Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBGEL:2023:2001 ECLI:NL:RBGEL:2023:2001 AI generated

ECLI:NL:RBGEL:2023:2001 · Rechtbank Gelderland

Case Number ECLI:NL:RBGEL:2023:2001
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

hij op of omstreeks 26 maart 2022 te Arnhem [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een tak en/of stok, althans een gelijkend voorwerp, boven zijn hoofd in de richting van/naar voornoemde slachtoffers te lopen en/of hierbij dreigend de woorden toe te voegen 'jullie zijn ongelovigen, jullie zijn nepmoslims, jullie verdienen het niet om te leven', althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Legislator headnote

AI generated

artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht; ECLI:NL:RBGEL:2023:2001 · Rechtbank Gelderland: In zijn rapport schrijft psychiater Kemperman dat hij geneigd is te adviseren tot onderzoek van de mogelijkheid tot het afgeven van een zorgmachtiging op grond van artikel 2.3 van de Wet forensische zorg, omdat de nadruk ligt op het ernstige psychiatrische ziektebeeld. Uit het rapport van psycholoog Sterk volgt dat volgens hem de problematiek van verdachte goed te behandelen is met medicatie, met als gevolg dat de psychose verbleekt. Hij acht behandeling binnen het kader van een zorgmachtiging het meest geïndiceerd. Dit is een behandelmaatregel, die goed aansluit bij de problematiek van verdachte en waarbinnen hij voldoende behandeld kan worden.

Keywords

AI generated
implausible persecution claim violent offenses intimidation lawsuit police misconduct pleas in law disciplinary offence

Cited Legislation

AI generated
artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht
Daarbij biedt artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht geen wettelijke basis voor het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel in het geval dat verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging.
artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek
Smartengeld Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen meerdere van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt.
artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHAMS:2021:1217
afdeling strafrecht parketnummer: 23-003581-17 datum uitspraak: 28 april 2021 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 6 oktober 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-800233-17 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986, adres: [adres]. Procesgang De rechtbank heeft de verdachte bij vonnis van 6 oktober 2017 het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde bewezenverklaard, het bewezenverklaarde niet strafbaar verklaard en de verdachte daarvoor ontslagen van alle rechtsvervolging. Voorts is de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis opgelegd. Het openbaar ministerie heeft tegen dat vonnis op 11 oktober 2017 hoger beroep ingesteld. Tijdens het proces zijn verschillende rapportages met betrekking tot de persoon van de verdachte uitgebracht. In hoger beroep is de verdachte nader onderzocht door deskundigen van het NIFP in het Pieter Baan Centrum. De deskundigen [naam 1], psychiater en [naam 2], psycholoog hebben over haar gerapporteerd in een rapport van 12 november 2019 en aanvullend in een rapport van 22 december 2020. In het PBC-rapport van 12 november 2019 is onder meer geadviseerd tot oplegging van de maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging. Dit advies wordt door de deskundigen in het aanvullend PBC-rapport van 22 december 2020 vanwege positieve ontwikkelingen niet langer gehandhaafd. In dat rapport wordt wel nog steeds een behandeling in een gedwongen kader geadviseerd. Volgens de deskundigen zou een zorgmachtiging in het kader van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) op zijn plaats zijn. Op de pro-formazitting van het hof van 11 januari 2021 heeft de advocaat-generaal vervolgens aangegeven een verzoekschrift zorgmachtiging met toepassing van artikel 2.3 van de Wet forensische zorg (Wfz) voor te bereiden, in aanloop naar de inhoudelijke behandeling van de strafzaak. Op 7 april 2021 is dit verzoekschrift geregistreerd bij de rechtbank Amsterdam. Het verzoekschrift is op 14 april 2021 gelijktijdig behandeld met de onderhavige zaak. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 april 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1. primairzij op of omstreeks 15 juni 2017 te Zaandam, gemeente Zaanstad, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk van het leven te beroven, (meermalen) met een mes en/of een schroevendraaier stekende en/of zwaaiende beweging(en) heeft gemaakt in en/of in de richting van de borst en/of het gezicht en/of de nek/hals en/of de arm(en) en/of andere deel/delen van het lichaam van die [benadeelde], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 1. subsidiairzij op of omstreeks 15 juni 2017 te Zaandam, gemeente Zaanstad, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (meermalen) met een mes en/of een schroevendraaier stekende en/of zwaaiende beweging(en) heeft gemaakt in en/of in de richting van de borst en/of het gezicht en/of de nek/hals en/of de arm(en) en/of andere deel/delen van het lichaam van die [benadeelde], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2.zij op of omstreeks 15 juni 2017 te Zaandam, gemeente Zaanstad, [benadeelde] heeft mishandeld door die [benadeelde] in diens (rechter) bovenarm te bijten. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank. Vrijspraak feit 1, primair Met de advocaat-generaal en de raadsman is het hof, evenals de rechtbank, van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is hetgeen de verdachte onder 1 primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Bewezenverklaring feit 1 subsidiair en feit 2 Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1. zij op 15 juni 2017 te Zaandam, gemeente Zaanstad, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen met een mes en een schroevendraaier stekende en/of zwaaiende bewegingen heeft gemaakt in en/of in de richting van de borst en/of het gezicht en/of de nek/hals en/of de arm(en) van [benadeelde], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2.zij op 15 juni 2017 te Zaandam, gemeente Zaanstad, [benadeelde] heeft mishandeld door [benadeelde] in diens rechter bovenarm te bijten. Hetgeen onder 1 subsidiair en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde levert op: poging tot zware mishandeling. Het onder 2 bewezenverklaarde levert op: mishandeling. Strafbaarheid van de verdachte De advocaat-generaal en de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging op grond van de conclusies van de verschillende pro Justitia-rapporten die zich in het strafdossier bevinden. Het hof overweegt als volgt. In het hierboven genoemde PBC rapport van [naam 1] en [naam 2] van 12 november 2019 is geconcludeerd dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde leed aan, kortgezegd, een ziekelijke stoornis en zij psychotisch was, hetgeen zich uitte in waandenkbeelden die haar gedachten domineerden, waardoor zij niet meer in staat was haar keuzes in vrijheid te maken. Haar motief tot het begaan van de tenlastegelegde feiten (indien bewezen) was psychotisch ingegeven en zij had geen corrigerend vermogen meer op haar denken en daaruit vloeiende handelen. De bewezenverklaarde feiten kunnen haar dan ook volgens de deskundigen niet worden toegerekend. Het hof neemt deze, deugdelijk onderbouwde, conclusies over en maakt deze tot de zijne. Dit betekent dat voor het hof vast staat dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, ten gevolge waarvan die feiten haar niet kunnen worden toegerekend. Daarmee is de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde niet strafbaar en dient zij te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Beslag Het onder 1 subsidiair tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met behulp van de hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen. Deze voorwerpen zullen aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.182,18, bestaande uit € 82,18 aan materiële schade en € 1.100,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij heeft zich op 18 juni 2019 opnieuw gevoegd in hoger beroep. De advocaat-generaal heeft op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij ontvankelijk is in de vordering, ook al zou overeenkomstig zijn vordering geen straf of maatregel worden opgelegd, indien het hof met de te verlenen zorgmachtiging een equivalent nastreeft van de in eerste aanleg aan de verdachte opgelegde – en inmiddels vervallen – maatregel van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Daarbij gaat de advocaat-generaal er van uit dat de wetgever door de invoering van de zorgmachtiging niet heeft bedoeld een wijziging ten nadele aan te brengen in de positie van de benadeelde partij. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering geheel moet worden toegewezen. Ook de raadsman heeft bepleit dat de schade van de benadeelde partij moet worden voldaan, op de wijze zoals voorgesteld door de advocaat-generaal, als dit mogelijk is. In het geval dat het hof tot het oordeel komt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering, heeft de raadsman toegezegd dat alsnog geregeld zal worden dat de schade wordt vergoed. Ontvankelijkheid benadeelde partij In artikel 361, tweede lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is bepaald dat een benadeelde partij alleen ontvankelijk zal zijn in haar vordering indien de verdachte enige straf of maatregel wordt opgelegd, of indien toepassing wordt gegeven aan artikel 9a Sr. In het onderhavige geval wordt de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging. Het hof stelt voorop dat uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt dat zij de onder 1, subsidiair en 2 bedoelde strafbare feiten heeft begaan. In het onderhavige geval wordt de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging en voorts wordt de maatregel van onttrekking aan het verkeer van enkele voorwerpen gelast. Het hof heeft bij afzonderlijke beschikking van heden een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 2.3 Wfz verleend. Dit werpt de vraag op of onder “maatregel” in de zin van artikel 361, tweede lid, onder a, Sv ook is begrepen een door het hof bij afzonderlijke beschikking afgegeven zorgmachtiging op grond van artikel 2.3 Wfz. Hierover overweegt het hof als volgt. Op 1 januari 2020 is artikel 37 Sr komen te vervallen. Met ingang van diezelfde datum is de Wfz in werking getreden. Met het afgeven van een zorgmachtiging door de strafrechter wordt in een geval als het onderhavige hetzelfde doel nagestreefd als met de maatregel van een opname in een psychiatrisch ziekenhuis als bedoeld in het vervallen artikel 37 Sr, namelijk er voor zorgen dat de verdachte verplichte zorg krijgt, waardoor het risico van gevaar voor de (algemene) veiligheid van personen of goederen wordt afgewend. Artikel 2.3, eerste lid, Wfz bepaalt ook uitdrukkelijk dat de machtiging krachtens de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, zoals die ook in het kader van dit strafproces bij aparte beslissing betreffende de verdachte is afgegeven, een bevoegdheid betreft in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. Met de mogelijkheid tot het instellen van een vordering door benadeelde partijen heeft de wetgever beoogd binnen het strafproces te voorzien in – kort gezegd – een eenvoudige en laagdrempelige procedure die ertoe leidt dat personen die schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit zoveel mogelijk schadeloos worden gesteld. Het heeft er alle schijn van dat de wetgever bij het realiseren van voornoemde wetswijzigingen niet ook steeds de positie van de benadeelde partij in het oog heeft gehouden. Dit vermoeden wordt versterkt door de omstandigheid dat, ook na 1 januari 2020, het inmiddels vervallen artikel 37 Sr nog steeds wordt vermeld in artikel 36f Sr. Het hof gaat er van uit dat de wetgever door de invoering van de zorgmachtiging niet heeft bedoeld een wijziging ten nadele aan te brengen in de positie van de benadeelde partij. Omdat het hof gelet op het hiervoor overwogene met het afgeven van de zorgmachtiging een equivalent van het vervallen artikel 37 Sr heeft verstrekt, is het van oordeel dat de benadeelde partij ontvankelijk is in haar vordering en het hof ook een schadevergoedingsmaatregel kan opleggen. Het hof merkt nog op dat gelet op de verwevenheid van procedures, zoals die ook tot uitdrukking komt in het voorgaande, en de tekst van artikel 2.3 Wfz naar het oordeel van het hof aan het voorgaande niet afdoet dat sprake is van twee afzonderlijke procedures, een strafrechtelijke, onderscheidenlijk civielrechtelijke procedure en de uitkomst van die laatste nog niet onherroepelijk is. Toewijzing vordering van de benadeelde partij Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen. Met betrekking tot de immateriële schade overweegt het hof als volgt. De begroting van de omvang van de immateriële schade is voorbehouden aan de rechter, die daarbij niet is gebonden aan de gewone regels voor stelplicht en bewijslast van het civiele recht. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid vaststellen op € 1.100,00. Daarbij is in het bijzonder gelet op genoemde aard en de ernst van de normschending, het toegebrachte letsel en de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters is toegekend. Met betrekking tot de materiële schade overweegt het hof als volgt. Het hof is van oordeel dat de gehele gevorderde materiële schade in aanmerking komt voor vergoeding. De schadeposten van het eigen risico van de ziektekostenverzekering (€ 57,18) en van het T-shirt (€ 25,00) zijn voldoende onderbouwd en door de verdediging niet betwist. Het hof zal daarom ook dit deel van de vordering toewijzen. De toe te wijzen bedragen zullen - als gevorderd - worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna te noemen wijze. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld, verklaart de verdachte niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging. Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: 1.00 STK Mes aardappel (766781). 1.00 STK Schroevendraaier kleur: zwart (766780). Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 subsidiair, 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.182,18 (duizend honderdtweeëntachtig euro en achttien cent) bestaande uit € 82,18 (tweeëntachtig euro en achttien cent) materiële schade en € 1.100,00 (duizend honderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.182,18 (duizend honderdtweeëntachtig euro en achttien cent) bestaande uit € 82,18 (tweeëntachtig euro en achttien cent) materiële schade en € 1.100,00 (duizend honderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 21 (eenentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 15 juni 2017. Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. H.A. van Eijk en mr. R.A.E. van Noort, in tegenwoordigheid van R.J. den Arend, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 28 april 2021. De voorzitter is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. ========================================================================= […]
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Zutphen Parketnummer: 05/075321-22 Datum uitspraak : 11 april 2023 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1992 in [geboorteplaats] , zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, op dit moment gedetineerd in de P.I. Vught, PPC. Raadsman: mr. D. Kotterman, advocaat in Arnhem. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 26 maart 2022 te Arnhem [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een tak en/of stok, althans een gelijkend voorwerp, boven zijn hoofd in de richting van/naar voornoemde slachtoffers te lopen en/of hierbij dreigend de woorden toe te voegen 'jullie zijn ongelovigen, jullie zijn nepmoslims, jullie verdienen het niet om te leven', althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2. hij op of omstreeks 26 maart 2022 te Arnhem [slachtoffer 2] heeft mishandeld door in/op het gezicht, althans het lichaam, van deze [slachtoffer 2] te spugen; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 26 maart 2022 te Arnhem opzettelijk [slachtoffer 2] , in zijn tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door in/op het gezicht, althans het lichaam, van deze [slachtoffer 2] te spugen;

3. hij op of omstreeks 26 maart 2022 te Arnhem [slachtoffer 1] heeft mishandeld door deze [slachtoffer 1] een of meerdere malen met een tak en/of stok, althans gelijkend voorwerp, te slaan op/tegen het been, althans het lichaam;

4. hij op of omstreeks 26 maart 2022 te Arnhem opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere fietsen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield en/of beschadigd.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 1, feit 2 subsidiair, feit 3 en feit 4. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat het onder feit 2 primair tenlastegelegde niet kan worden bewezen. Wat betreft de feiten 1, 2 subsidiair, 3 en 4 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. Op de zitting heeft verdachte verklaard dat hij niet heeft gezegd dat benadeelde partijen nepmoslims zijn.

Hij heeft een fiets weggeduwd, maar geen fiets of persoon geslagen. Beoordeling door de rechtbank Ten aanzien van feit 1 Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij op 26 maart 2022 in het Sonsbeekpark in Arnhem fietste met zijn vrouw. Er kwam al schreeuwend een man op hen afgelopen. Hij had een flinke tak of stok in zijn hand en hield deze hoog boven zich. Hij kwam er dreigend mee op hen af lopen. Aangever hoorde hem in het Arabisch schreeuwen: “Jullie zijn ongelovigen. Jullie zijn nepmoslims. Jullie verdienen het niet om te leven”. Hij kwam zo dichtbij dat aangever hem van zich weg wilde trappen.

De man sloeg met de stok op zijn fiets. Aangever schrok van de grootte van de stok. De man sloeg opnieuw op de fiets van aangever. Ook sloeg hij op de fiets van de vrouw van aangever. Aangever is ervan overtuigd dat de man hen wilde slaan. Aangeefster [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij zag dat de man echt een grote stok in zijn hand had. Zij maakte zich enorme zorgen om haar man. Zij wist niet wat er ging gebeuren. Zij zag dat de man met de stok diverse malen in de richting van haar en haar man sloeg. Zij hoorde de man schreeuwen: “Jullie zijn ongelovigen.

Jullie zijn nepmoslims. Jullie verdienen het niet om te leven.” Zij was bang en ontzettend verbijsterd. Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij zag dat een man al schreeuwend op een fietsende man en vrouw afliep met de stok in zijn hand. Getuige zag dat hij slaande bewegingen maakte en dat de man (de rechtbank begrijpt: aangever) zich moest afweren. Getuige heeft gezien dat hij (de rechtbank begrijpt: verdachte) op beide fietsen heeft geslagen. Getuige zag dat de man en vrouw (de rechtbank begrijpt: aangevers) afstapten en dat de man de slaande man probeerde van zich af te houden.

Hij hoorde hem (de rechtbank begrijpt: verdachte) in een buitenlandse taal schreeuwen. Verbalisanten hebben verdachte op 26 maart 2022 ter hoogte van de ingang van het Sonsbeekpark in Arnhem aangehouden met een stok in zijn hand. Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangevers heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht, door met een stok boven zijn hoofd in de richting van aangevers te lopen en daarbij de woorden toe te voegen: ‘jullie zijn nepmoslims, jullie verdienen het niet om te leven’.

Ten aanzien van feit 2 Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat de man met de stok hem ook in het gezicht heeft gespuugd. Aangever heeft verklaard: “Ik voelde me heel erg beledigd, iedereen heeft dit gezien, dat ik in mijn gezicht ben gespuugd. Ik vond het heel vernederend overkomen. Ook nu met Corona in deze tijd. Je weet nooit of je het op die manier kan krijgen. Ik vind het heel erg wat ons overkomen is. Eerlijk gezegd ik ben nog steeds in shock dat ons dit overkomen is.” Op de zitting heeft verdachte verklaard dat hij heeft gespuugd om de man (de rechtbank begrijpt: aangever) op afstand te houden.

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan niet alleen het veroorzaken van pijn, maar ook het bij een ander teweegbrengen van ‘min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwordingen in of aan het lichaam’ onder omstandigheden mishandeling opleveren. Naar het oordeel van de rechtbank kan in zijn algemeenheid worden aangenomen dat bespuugd worden, zeker in het gezicht, onaangenaam is. Dat dit voor aangever in dit geval ook zo was volgt uit zijn verklaring. Dat hier sprake is geweest van een hevig onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam blijkt daaruit echter onvoldoende.

Verdachte zal daarom van het onder feit 2 primair tenlastegelegde worden vrijgesproken. Wel acht de rechtbank op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] heeft beledigd door deze in het gezicht te spugen, zoals tenlastegelegd onder feit 2 subsidiair. Ten aanzien van feit 3 Aangeefster [slachtoffer 1] heeft verklaard dat de man op haar fiets sloeg en daarbij haar rechter kuit raakte. Zij voelde op dat moment pijn in haar rechter kuit. Zij heeft daar een rode plek van. Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat de man op de fiets van zijn vrouw sloeg en zijn vrouw op haar been is geraakt.

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] heeft mishandeld door haar met een stok te slaan tegen het been. Ten aanzien van feit 4 Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat de man met een stok op zijn fiets en de fiets van zijn vrouw heeft geslagen. Aangever heeft schade aan zijn nieuwe mountainbike: “- slag in het achterwiel - lakschade (krassen) op het frame ter hoogte van het achterwiel - Op de band zijn duidelijk afdrukken te zien van het groene van de tak” De schade aan de fiets van zijn vrouw:

“- een gesp van de fietstas is door midden gebroken”. Aangeefster [slachtoffer 1] heeft verklaard dat een man op de fiets van haar en haar man heeft geslagen. Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk en wederrechtelijk de fietsen van aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft beschadigd.

3De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 subsidiair, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1. hij op of omstreeks 26 maart 2022 te Arnhem [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een tak en/of stok, althans een gelijkend voorwerp, boven zijn hoofd in de richting van/naar voornoemde slachtoffers te lopen en/of hun hierbij dreigend de woorden toe te voegen 'jullie zijn ongelovigen, jullie zijn nepmoslims, jullie verdienen het niet om te leven', althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2. hij op of omstreeks 26 maart 2022 te Arnhem opzettelijk [slachtoffer 2] , in zijn tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door in/op het gezicht, althans het lichaam, van deze [slachtoffer 2] te spugen;

3. hij op of omstreeks 26 maart 2022 te Arnhem [slachtoffer 1] heeft mishandeld door deze [slachtoffer 1] een maal of meerdere malen met een tak en/of stok, althans gelijkend voorwerp, te slaan op/tegen het been, althans het lichaam;

4. hij op of omstreeks 26 maart 2022 te Arnhem opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere fietsen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield en/of beschadigd. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op: feit 1: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht feit 2 subsidiair: eenvoudige belediging feit 3: mishandeling feit 4: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen 5De strafbaarheid van de feiten De feiten zijn strafbaar.

6De strafbaarheid van de verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van het Pro Justitiarapport van psycholoog R.A. Sterk van 16 november 2022 en het Pro Justitiarapport van psychiater C.J.F. Kemperman van 17 oktober 2022. Sterk heeft in het rapport opgeschreven dat er bij verdachte sprake is van schizofrenie en een lichte stoornis in cannabisgebruik. Ten tijde van het tenlastegelegde was sprake van de ziekte schizofrenie. Op het cannabisgebruik ten tijde van het tenlastegelegde is geen goed zicht verkregen. Sterk acht sprake van een volledig en rechtstreeks verband tussen de geconstateerde psychische problematiek en de tenlastegelegde feiten.

Verdachte was als gevolg van de geconstateerde psychische problematiek in het geheel niet in staat om zijn wil in vrijheid te bepalen. Geadviseerd wordt om de tenlastegelegde feiten verdachte in het geheel niet toe te rekenen. Kemperman heeft in het rapport opgeschreven dat er bij verdachte sprake is van een floride psychotisch beeld dat in ernst kan wisselen en het beste beschreven kan worden als schizofrenie. Ook ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde kan men uitgaan van een ernstig psychotisch beeld. Hij wordt als destijds ernstig in de war beschreven.

Dit beïnvloedde verdachtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde. Ten aanzien van de toerekening schrijft Kemperman het volgende. “Als men de voormelde diagnostische overwegingen beziet ten tijde van het tenlastegelegde, ziet men in het delictgedrag een duidelijke relatie met de stoornis. Geadviseerd wordt betrokkene de diverse tenlasteleggingen – mits bewezen verklaard – op een driepuntschaal conform de richtlijn van de NVvP (toerekenen – in verminderde mate toerekenen – niet toerekenen) in een verminderde mate toe te rekenen.

Dat het hem niet zou kunnen worden toegerekend, zou ook een mogelijkheid zijn, maar om dat nu te stellen zou ik wel veel beter met hem over het tenlastegelegde willen praten, maar het probleem is dat hij het ontkent, of in ieder geval tot een bagatel reduceert.” De rechtbank neemt de conclusies ten aanzien van de psychische stoornis uit beide rapporten over. De rechtbank begrijpt uit het rapport van Kemperman dat hij de mogelijkheid ziet dat verdachte ten tijde van de tenlastegelegde feiten volledig ontoerekeningsvatbaar was. Dit bezien in samenhang met het advies in het rapport van Sterk om verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar te achten, is voor de rechtbank reden om te oordelen dat verdachte tijdens het plegen van de bewezenverklaarde feiten volledig heeft gehandeld onder invloed van zijn stoornis.

Het bewezenverklaarde kan daarom niet aan verdachte worden toegerekend. Verdachte is dus niet strafbaar en wordt ontslagen van alle rechtsvervolging. 7De overwegingen ten aanzien van een maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel terbeschikkingstelling (tbs) met voorwaarden wordt opgelegd die dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat in plaats van oplegging van de tbs-maatregel aan verdachte een zorgmachtiging moet worden afgegeven.

De beoordeling door de rechtbank Nu verdachte niet strafbaar wordt geacht, en om die reden zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of aan verdachte een maatregel moet worden opgelegd. De reclassering adviseert in het advies van 17 maart 2023 negatief over tbs met voorwaarden. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met voorwaarden de risico’s te beperken of het gedrag afdoende te veranderen. Gezien het hoge recidiverisico, het beperkte ziektebesef en inzicht, de cognitieve beperkingen en de inschatting dat verdachte vanuit de persisterende psychotische overtuigingen niet in staat wordt geacht tot het doorgronden en nakomen van afspraken/voorwaarden, acht de reclassering de kans op onttrekking aan de voorwaarden en daaropvolgend een advies tot omzetting naar dwangverpleging groot.

Daarbij speelt ook de taalbarrière een rol en is nog onduidelijk welke invloed een veroordeling zal hebben op de tijdelijke verblijfstatus van verdachte. De reclassering concludeert dat een tbs met voorwaarden technisch uitvoerbaar is, maar blijft bij een negatief advies vanwege een te groot afbreukrisico. Op de zitting is door de deskundige van de reclassering toegelicht dat er voor verdachte een plek vrij is bij Kompas in Wolfheze, ongeacht de titel (een tbs-maatregel of een zorgmachtiging). Volgens de deskundige is verdachte voornamelijk een zorgpatiënt, die gebaat is bij zorg en altijd zorg nodig zal hebben.

In zijn rapport schrijft psychiater Kemperman dat hij geneigd is te adviseren tot onderzoek van de mogelijkheid tot het afgeven van een zorgmachtiging op grond van artikel 2.3 van de Wet forensische zorg, omdat de nadruk ligt op het ernstige psychiatrische ziektebeeld. Uit het rapport van psycholoog Sterk volgt dat volgens hem de problematiek van verdachte goed te behandelen is met medicatie, met als gevolg dat de psychose verbleekt. Hij acht behandeling binnen het kader van een zorgmachtiging het meest geïndiceerd. Dit is een behandelmaatregel, die goed aansluit bij de problematiek van verdachte en waarbinnen hij voldoende behandeld kan worden.

De rechtbank overweegt dat uit het reclasseringsadvies en de toelichting van de deskundige ter zitting volgt dat een tbs-maatregel zoals geëist zeer waarschijnlijk niet effectief zal zijn. Daarvoor zijn te veel contra-indicaties aanwezig: er is geen of beperkt ziektebesef en -inzicht, er zijn cognitieve beperkingen, er is sprake van persisterende psychotische overtuigingen, verdachte is niet in staat tot het doorgronden en nakomen van afspraken/voorwaarden en er is een forse taalbarrière. De rapporten van de psychiater en psycholoog onderschrijven dit.

De rechtbank ziet gelet op alle uitgebrachte adviezen en de toelichting van de deskundige op de terechtzitting geen reden om aan verdachte de maatregel tbs met voorwaarden op te leggen. Tbs met dwangverpleging is gelet op de uitgebrachte adviezen evenmin aan de orde. Aan verdachte zal in de zaak met rekestnummer C/05/416978/FZRK23/933, welk rekest tegelijkertijd met de onderhavige strafzaak is behandeld, een zorgmachtiging op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Wet forensische zorg worden verleend.

8De beoordeling van de civiele vorderingen

De civiele vordering van [slachtoffer 2] De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in verband met feiten 1, 2 en 4 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.513,91 aan materiële schade en € 250 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Ook is € 29,62 aan reis- en telefoonkosten gevorderd. Standpunten De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de schadevergoedingsmaatregel moet worden afgewezen, omdat de onrechtmatige daad niet aan verdachte kan worden toegerekend. Daarbij biedt artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht geen wettelijke basis voor het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel in het geval dat verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging. Overweging van de rechtbank Materiële schade Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.

De rechtbank overweegt dat de schadeposten niet inhoudelijk zijn betwist. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft de schade aan de fiets en het gederfde inkomen tot een hoogte van € 1.513,91 kan worden toegewezen. Smartengeld Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen meerdere van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt.

Door benadeelde te bedreigen en hem in het gezicht te spugen is de benadeelde op andere wijze in de persoon aangetast. Benadeelde had na het bewezenverklaarde last van angstgevoelens, herbelevingen, stress en door het spugen in zijn gezicht voelde benadeelde zich vies en diep beledigd. Dit is naar civiel recht aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van de feiten en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 250 vaststellen.

Verdachte is vanaf 26 maart 2022 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd. Proceskosten De rechtbank merkt de reis- en telefoonkosten van in totaal € 29,62 aan als proceskosten en zal deze toewijzen. Schadevergoedingsmaatregel Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel overweegt de rechtbank dat nu zij met het afgeven van een zorgmachtiging een equivalent van het vervallen artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht heeft verstrekt, zij ook een schadevergoedingsmaatregel op grond van artikel 36f van het wetboek van Strafrecht kan opleggen (vergelijk het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 28 april 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1217).

De rechtbank ziet aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen. De civiele vordering van [slachtoffer 1] De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in verband met feiten 1, 3 en 4 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 308,21 aan materiële schade en € 500 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Ook is € 25 aan telefoonkosten gevorderd. Standpunten De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de schadevergoedingsmaatregel moet worden afgewezen, omdat de onrechtmatige daad niet aan verdachte kan worden toegerekend. Daarbij biedt artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht geen wettelijke basis voor het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel in het geval dat verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging.

Overweging van de rechtbank Materiële schade Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank overweegt dat de schadeposten niet inhoudelijk zijn betwist. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft de schade aan de fiets tot een hoogte van € 308,21 kan worden toegewezen. Smartengeld Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen meerdere van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt.

Door benadeelde te bedreigen en haar met een stok op haar been te slaan en heeft de benadeelde immers lichamelijk letsel opgelopen en is de benadeelde op andere wijze in de persoon aangetast. Benadeelde heeft sinds het bewezenverklaarde last van angstgevoelens en herbelevingen waarvoor begeleiding vanuit Slachtofferhulp niet voldoende bleek en zij bij de huisarts is geweest. Dit is naar civiel recht aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van de feiten en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen.

Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 500 vaststellen. Verdachte is vanaf 26 maart 2022 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd. Proceskosten De rechtbank merkt de reis- en telefoonkosten van in totaal € 25 aan als proceskosten en zal deze toewijzen. Schadevergoedingsmaatregel De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Zij verwijst daartoe naar hetgeen hiervoor is overwogen m.b.t. de toepassing van de schadevergoedingsmaatregel bij benadeelde [slachtoffer 2] .

Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen. 9De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 05/159380-20) De politierechter van de rechtbank Gelderland heeft verdachte op 8 februari 2021 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 7 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie heeft verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging van die straf af te wijzen. De raadsman heeft bepleit dat de vordering tot tenuitvoerlegging wordt afgewezen.

Verdachte heeft zich voor het einde van de proeftijd schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. Gelet op het feit dat de rechtbank verdachte ontslaat van alle rechtsvervolging en aan verdachte een zorgmachtiging heeft verleend, acht de rechtbank de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf niet opportuun en zal zij de vordering afwijzen. 10De beslissing De rechtbank:  verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;  verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;  verklaart verdachte niet strafbaar voor het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde en ontslaat verdachte voor deze feiten van alle rechtsvervolging; veroordeelt verdachte in verband met het feit onder nummer 1, 2 en 4 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 1.513,91 aan materiële schade en € 250 aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2022 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald; veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op € 29,62; legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 2] , een bedrag te betalen van € 1.763,91 aan materiële schade/smartengeld.

Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2022 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 27 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt; bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd; veroordeelt verdachte in verband met het feit onder nummer 1, 3 en 4 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 308,21 aan materiële schade en € 500 aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2022 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald; veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op € 25; legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 1] , een bedrag te betalen van € 808,21 aan materiële schade/smartengeld.

Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2022 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 16 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt; bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;  wijst de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter van 8 februari 2021 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf af (parketnummer 05/159380-20);

 heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop verdachte in het kader van de zorgmachtiging geplaatst wordt in een kliniek van Pro Persona Pompestichting of een andere GGZ-instelling. Dit vonnis is gewezen door mr. E.H.T. Rademaker (voorzitter), mr. P.J.C. Cremers en mr. E.S.M. van Bergen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.I. Tuk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 april 2023. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door H.F. Stipkes van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2022132686, gesloten op 28 maart 2022 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld.

De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] , p.

16. Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] , p.

32. Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p.

34. Proces-verbaal van aanhouding, p. 6 en 7. Proces-verbaal van verhoor aangever, p.

20. Verklaring van verdachte op de zitting van 28 maart 2023. Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] , p. 32 en 33. Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] , p.

16. Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] , p. 16 en 17. Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] , p. 33.