Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBLIM:2015:3625 ECLI:NL:RBLIM:2015:3625 AI generated

ECLI:NL:RBLIM:2015:3625 · Rechtbank Limburg

Case Number ECLI:NL:RBLIM:2015:3625
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK Limburg Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: AWB/ROE 15/11 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 april 2015 in de zaak tussen [eiser], te [woonplaats], eiser (gemachtigde: mr. M.J. van Weersch), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Brunssum, verweerder, (gemachtigden: R.T.J. Niezing en mr. E.E.P.J. Aarts-Frehen). Procesverloop Bij brief van 28 juli 2014 heeft verweerder gemotiveerd waarom eiser is afgewezen als sollicitant voor de vacature Beleidsmedewerker Sociaal Domein. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Legislator headnote

AI generated

artikel 7:1 van de Awb; ECLI:NL:RBLIM:2015:3625 · Rechtbank Limburg: Gelet op vorenstaande overwegingen is geen sprake van zeer bijzondere omstandigheden, zoals bedoeld in rechtsoverweging 5. Dit betekent dat verweerder het bezwaar, gelet op het bepaalde in artikel 7:1 van de Awb in samenhang met artikel 8:4, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb, terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Keywords

AI generated
classification of post request for appointment conduct befitting an official's position functional allowance appointing authority administrative status of officials

Cited Legislation

AI generated
artikel 7:1 van de Awb
Gelet op het bepaalde in artikel 7:1 van de Awb is dan ook geen bezwaarschriftprocedure bij het bestuursorgaan mogelijk.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2003:AH9041
01/3018 AW en 01/3019 AW U I T S P R A A K in de gedingen tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Minister van Economische Zaken, gedaagde.
ECLI:NL:CRVB:2013:2184
12/434 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 december 2011, 10/3415 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant]te [woonplaats] (appellant) de Minister van Defensie (minister) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. F.J.P.F. Klous hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Klous. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr.
ECLI:NL:CRVB:2009:BK4735
08/2286 AW, 08/2287 AW, 08/2407 AW en 08/2409 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op de hoger beroepen van: 1.
ECLI:NL:CRVB:2014:2095
12/6150 AW, 12/6151 AW, 12/6152 AW, 12/6153 AW Datum uitspraak: 19 juni 2014 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 5 oktober 2012, 11/583, 11/584, 12/81 en 12/82 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats 1] (appellante) [appellant] te [woonplaats 2] (appellant) de korpschef van politie (korpschef) PROCESVERLOOP Ingevolge artikel 5 van de Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012 en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012, Stb. 2012, 316) is in dit geschil de korpschef in de plaats getreden van de korpsbeheerder van de politieregio Groningen, op naam van wie het geding aanvankelijk is gevoerd.
ECLI:NL:CRVB:2014:2022
12/6347 AW Datum uitspraak: 5 juni 2014 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 17 oktober 2012, 12/712 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) het dagelijks bestuur van de Regio Twente (dagelijks bestuur) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. W.J.M. Wetzels hoger beroep ingesteld. Namens het dagelijks bestuur heeft mr. P.J. Schaap, advocaat, een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2014.
ECLI:NL:CRVB:2014:844
12/3763 AW Datum uitspraak: 13 maart 2014 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 16 mei 2012, 11/1169 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Korpschef van politie (korpschef) PROCESVERLOOP In verband met de invoering van de Politiewet 2012 per 1 januari 2013 is, in zaken zoals deze, de korpschef als bevoegd gezag in de plaats getreden van de Minister van Veiligheid en Justitie, voorheen de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in diens hoedanigheid van beheerder van het voormalige Korps landelijke politiediensten (Klpd).
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK Limburg Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: AWB/ROE 15/11 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 april 2015 in de zaak tussen [eiser], te [woonplaats], eiser (gemachtigde: mr. M.J. van Weersch), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Brunssum, verweerder, (gemachtigden: R.T.J. Niezing en mr. E.E.P.J. Aarts-Frehen). Procesverloop Bij brief van 28 juli 2014 heeft verweerder gemotiveerd waarom eiser is afgewezen als sollicitant voor de vacature Beleidsmedewerker Sociaal Domein. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van verweerder van 25 november 2014 (het bestreden besluit), waarbij het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Overwegingen 1. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is, of verweerder het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en terecht niet is overgegaan tot inhoudelijke behandeling van het bezwaar.

2. Volgens verweerder kan tegen een besluit tot benoeming of aanstelling geen beroep worden ingesteld. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de brief van 28 juli 2014 geen appellabel besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In beroep voert eiser aan dat bij hem het vertrouwen is gewekt dat hij zou worden aangesteld. Eiser is van mening dat hij ontvankelijk is in zijn bezwaar en dat het bezwaar inhoudelijk behandeld had moeten worden.

3. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb dient onder besluit, waartegen op grond van artikel 7:1, van de Awb, bezwaar kan worden gemaakt, te worden verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Voor een besluit is derhalve, voor zover hier van belang, vereist dat sprake is van een publiekrechtelijke handeling. Een rechtshandeling is een handeling die naar haar aard op rechtgevolg is gericht. 4.Ingevolge het bepaalde in artikel 8:4, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit tot benoeming of aanstelling, tenzij beroep wordt ingesteld door een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet als zodanig. Gelet op het bepaalde in artikel 7:1 van de Awb is dan ook geen bezwaarschriftprocedure bij het bestuursorgaan mogelijk.

5. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) is voor die hoedanigheid van ‘ambtenaar als zodanig’ in het algemeen vereist dat de ambtenaar in een ambtelijke rechtsverhouding werkzaam is bij het desbetreffende bestuursorgaan. Alleen in zeer bijzondere omstandigheden heeft de Raad incidenteel een uitzondering aanwezig geacht op dit algemene uitgangspunt. Van zodanige omstandigheden zou sprake kunnen zijn indien bij de - ook externe - sollicitant gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt tot benoeming in de geambieerde functie. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Raad van 5 juni 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AH9041 en naar de uitspraak van de Raad van 14 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2184.

6. Op 9 mei 2014 heeft [personeelsadviseur], als personeelsadviseur werkzaam bij verweerder, een e-mail aan eiser gestuurd waarin het volgende is opgenomen: “Na het gesprek vanmorgen hebben we kort geëvalueerd. We hebben een beslissing genomen en willen jou het volgende aanbod doen. Per onmiddellijk kun je bij de gemeente Brunssum in tijdelijke ambtelijke aanstelling ambtelijke dienst treden als “Beleidsmedewerker sociaal Domein” voor één jaar en 36 uur per week. We zijn bereid na te denken over een mogelijk hogere bezoldiging dan maximaal schaal 10.

Dit willen we dan na een bericht van jou volgende week in een gesprek nader bespreken en vastleggen. (…) Ons aanbod kun je dan afzetten tegen het aanbod c.q. de beslissing van de belastingdienst volgende week. Een reactie van jou op ons aanbod en/of bericht van jou welke keuze (belastingdienst of gemeente Brunssum) je hebt gemaakt, zie ik gaarne in de loop van volgende week tegemoet.” 7. Hierop heeft eiser op 16 mei 2014 per e-mail gereageerd: “Hierbij laat ik formeel weten graag bij de gemeente Brunssum in dienst te komen. Ik ga niet naar de belastingdienst omdat dat soort werk minder bij me past dan het beleidswerk bij de gemeente.

Is het mogelijk op korte termijn een afspraak te maken waarin we jullie eerdere voorstel concretiseren?” Waarop [personeelsadviseur] reageerde: “Bedankt voor jouw reactie, fijn te horen dat je voor de gemeente Brunssum kiest. (…)” 8. De rechtbank constateert aan de hand van de e-mails dat door [personeelsadviseur] een aanbod is gedaan, dat door eiser is geaccepteerd. Uit de correspondentie per e-mail blijkt dat het geen punt van discussie meer was dat eiser in dienst zou treden bij de gemeente Brunssum. Verweerders gemachtigde heeft ter zitting gesteld dat het nog steeds onzeker was of eiser bij de gemeente Brunssum zou komen werken, omdat het niet duidelijk was of partijen het eens zouden worden over het salaris.

Voor deze stelling vindt de rechtbank geen steun in de gedingstukken. Er zou weliswaar nog gesproken worden over de salariëring, maar het aanbod van [personeelsadviseur] om per onmiddellijk in dienst te treden bij de gemeente Brunssum – en de acceptatie daarvan door eiser – volgt duidelijk uit de e-mails. Het staat voor de rechtbank vast dat bepaalde verwachtingen zijn gewekt bij eiser. Het is vervolgens de vraag of dit gerechtvaardigde verwachtingen zijn, die leiden tot een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

9. Ingevolge vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK4735) kan een beroep op het vertrouwensbeginsel alleen slagen als door het tot beslissen bevoegde orgaan of de daartoe bevoegde functionaris uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. 10. [personeelsadviseur] is werkzaam als personeelsadviseur, maar de bevoegdheid om aanstellingsbesluiten te nemen is door verweerder gemandateerd aan de gemeentesecretaris.

De rechtbank stelt dan ook vast dat de e-mails niet door of namens het bevoegde orgaan of functionaris zijn geschreven, zodat niet is voldaan aan de voorwaarden voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Raad van 19 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2095 en van 5 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2022. Dat wel de indruk kan zijn gewekt dat [personeelsadviseur] die bevoegdheid had, is onvoldoende om een beroep op het vertrouwensbeginsel te honoreren, zie de uitspraak van de Raad van 13 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:844.

Het betoog van eiser dat de loco-gemeentesecretaris als commissielid was betrokken bij de besluitvorming en dat de e-mails in ‘cc’ ook aan hem zijn gericht, maakt dit niet anders. De bevoegdheid om mensen aan te stellen is immers neergelegd bij de gemeentesecretaris en niet bij de loco-gemeentesecretaris. Bovendien is de toezegging niet gedaan door de loco-gemeentesecretaris, maar door [personeelsadviseur].

11. Gelet op vorenstaande overwegingen is geen sprake van zeer bijzondere omstandigheden, zoals bedoeld in rechtsoverweging 5. Dit betekent dat verweerder het bezwaar, gelet op het bepaalde in artikel 7:1 van de Awb in samenhang met artikel 8:4, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb, terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

12. Het beroep is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.P. Jacobs, rechter, in aanwezigheid van mr. E.W. Seylhouwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 april 2015. w.g. E.W. Seylhouwer, griffier w.g. K.M.P. Jacobs, rechter Voor eensluidend afschrift: de griffier, Afschrift verzonden aan partijen op: 29 april 2015 Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.