemdelingenwet 2000, en artikel 7 en 11 van de Terugkeerrichtlijn, zoals die bepalingen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

7De beslissing

De rechtbank: Bewezenverklaring verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 4.4 is omschreven; spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid feit - verklaart dat het bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert; - ontslaat de verdachte daarom van alle rechtsvervolging. Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Schutte, voorzitter, mr. C.M.W. Nobis en mr. R.M.M. Kleijkers, rechters, in tegenwoordigheid van C.S.G.M. Wouters-Debougnoux, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 15 juni 2016.

Buiten staat Mr. R.M.M. Kleijkers is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen. Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van de Koninklijke Marechaussee, District Zuid, Brigade Limburg-Zuid, nummer PL27YL/15-004754, gesloten d.d. 27 november 2015, op doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 51 van het dossier, alsmede het proces-verbaal van genoemde Koninklinke Marechaussee nummer PL27YL/15-094969, gesloten d.d. 21 januari 2016 en de daarbij behorende bijlage(n), op doorgenummerde pagina’s 52 tot en met 62 van het dossier.

Het proces-verbaal d.d. 9 november 2015, op pagina’s 32 tot en met 36. Het proces-verbaal d.d. 27 november 2015, op pagina 37. Het proces-verbaal van de Vreemdelingenpolitie Gelderland Midden d.d. 10 juni 2014, op pagina’s 44 en 45. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 1 juni 2016.