Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBLIM:2016:11629 ECLI:NL:RBLIM:2016:11629 AI generated

ECLI:NL:RBLIM:2016:11629 · Rechtbank Limburg

Case Number ECLI:NL:RBLIM:2016:11629
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Roermond zaaknummer / rolnummer: C/03/202145 / HA ZA 15-76 Vonnis van 4 mei 2016 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats eiser] , eiser, advocaat mr. J.B.J.G.M. Schyns te Venlo, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats gedaagde] , gedaagde, advocaat mr. M. Hulstein te Eindhoven. Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding de conclusie van antwoord het proces-verbaal van comparitie van 21 januari 2016. 1.2.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek; ECLI:NL:RBLIM:2016:11629 · Rechtbank Limburg: Volgens de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering draagt [eiser] de bewijslast van zijn stelling dat [gedaagde] de lepels van de loader heeft gekanteld, aangezien hij zich op de rechtsgevolgen daarvan beroept. Nu [eiser] ook bewijs heeft aangeboden, zal hij tot bewijs van zijn stelling worden toegelaten. 4.15. Indien [eiser] slaagt in het hiervoor bedoelde bewijs, staat daarmee vast dat [gedaagde] onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. Het onder 1 gevorderde ligt in dat geval voor toewijzing gereed. [eiser] stelt dat zijn linkervoet als gevolg van het ongeval is geamputeerd. [gedaagde] betwist dat [eiser] schade heeft geleden.

Keywords

AI generated
freight carrier liability accident victim exploitation of distress liability for accidental damage overtaking maneuver fault-based liability

Cited Legislation

AI generated
artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:1965:AB7079
dat hij, zich naar het herentoilet begevende, links voorbij de zich ter plaatse bevindende kistjes is gelopen, tegelijkertijd met zijn linkerhand de deurkruk van het herentoilet heeft vastgenomen en geopend en op hetzelfde moment een stap naar rechts heeft gemaakt; dat het voor hem niet mogelijk was door de zich ter plaatse bevindende coca-colakistjes aan de rechterzijde te passeren, omdat zich aan het achterste tafeltje mensen bevonden, en dat de kistjes en de zich aldaar bevindende personen bovendien het zicht op het keldergat hebben ontnomen; (3a) ‘’dat – wat het probandum sub 1 betreft – het Hof bewezen acht, dat Duchateau, zich naar het herentoilet begevende, links voorbij de zich ter plaatse bevindende kistjes is gelopen, (3b) dat immers uit de verklaringen van de getuigen Sjouwerman en Boom blijkt, dat het voor Duchateau niet mogelijk is geweest, om rechts achter de coca-colakistjes om te lopen, daar reeds de van het luik af naar voren geschoven stoelen en de daaronder geschoven opgerolde mat dit beletten; (4) ‘’dat – wat dit deel van het probandum betreft – het Hof niet bewezen acht, dat Duchateau daarop met zijn linkerhand de deurkruk van het herentoilet heeft vastgenomen en geopend en op hetzelfde moment een stap naar rechts heeft gemaakt; (5) ‘’dat het Hof echter niet van overwegend belang acht, wat Duchateau in de laatste ogenblikken vóór zijn val na het passeren van de kistjes heeft gedaan, nu door de wederpartij niet is bestreden, dat hij per ongeluk in het kelderruim is gevallen en niet als gevolg van een gewaagde poging, om over het kelderruim heen toch in het herentoilet te komen; (6) ‘’wat het tweede deel van het probandum betreft: (6a) dat niet is bewezen, dat zich aan het achterste tafeltje mensen bevonden, (6b) dat integendeel dit volgens de verklaring van getuige Sjouwerman niet het geval was, terwijl getuige Boom deze verklaring heeft bevestigd met zijn verklaring, dat volgens zijn herinnering aan dit tafeltje geen mensen zaten, (6c) dat daarmede allereerst een der redenen is komen te vervallen, waarom Duchateau volgens zijn posita niet rechts van de kistjes kon passeren, doch dat dit niet meer van belang is, nu is gebleken, dat hij dit uit anderen hoofde niet kon doen, (6d) dat verder echter door dit niet-bewezen zijn niet is gebleken, dat voormeld aanwezig zijn van mensen voor Duchateau het zicht op het keldergat heeft ontnomen, (6e) dat hiermede van de door Duchateau gestelde en in het probandum overgenomen redenen, waarom hij het keldergat niet heeft kunnen waarnemen, alleen de aanwezigheid der op elkaar gestapelde coca-colakistjes overblijft, (6f) dat echter, zoals de door de politie na het ongeval gemaakte en in het geding gebrachte foto’s duidelijk uitwijzen, de omvang van deze coca-colakistjes niet zodanig was, dat daarmede het gat geheel onzichtbaar werd gemaakt, terwijl voorts – naar uit die foto’s blijkt – het openstaande luik duidelijk boven de kistjes zichtbaar moet zijn geweest; (7) ‘’dat hieruit volgt, dat Duchateau niet op de omgeving van het herentoilet heeft gelet, toen hij daarbij was gekomen, en het nu de vraag is, of er reden voor hem bestond, om dit te doen; (8a) ‘’dat – al neemt men aan, dat Duchateau vóór het ongeval het openstaande luik niet heeft opgemerkt, gelijk hij beweert, doch de wederpartij betwist – toch voor Duchateau reden bestond bij het naderen van het toilet om zich heen te zien, alvorens verder te gaan, (8b) dat de deur van het herentoilet, naar Coca-Cola heeft gesteld, getuige Sjouwerman heeft verklaard en op de overgelegde situatiefoto’s is te zien, ingevolge de stand van de meergenoemde kistjes slechts gedeeltelijk open kon, (8c) dat dit feit, hetwelk Duchateau niet kan zijn ontgaan, hem zeker tot een opnemen van de omgeving had moeten brengen, zo hem de vreemde plaats van de kistjes daar – gedeeltelijk op het pad – al niet een waarschuwing had moeten zijn, om op die omgeving te letten; (9) ‘’dat, indien hij dit had gedaan, hem het zich daar ter plaatse bevindende keldergat niet had kunnen ontgaan, hetwelk naar uit de verklaringen van de getuigen Sjouwerman en Boom moet worden afgeleid, voldoende verlicht was; (10) ‘’dat hieruit volgt, dat hij schuld aan het ongeval heeft, en het thans nog slechts de vraag is, of hier van alle schuld, gelijk de Rechtbank heeft aangenomen, dan wel slechts van medeschuld aan zijn zijde sprake is; (11a) ‘’dat volgens de verklaring van de toenmalige eigenaar van de zaak, getuige Boom, deze in geval hij het luik moest openen, het keldergat barricadeerde met stoelen, (11b) dat getuige Sjouwerman ook gemakkelijk dit gat op deze wijze had kunnen barricaderen, (11c) dat hij dit niet heeft gedaan, maar zich volgens zijn eigen verklaring en die van getuige Boom bepaald heeft tot een opstapelen van de kistjes met lege flessen naast het keldergat, zonder de toegang tot de toiletten geheel af te sluiten; (11d) dat Sjouwerman er rekening mede had behoren te houden, dat bezoekers aan de toegang tot het toilet wellicht niet hun volledige aandacht zouden besteden, (11e) dat, gelet op de eenvoudige middelen, waarmede Sjouwerman – als voormeld – de toegang tot het keldergat afdoende had kunnen barricaderen, zo hij meende zich vandaar te moeten verwijderen, ook hem schuld aan het ongeval treft; (12) ‘’dat het Hof, de schuld van Duchateau en die van Sjouwerman tegen elkaar afwegende, van oordeel is, dat ieder van hen voor de helft aansprakelijk is voor het ongeval; (13) ‘’dat derhalve de door Duchateau aangevoerde grief gedeeltelijk is gegrond en Coca-Cola voor de helft van de door het ongeval geleden schade aansprakelijk is te stellen;’’ Overwegende dat Coca-Cola ’s Hofs arrest bestrijdt met het volgende middel van cassatie:
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Roermond zaaknummer / rolnummer: C/03/202145 / HA ZA 15-76 Vonnis van 4 mei 2016 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats eiser] , eiser, advocaat mr. J.B.J.G.M. Schyns te Venlo, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats gedaagde] , gedaagde, advocaat mr. M. Hulstein te Eindhoven. Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding de conclusie van antwoord het proces-verbaal van comparitie van 21 januari 2016. 1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [eiser] en [gedaagde] zijn overburen. 2.2. [eiser] had een vrachtwagen, welke hij op enig moment heeft verkocht. In deze vrachtwagen bevonden zich twee kolommen van een autohefbrug. 2.3. Op 11 oktober 2008 heeft [eiser] de hulp ingeroepen van [gedaagde] om, met behulp van de loader van [gedaagde] , de twee kolommen van de autohefbrug uit de vrachtwagen te halen en op een pallet te plaatsen. 2.4. De eerste kolom is door [gedaagde] met behulp van de loader succesvol op de pallet geplaatst. Bij het verplaatsen van de tweede kolom is deze kolom op de linkervoet van [eiser] terechtgekomen. 2.5.

Na het ongeval zijn [eiser] en [gedaagde] naar de woning van de moeder van [eiser] , mevrouw [moeder eiser] , gegaan. Nadat de ambulance gebeld was, arriveerde een vriend van [eiser] , de heer [vriend eiser] . [gedaagde] is naar buiten gegaan en heeft zijn echtgenote gebeld. 3Het geschil 3.1. [eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad verklaard op de minuut en op alle dagen en uren – samengevat –: voor recht te verklaren dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval met de loader op 11 oktober 2008 (hierna: het ongeval); [gedaagde] te veroordelen tot vergoeding van de door [eiser] als gevolg van het ongeval geleden schade, nader op te maken bij staat; [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding van € 25.000,--; [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.119,25 aan buitengerechtelijke kosten; [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten; [gedaagde] te veroordelen in de nakosten. 3.2. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] bij de bediening van de loader heeft gehandeld in strijd met een veiligheidsnorm, dan wel met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, door een ernstige bedieningsfout te maken.

Nu [gedaagde] jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld, is hij gehouden de door [eiser] geleden schade te vergoeden. 3.3. [gedaagde] voert verweer. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Tussen partijen staan de volgende feiten en omstandigheden vast. [eiser] heeft de hulp van [gedaagde] ingeroepen voor het verplaatsen van de twee kolommen van de autohefbrug met behulp van de loader van [gedaagde] . De eerste kolom is door [eiser] en [gedaagde] samen met twee stroppen vastgemaakt aan één van de lepels van de loader (zoals [gedaagde] stelt) of aan beide lepels van de loader (zoals [eiser] stelt).

Het zwaarste gedeelte van de kolom – de voet – bevond zich aan de zijde van de cabine en het andere uiteinde van de kolom bevond zich aan het uiteinde van de lepel(s). [gedaagde] heeft met de loader de eerste kolom uit de vrachtwagen getild en deze tien tot vijftien meter verderop op een pallet geplaatst. De tweede kolom is eveneens met twee stroppen aan de lepel(s) bevestigd, echter met de voet van de kolom aan de zijde van het uiteinde van de lepel(s) en het verst van de cabine af. Op enig moment is de kolom van de lepel(s) van de loader geschoven en op de linkervoet van [eiser] terechtgekomen. 4.2.

De rechtbank stelt vast dat partijen van mening verschillen over de feitelijke toedracht van het ongeval. 4.3. [eiser] stelt dat [gedaagde] , na het verplaatsen van de eerste kolom, in zijn eentje de stroppen om de tweede kolom en de lepels van de loader heeft gehangen. [gedaagde] heeft vervolgens de tweede kolom met de loader omhoog gehesen, is naar de pallet gereden en heeft de tweede kolom op de pallet geplaatst. De tweede kolom lag echter niet goed op de pallet en [eiser] verzocht [gedaagde] om de kolom te verplaatsen. [gedaagde] heeft de kolom weer aan de stroppen omhooggetild.

Vervolgens is [gedaagde] met de loader tegen de pallet gereden, waardoor de lepels van de loader gekanteld zijn, dan wel heeft [gedaagde] de lepels van de loader gekanteld in plaats van naar beneden bewogen. Als gevolg van het kantelen van de lepels is de voorste strop van de lepels afgeschoven, waardoor de kolom op de voet van [eiser] is terechtgekomen. 4.4. [gedaagde] betwist dat hij de lepels van de loader heeft gekanteld. Hij stelt dat [eiser] en [gedaagde] samen de stroppen om de tweede kolom en de lepel van de loader hebben bevestigd. Toen [gedaagde] de kolom boven de pallet liet zakken, begon [eiser] plotseling en onverwacht aan de kolom te sjorren.

Daardoor schoot de voorste strop los, dan wel schoof de strop van de lepel af, waardoor de kolom op de voet van [eiser] is terechtgekomen. Het is technisch niet mogelijk om de lepels van de loader te laten zakken en tegelijkertijd te laten kantelen. 4.5. De rechtbank overweegt als volgt. De vordering van [eiser] is gebaseerd op de stelling dat [gedaagde] – kort samengevat – een gevaarlijke situatie in het leven heeft geroepen door de lepels van de loader te (laten) kantelen. Voor de vraag of het in het leven roepen of laten voortbestaan van een gevaarlijke situatie onrechtmatig is, is bepalend of een ander aan een groter risico is blootgesteld dan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs verantwoord is. 4.6.

Het in het leven roepen van een gevaarzettende situatie kan, bij verwezenlijking van dat gevaar, leiden tot aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW), indien is voldaan aan de criteria die door de Hoge Raad zijn geformuleerd in het Kelderluikarrest van 5 november 1965 (ECLI:NL:HR:1965:AB7079). In dit arrest is bepaald dat alleen in het licht van de omstandigheden van het gegeven geval kan worden beoordeeld of en in hoeverre aan iemand, die een situatie in het leven roept die voor anderen bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk is, de eis kan worden gesteld, dat hij rekening houdt met de mogelijkheid dat die oplettendheid en voorzichtigheid niet zullen worden betracht en met het oog daarop bepaalde veiligheidsmaatregelen neemt.

Daarbij moet worden gelet op de aard van de gedraging, de grootte van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, op de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben en op de mate van bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen. Deze criteria dienen in onderling verband te worden beschouwd. Daarbij komt dat het enkele feit dat bepaald gedrag zou kunnen leiden tot een ongeval, nog niet betekent dat dit gedrag ook onrechtmatig is. Gevaarscheppend gedrag is alleen onrechtmatig indien de kans op een ongeval als gevolg van dat gedrag zo groot is, dat men zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden (HR 7 april 2006, LJN:

AU6934). 4.7. De rechtbank is van oordeel dat, indien de toedracht van het ongeval zoals door [eiser] gesteld zou komen vast te staan, [gedaagde] jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. 4.8. Niet betwist is dat [gedaagde] ervaren is in het bedienen van zijn eigen loader. [gedaagde] was op 11 oktober 2008 bezig met het verplaatsen van een tweeënhalve meter lang en honderden kilo's zwaar object. De kolom hing aan zijn eigen gewicht aan twee stroppen. Anders dan bij de eerste kolom lag het zwaartepunt van de kolom aan het uiteinde van de lepels, derhalve vóór de loader. [gedaagde] heeft – alleen dan wel samen met [eiser] – de stroppen zelf om de tweede kolom bevestigd, zodat hij daarvan op de hoogte was.

Gelet op het gewicht van de kolom en de plaats van het zwaartepunt acht de rechtbank de kans dat de strop bij het kantelen van de lepels van de lepel(s) zou afschuiven, aanmerkelijk. Voorzienbaar was ook dat indien de kolom van de lepel(s) zou afschuiven, deze op [eiser] terecht zou kunnen komen. De rechtbank acht voorts, gelet op de omvang en het gewicht van de kolom, de kans op (ernstig) lichamelijk letsel zeer groot. [eiser] hoefde naar het oordeel van de rechtbank niet beducht te zijn op een bijzondere, niet voor de hand liggende, manoeuvre als het kantelen van de lepels.

Niet in geschil is immers dat [eiser] de regie had over het verplaatsen van de kolommen en gesteld noch gebleken is dat hij [gedaagde] geïnstrueerd heeft de lepels te kantelen. Daarbij komt dat het verplaatsen van de eerste kolom succesvol was verlopen, zonder daarbij de lepels te kantelen. [gedaagde] moest er derhalve rekening mee houden dat [eiser] het kantelen van de lepels niet zag aankomen en dus ook geen extra voorzichtigheid – zoals bijvoorbeeld het nemen van voldoende afstand – zou betrachten. [gedaagde] heeft daarnaast geen veiligheidsmaatregelen getroffen. [eiser] heeft gesteld dat [gedaagde] de stroppen met lijmklemmen had moeten vastmaken, zodat deze niet van de lepels hadden kunnen afschuiven.

Hoewel het aanbrengen van lijmklemmen mogelijkerwijs niet voldoende was geweest om te voorkomen dat de zware kolom van de strop was afgeschoven, heeft [gedaagde] ook geen andere veiligheidsmaatregelen genomen. [gedaagde] had [eiser] op zijn minst genomen kunnen waarschuwen voldoende afstand te nemen, hetgeen hoogstwaarschijnlijk ook afdoende zou zijn geweest om de schade te voorkomen. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] zich had moeten onthouden van het kantelen van de lepels van de loader. 4.9. Het betoog van [gedaagde] dat er in het onderhavige geval geen of minder snel aansprakelijkheid moet worden aangenomen omdat het ging om een vriendendienst en [eiser] degene was die instructies gaf aan [gedaagde] , volgt de rechtbank niet.

Zonder nadere toelichting – welke ontbreekt – valt niet in te zien waarom de enkele omstandigheden dat [gedaagde] [eiser] belangeloos heeft geholpen en [eiser] de regie had over het verplaatsen van de kolommen, mee zou brengen dat [gedaagde] zich meer risico’s zou mogen veroorloven dan ten opzichte van een andere partij. 4.10. Voor zover [eiser] stelt dat ook de situatie waarin de strop van de lepels is afgeschoven doordat [gedaagde] tegen de pallet is gereden aansprakelijkheid van [gedaagde] meebrengt, gaat de rechtbank daarin niet mee. Nu [eiser] ter comparitie heeft verklaard dat hij niet gezien heeft dat [gedaagde] met de loader tegen de pallet is gereden, maar dat hij meent dit te hebben gehoord, staat dit niet vast.

Voor zover wel in rechte zou komen vast te staan dat de lepels van de loader niet gekanteld zijn door een (directe) handeling van [gedaagde] , maar doordat hij met de loader tegen de pallet is gereden, is de rechtbank van oordeel is dat [gedaagde] niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] . De rechtbank acht de kans dat de strop in een dergelijke situatie, waarbij de lepels van de loader horizontaal zijn gebleven (althans niet door een directe handeling van [gedaagde] zijn gekanteld), niet dermate groot dat [gedaagde] had kunnen voorzien dat de strop van de lepel(s) zou afschuiven en hij er voor had moeten zorgen niet tegen de pallet aan te rijden.

De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat – in de lezing van [eiser] – de tweede kolom al door [gedaagde] op de pallet was geplaatst en op instructie van [eiser] opnieuw door [gedaagde] omhoog is gehesen, waarna het ongeval zich voordeed. 4.11. Gelet op het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat, indien zou komen vast te staan dat [gedaagde] de lepels van de loader gekanteld heeft, [gedaagde] [eiser] aan een groter risico heeft blootgesteld dan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs verantwoord was, waardoor hij in strijd met de jegens [eiser] in het maatschappelijke verkeer geldende zorgvuldigheid – en derhalve onrechtmatig – jegens [eiser] heeft gehandeld. 4.12.

Ter onderbouwing van zijn stelling dat [gedaagde] de lepels van de loader heeft gekanteld, heeft [eiser] overgelegd een schriftelijke verklaring van zijn moeder, mevrouw [moeder eiser] , en een schriftelijke verklaring van een vriend, de heer [vriend eiser] . [moeder eiser] verklaart dat [gedaagde] direct na het gebeurde in haar bijzijn erkende dat het per ongeluk was gegaan en dat de lepels iets te schuin hadden gestaan (productie 3 bij dagvaarding). [vriend eiser] verklaart dat hij na het ongeval in de woning aan [gedaagde] vroeg wat er gebeurd was en dat [gedaagde] antwoordde dat de voetplaat op de voet van [eiser] was gevallen, dat de lepels niet ver genoeg naar achteren stonden waardoor er een spanband van de lepel is afgegleden (productie 4 bij dagvaarding). 4.13. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat de verklaringen van [moeder eiser] en [vriend eiser] ongeloofwaardig zijn, nu zij niet bij het ongeval aanwezig zijn geweest en beiden in een nauwe affectieve relatie tot [eiser] staan en derhalve in zijn voordeel verklaren. [gedaagde] onderbouwt zijn lezing van het gebeurde met de verklaring van zijn echtgenote, [echtgenote gedaagde] .

Zij verklaart dat [gedaagde] direct na het ongeval aan de telefoon tegen haar heeft gezegd dat [eiser] de tweede kolom nog even wilde draaien toen deze boven de pallet hing en dat, voordat hij iets kon roepen, de kolom al op de voet van [eiser] lag (productie 2 bij conclusie van antwoord). [gedaagde] wijst er op dat dit overeenkomt met het door hem op 20 oktober 2008 ingevulde schadeformulier met bijbehorende situatieschets (productie 7 bij dagvaarding). 4.14. Bij deze stand van zaken acht de rechtbank de stellingen van [eiser] voldoende onderbouwd en door [gedaagde] gemotiveerd betwist, zodat aan bewijslevering wordt toegekomen.

Volgens de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering draagt [eiser] de bewijslast van zijn stelling dat [gedaagde] de lepels van de loader heeft gekanteld, aangezien hij zich op de rechtsgevolgen daarvan beroept. Nu [eiser] ook bewijs heeft aangeboden, zal hij tot bewijs van zijn stelling worden toegelaten. 4.15. Indien [eiser] slaagt in het hiervoor bedoelde bewijs, staat daarmee vast dat [gedaagde] onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. Het onder 1 gevorderde ligt in dat geval voor toewijzing gereed. [eiser] stelt dat zijn linkervoet als gevolg van het ongeval is geamputeerd. [gedaagde] betwist dat [eiser] schade heeft geleden.

Subsidiair stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat inmiddels een medische eindtoestand is bereikt. Naar het oordeel van de rechtbank staat op grond van de verklaringen van Liffman en [vriend eiser] voldoende vast dat [eiser] als gevolg van het ongeval schade heeft geleden. Nu door [eiser] geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd waaruit volgt dat ten aanzien van het door hem als gevolg van het ongeval op 11 oktober 2008 geleden letsel thans nog geen medische eindtoestand is bereikt, zal de rechtbank [eiser] – indien hij slaagt in het hem opgedragen bewijs – in deze procedure toelaten zich uit te laten over de omvang van de door hem geleden schade, waarna [gedaagde] in de gelegenheid zal worden gesteld daarop te reageren.

Indien [eiser] niet slaagt in het aan hem opgedragen bewijs, zal het gevorderde worden afgewezen. 4.16. Gelet op het vorenoverwogene draagt de rechtbank [eiser] bewijs op van de onder 4.14 genoemde feiten en omstandigheden. Alle overige beslissingen zullen worden aangehouden.

5De beslissing

De rechtbank 5.1. draagt [eiser] op te bewijzen dat [gedaagde] de lepels van de loader heeft gekanteld, 5.2. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 18 mei 2016 voor uitlating door [eiser] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel, 5.3. bepaalt dat [eiser] , indien hij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen, 5.4. bepaalt dat [eiser] , indien hij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op dinsdagen, woensdagen, donderdagen en vrijdagen in de maanden juni tot en met augustus 2016 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald, 5.5. bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr.

F.C. Alink-Steinberg in het gerechtsgebouw te Roermond aan Willem II Singel 67, 5.6. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen, 5.7. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.P. Drijkoningen en in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2016 [...] [...] [...] [...] type: FA