Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBGEL:2023:7207 ECLI:NL:RBGEL:2023:7207 AI generated

ECLI:NL:RBGEL:2023:7207 · Rechtbank Gelderland

Case Number ECLI:NL:RBGEL:2023:7207
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Belastingrecht zaaknummers: AWB 21/81 en 21/82 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van in de zaken tussen [opposant] , te [vestigingsplaats] , opposant (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de inspecteur van de Belastingdienst, Backoffice BPM, inspecteur. Behandeling van het verzet Bij uitspraken van 26 oktober 2021 (AWB 21/81) en 4 november 2021 (AWB 21/82) heeft de rechtbank het beroep van opposant met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaard.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 3:15 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 6 van het EVRM; ECLI:NL:RBGEL:2023:7207 · Rechtbank Gelderland: Als het instellen van een rechtsmiddel, zoals in dit geval het doen van verzet, een kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht vormt, is sprake van misbruik van procesrecht als bedoeld in artikel 3:13, gelezen in verbinding met artikel 3:15 van het Burgerlijk Wetboek. In dat geval is het rechtsmiddel onbevoegd ingesteld en wordt dat niet inhoudelijk behandeld. Het verzet wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard.

Keywords

AI generated
late payment of fees tax compliance timeliness statutory grace period unpaid stamp duty tax deferral delay in criminal prosecution

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
Behandeling van het verzet Bij uitspraken van 26 oktober 2021 (AWB 21/81) en 4 november 2021 (AWB 21/82) heeft de rechtbank het beroep van opposant met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaard.
artikel 3:15 van het Burgerlijk Wetboek
Als het instellen van een rechtsmiddel, zoals in dit geval het doen van verzet, een kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht vormt, is sprake van misbruik van procesrecht als bedoeld in artikel 3:13, gelezen in verbinding met artikel 3:15 van het Burgerlijk Wetboek.
artikel 6 van het EVRM
Opposant heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens het overschrijden van de redelijke termijn voor berechting als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2019:1579
Hoge Raad der Nederlanden Derde Kamer Nr.
ECLI:NL:RVS:2011:BR2299
Procesverloop Bij besluit van 21 mei 2008 heeft het college, voor zover hier van belang, geweigerd om medewerking te verlenen aan het bouwen van een tweetal vrijstaande woningen op de locatie van de langgevelboerderij [locatie a] te Bergeijk. Bij besluit van 8 januari 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 15 oktober 2010, verzonden op 15 oktober 2010, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 november 2010, hoger beroep ingesteld.
ECLI:NL:CRVB:2010:BO9060
09/6276 AW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 4 september 2009, 08/2829 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Korpsbeheerder van de politieregio Brabant Zuid-Oost (hierna: korpsbeheerder) Datum uitspraak: 16 december 2010 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 2 december 2010. Appellant is verschenen. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.H. Janssen, juridisch adviseur. II. OVERWEGINGEN 1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 22 januari 2004, 02/1524 AW, LJN AO2505. De Raad volstaat met het volgende.
ECLI:NL:CRVB:2009:BH0299
08/2845 AOW 08/2846 AOW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K Met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek van: [Naam verzoeker], wonende te Spanje (hierna: verzoeker), om herziening van de uitspraken van de Raad van 27 januari 2006, 02/2895 en 05/6118 (hierna: uitspraak 1), van 17 november 2006, 06/2164 (hierna uitspraak 2) en van 31 december 2007, 07/871 en 07/872 (hierna: uitspraak 3), in de gedingen tussen: verzoeker en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna:
ECLI:NL:PHR:2019:702
Conclusie IJzerman 29 mei 2019, ECLI:NL:PHR:2019:702.
ECLI:NL:RVS:2014:4129
201311752/1/A3. Datum uitspraak: 19 november 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 december 2013 in zaak nr. 13/4146 in het geding tussen: [appellante] en de minister van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 22 februari 2013 heeft de minister een door [appellante] ingediend verzoek om openbaarmaking van stukken betreffende een aan haar opgelegde verkeersboete, geweigerd te behandelen. [appellante] heeft daartegen bezwaar gemaakt.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Belastingrecht zaaknummers: AWB 21/81 en 21/82 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van in de zaken tussen [opposant] , te [vestigingsplaats] , opposant (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de inspecteur van de Belastingdienst, Backoffice BPM, inspecteur. Behandeling van het verzet Bij uitspraken van 26 oktober 2021 (AWB 21/81) en 4 november 2021 (AWB 21/82) heeft de rechtbank het beroep van opposant met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaard.

Hiertegen heeft opposant tijdig verzet ingesteld als bedoeld in artikel 8:55, eerste lid, van de Awb. Opposant is in de gelegenheid gesteld over het verzet te worden gehoord. Bij beslissing van 7 september 2022 is de toenmalige gemachtigde [naam] als gemachtigde geweigerd. De rechtbank heeft het verzet behandeld ter zitting van 7 december 2022. Namens opposant is gemachtigde, bijgestaan door [persoon A] verschenen. Namens de inspecteur zijn [persoon B] en [persoon C] verschenen. Beoordeling van het verzet 1. Bij de uitspraken waartegen verzet is gedaan heeft de rechtbank de beroepen niet-ontvankelijk verklaard, omdat ondanks daartoe te zijn herinnerd het griffierecht niet is voldaan.

2. In een verzetprocedure dient enkel de vraag te worden beantwoord of de rechtbank zonder zitting de uitspraak heeft kunnen doen dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk was, dat wil zeggen zonder dat daarover in redelijkheid twijfel mogelijk was, waarbij rekening wordt gehouden met de gronden die in verzet zijn aangevoerd.

3. In verzet stelt opposant, kort weergegeven, dat het voorafgaand aan een procedure bij de rechtbank heffen van griffierecht in strijd is met het Unierecht.

4. De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 11 oktober 2019 geoordeeld dat in het algemeen kan worden aangenomen dat de in Nederland bestaande regeling over heffing van griffierecht de toegang tot de rechter niet onmogelijk maakt en dat een rechtzoekende bij de rechter een beroep op betalingsonmacht kan doen als heffing van griffierecht het voor hem onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang.

5. De rechtbank heeft ter zitting opposant gevraagd of hij bekend is met deze jurisprudentie van de Hoge Raad. De gemachtigde van opposant heeft verklaard daarmee bekend te zijn, maar desondanks te volharden in het instellen van verzet in gevallen als deze omdat zij het niet eens is met deze jurisprudentie.

6. De rechtbank stelt daarnaast ambtshalve vast dat de (voormalig) gemachtigde van opposant stelselmatig in verzet komt van uitspraken waarbij een beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat het griffierecht niet is voldaan, waarbij die verzetten stelselmatig ongegrond worden verklaard met een verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 11 oktober 2019.

7. Van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht is sprake als op grond van bijzondere omstandigheden kan worden vastgesteld dat ten tijde van het instellen van het rechtsmiddel voor de belanghebbende evident was dat van het rechtsmiddel geen positief resultaat was te verwachten. De rechtbank is van oordeel dat de (voormalig) gemachtigde van opposant weet dat de ingestelde verzetten in dit soort zaken evident kansloos zijn, gegeven de uitspraak van de Hoge Raad van 11 oktober 2019 en omdat hij geen redenen geeft waarom het griffierecht niet (tijdig) is voldaan en evenmin een beroep op betalingsonmacht heeft gedaan. Daarom is het doen van verzet in dit geval een onredelijk gebruik van procesrecht. Het evident afwezig zijn van een redelijk doel bij het (herhaaldelijk) instellen van het rechtsmiddel in vele identieke procedures en de belasting die dat meebrengt voor de rechtbank weegt dan zwaarder dan het zwaarwegende belang van rechtsbescherming dat wordt gediend met het bestaan van dat rechtsmiddel.

8. Als het instellen van een rechtsmiddel, zoals in dit geval het doen van verzet, een kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht vormt, is sprake van misbruik van procesrecht als bedoeld in artikel 3:13, gelezen in verbinding met artikel 3:15 van het Burgerlijk Wetboek. In dat geval is het rechtsmiddel onbevoegd ingesteld en wordt dat niet inhoudelijk behandeld. Het verzet wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard.

9. Opposant heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens het overschrijden van de redelijke termijn voor berechting als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

10. Het bezwaar in de zaak AWB 21/81 is ontvangen op 19 maart 2019, zodat de redelijke termijn van in beginsel twee jaar is overschreden. Dit was ook al het geval ten tijde van de uitspraak van 26 oktober 2021 waartegen het verzet is gericht. Het bezwaar was gericht tegen een rentebeschikking van € 3. Gelet hierop is het financieel belang van deze zaak zodanig gering dat de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden volstaat als genoegdoening.

11. Het bezwaar in de zaak AWB 21/82 is ontvangen op 19 maart 2019, zodat de redelijke termijn van in beginsel twee jaar is overschreden. Dit was ook al het geval ten tijde van de uitspraak van 4 november 2021 waartegen het verzet is gericht. Het bezwaar was gericht tegen een rentebeschikking van € 5. Gelet hierop is het financieel belang van deze zaak zodanig gering dat de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden volstaat als genoegdoening. Beslissing De rechtbank: verklaart het verzet niet-ontvankelijk; wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.W. van de Sande, rechter, in tegenwoordigheid van mr. E.P. Speksnijder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Bij het instellen van beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is ingesteld; d. de gronden van het beroep in cassatie.

ECLI:NL:HR:2019:1579. ABRvS 20 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR2299, CRvB 16 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO9060, CRvB 8 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH0299, en vgl. Conclusie IJzerman 29 mei 2019, ECLI:NL:PHR:2019:702. ABRvS 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129.