Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBGEL:2022:902 ECLI:NL:RBGEL:2022:902 AI generated

ECLI:NL:RBGEL:2022:902 · Rechtbank Gelderland

Case Number ECLI:NL:RBGEL:2022:902
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Belastingrecht zaaknummers: AWB 21/702 en 21/1110 uitspraak van de meervoudige belastingkamer van in de zaken tussen [eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de heffingsambtenaar van Belastingcentrum Tribuut, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiseres aanslagen gemeentebelasting opgelegd voor het jaar 2020. Het aanslagbiljet met aanslagnummer 104044614 bevat een beschikking krachtens de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ), waarin de WOZ-waarde van het object [object 1] (object 1) voor het belastingjaar 2020 per waardepeildatum 1 januari 2019 is vastgesteld op € 1.088.000.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBGEL:2022:902 · Rechtbank Gelderland: De taxateur van eiseres heeft de waarde van object 1 vastgesteld op € 790.000. Volgens de toelichting ter zitting kan de Taxatiewijzer Zorg naar de mening van de taxateur wel gebruikt worden om de bouwkosten te bepalen, maar is deze niet geschikt voor het vaststellen van de restwaarde. Dit volgt volgens eiseres ook uit jurisprudentie van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 april 2018 en Gerechtshof Den Haag van 14 november 2017. Die restwaarde heeft haar taxateur bepaald op 10%. Ook betwist eiseres dat er grond is voor verlenging van de levensduur. Dit kan volgens haar alleen bij renovatie aan de orde zijn.

Keywords

AI generated
equality of rank of mortgages market value of property equalisation payment new replacement value price of land equal protection in law-making

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2020:169
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 19/03803 Datum 31 januari 2020 ARREST in de zaak van STICHTING [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente DRUTEN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 juli 2019, nr. 18/00369, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 17/3967) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Druten voor het jaar 2017 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Q] . De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:GHARL:2018:3824
bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a.
ECLI:NL:GHDHA:2017:3378
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-17/00338 Uitspraak van 14 november 2017 in het geding tussen: Stichting [X] , gevestigd te [Z] , belanghebbende, en de heffingsambtenaar van de gemeente [A] , de heffingsambtenaar, op het hoger beroep van de belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 18 januari 2017, nummer SGR 16/7123 betreffende de onder 1.1 vermelde beschikking en aanslag. Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg 1.1. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 29 februari 2016 op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (de Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2015 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [Y] te [A] (de onroerende zaak), voor het kalenderjaar 2016 vastgesteld op € 2.631.000.
ECLI:NL:GHSHE:2020:4097
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 20/00125 Uitspraak op het hoger beroep van Stichting [belanghebbende] , gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland (hierna: de rechtbank) van 26 maart 2018, nummer AWB 17/3967, in het geding tussen belanghebbende, en de heffingsambtenaar van het gemeentelijk belastingkantoor [de heffingsambtenaar] , hierna: de heffingsambtenaar. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven en daarbij de waarde van [adres] in [vestigingsplaats] (hierna: de onroerende zaak) vastgesteld (hierna: de WOZ‑beschikking). Tegelijk met de WOZ-beschikking is de aanslag onroerende zaakbelasting eigenaar (hierna: de aanslag) vastgesteld. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. 1.3. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.5. Tegen de uitspraak van de rechtbank heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Bij uitspraak van 2 juli 2019 (hierna: de uitspraak van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden) heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de uitspraak van de rechtbank bevestigd. 1.6. De uitspraak van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is op het beroep in cassatie van belanghebbende, bij arrest van de Hoge Raad van 31 januari 2020 (hierna: het verwijzingsarrest) vernietigd en verwezen naar het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch (hierna: het hof). 1.7. De heffingsambtenaar heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld door het hof, bij brief van 27 maart 2020 een conclusie op het verwijzingsarrest ingediend. Belanghebbende is door het hof in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het verwijzingsarrest en op de conclusie van de heffingsambtenaar. Belanghebbende heeft dit gedaan bij conclusie van 22 april 2020. 1.8. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de heffingsambtenaar. 1.9. De zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2020. Aan deze zitting hebben deelgenomen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende en [taxateur] (taxateur) en [heffingsambtenaar 2] namens de heffingsambtenaar. 1.10. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 1.11. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden. 2Feiten 2.1. Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak, gelegen aan de [adres] in [vestigingsplaats] . 2.2. De onroerende zaak betreft een sportcomplex met kantine, tribune, kleedruimten, kassagebouw, koffiegebouw, opslagruimte, voetbalvelden van gras en kunstgras en overige infrastructuur. Het bouwjaar van de oudste onderdelen van de onroerende zaak is 1968. De kantine is in 1981 gebouwd en in 1990 uitgebreid. Een deel van de kleedruimten dateert uit 1968 en een deel uit 2002. De opslagruimten zijn in 2002 en 2016 gebouwd. Op het terrein zijn vier voetbalvelden aanwezig. De grasvelden dateren uit 1968, de kunstgrasvelden uit 2009 respectievelijk 2014. 2.3. De totale oppervlakte van de onroerende zaak is 44.962 m². 2.4. De waarde van de onroerende zaak is door de heffingsambtenaar per de waardepeildatum 1 januari 2016 (hierna: de waardepeildatum) vastgesteld op € 1.480.000. Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak en de aanslag gehandhaafd 2.5. De heffingsambtenaar verwijst ter onderbouwing van de beschikte waarde naar een taxatierapport van 24 januari 2018, opgemaakt door [taxateur] (hierna: het rapport [taxateur] ). De onroerende zaak is door [taxateur] op 2 november 2015 inpandig en op 24 januari 2018 uitpandig opgenomen. In het rapport [taxateur] wordt de waarde van de onroerende zaak getaxeerd op € 1.513.613 (afgerond € 1.510.000). 2.6. Belanghebbende verwijst ter onderbouwing van de door haar verdedigde waarde naar een taxatierapport van 3 augustus 2017, opgemaakt door [A] (hierna: het rapport [A] ). Het rapport [A] bevat enkele foto’s van de onroerende zaak en een matrix. In het rapport [A] is de waarde van de onroerende zaak vastgesteld op € 1.349.000 en staat onder andere het volgende: “- Een pand heeft in het algemeen na de initieel bepaalde (technische) levensduur zijn restwaarde bereikt. Zulks kan anders zijn indien tussentijds een ingrijpende verbouwing of renovatie heeft plaatsgevonden. Alleen in die gevallen kan er gesproken worden over een levensduurverlenging (ECLI:NL:GHAMS:2001:AA9410 en ECLI:NL:GHAMS:2015:5017). - Bij de waardebepaling is uitgegaan van een te lange levensduur. Rekening houdend met bovenstaande zijn in de waardering de onderstaande objectonderdelen gewaardeerd op de restwaarde: - kantine 1981: afbouw en installaties - kantine 1990: installaties, afbouw heeft nog een restlevensduur van 4 jaar - was/kleedruimte 1968: afbouw en installaties, ruwbouw heeft nog een restlevensduur van 2 jaar - tribune 1972: ruwbouw, afbouw en installaties - voetbalvelden gras 1968: ruwbouw - lichtmast 1981: installaties - lichtmast 1968: installaties, ruwbouw heeft nog een restlevensduur van 2 jaar - berging/schuur 1981: afbouw en installaties - berging/schuur 1968: afbouw en installaties, ruwbouw heeft nog een restlevensduur van 2 jaar”. 3Geschil en conclusies van partijen 3.1. In geschil is of de waarde van de onroerende zaak door de heffingsambtenaar op een te hoog bedrag is vastgesteld. 3.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vermindering van de WOZ-waarde tot € 1.349.000 en tot dienovereenkomstige vermindering van de aanslag. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 3.3. Tussen partijen is niet in geschil dat: - de WOZ-waarde moet worden bepaald aan de hand van de gecorrigeerde vervangingswaarde; - moet worden uitgegaan van de Taxatiewijzer Sport; - de heffingsambtenaar voldoende rekening heeft gehouden met de aanwezigheid van asbest in de tribune. 4Gronden Ten aanzien van het geschil 4.1. Ingevolge artikel 17, lid 2, Wet WOZ, wordt de waarde bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen (de waarde in het economische verkeer). 4.2. Ingevolge artikel 17, lid 3, Wet WOZ, wordt – voor zover van belang – in afwijking in zoverre van het tweede lid de waarde van een onroerende zaak, voor zover die niet tot woning dient, bepaald op de vervangingswaarde, indien dit leidt tot een hogere waarde dan die ingevolge het tweede lid. Bij de berekening van de vervangingswaarde wordt rekening gehouden met de aard en de bestemming van de onroerende zaak en met de sedert de stichting van de onroerende zaak opgetreden technische en functionele veroudering, waarbij de invloed van latere wijzigingen in aanmerking wordt genomen. 4.3. Artikel 4, lid 2, Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet WOZ luidt: “De vervangingswaarde, bedoeld in artikel 17, derde lid, van de wet, wordt berekend door bij de waarde van de grond van de onroerende zaak op te tellen de waarde van de opstal van de onroerende zaak. De waarde van de grond wordt bepaald door middel van een methode van vergelijking als bedoeld in het eerste lid, onder a, rekening houdend met de bestemming van de zaak. De waarde van de opstal wordt gesteld op de kosten die herbouw van een vervangend identiek object zouden vergen, gecorrigeerd met een factor wegens technische veroudering gebaseerd op de verstreken en de resterende gebruiksduur en met inachtneming van de restwaarde, en gecorrigeerd met een factor wegens functionele veroudering gebaseerd op economische veroudering, verouderde bouwwijze, ondoelmatigheid en excessieve gebruikskosten.”. 4.4. In de parlementaire geschiedenis wordt over de gecorrigeerde vervangingswaarde en de correctie wegens technische veroudering het volgende opmerkt: “Onder gecorrigeerde vervangingswaarde dient te worden verstaan het offer dat nodig is om een object weer in dezelfde staat aan te schaffen of te vervaardigen, gecorrigeerd met een afschrijving wegens technische en functionele veroudering en rekening houdend met de aard en bestemming van het object. De correctie wegens technische veroudering vindt plaats op grond van de verwachte levensduur van het object en de residuwaarde die het object aan het einde van die levensduur zal hebben. Afhankelijk van een waardedaling ten gevolge van technische veroudering met een meer of minder gelijkmatig verloop, kan afschrijving plaatsvinden volgens methoden die voor het desbetreffende object het meest geëigend zijn. De afschrijving wegens functionele veroudering dient in ruime zin te worden verstaan. Hieronder valt al datgene wat men in het algemeen 'economische veroudering' noemt. Voor een nadere uiteenzetting over de functionele veroudering wordt verwezen naar Kamerstukken I 1982/83, 17 653, nr. 63a, p. 4. Bij de berekening van de vervangingswaarde wordt rekening gehouden met de technische en functionele veroudering van de zaak, welke is opgetreden sedert de stichting. De invloed van latere wijzigingen wordt mede in aanmerking genomen. Dit houdt in dat, indien door wijzigingen van de onroerende zaak de te verwachten levensduur een verlenging dan wel een verkorting ondergaat, daarmee bij de bepaling van de afschrijving rekening wordt gehouden. De mate waarin afschrijving plaatsvindt is dus niet slechts afhankelijk van een gemiddelde waardedaling per jaar op basis van de restwaarde zoals deze verondersteld werd bij de stichting van het object, maar tevens van eventuele bouwtechnische problemen dan wel verbeteringen en vernieuwingen welke zich later met betrekking tot het object voordoen.”. Kamerstukken II 1993/94, 22 885, nr. 36, p. 44. 4.5. Het verwijzingsarrest vermeldt – voor zover hier van belang – het volgende: “2.1.2 Voor het Hof was in geschil of de gecorrigeerde vervangingswaarde als bedoeld in artikel 17, lid 3, van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) van het complex per 1 januari 2016 (hierna: de peildatum), moet worden gesteld op de restwaarde. 2.2.1 Het Hof heeft als volgt geoordeeld. De gecorrigeerde vervangingswaarde gaat voor de correctie voor de technische veroudering uit van handhaving van de aard en de bestemming van de onroerende zaak die de eigenaar/gebruiker daaraan heeft gegeven. Wanneer de eigenaar/gebruiker niet langer de onroerende zaak naar zijn aard en bestemming kan gebruiken, levert deze voor hem geen nut meer op. Op dat moment eindigt de levensduur die relevant is voor het bepalen van de correctie wegens technische veroudering. De levensduur bij toepassing van de gecorrigeerde vervangingswaarde moet daarom op de peildatum worden bepaald op de periode dat de onroerende zaak nog gebruikt kan worden in overeenstemming met de aard en de bestemming die de eigenaar/gebruiker daaraan heeft gegeven, aldus het Hof. 2.2.2 Het Hof heeft geoordeeld dat de heffingsambtenaar terecht een lagere correctie voor de technische veroudering heeft toegepast dan uit de taxatiewijzer voortvloeit waardoor de waarde van het complex hoger uitkomt dan de restwaarde. Daarbij heeft het Hof onder meer acht geslagen op het bepaalde in de Taxatiewijzer Algemeen, de omstandigheid dat de taxateur de onroerende zaak in- en uitpandig heeft opgenomen en de ter zitting van het Hof getoonde foto’s van de kantine. 2.3.1 De klachten richt zich tegen het in 2.2.1 vermelde oordeel van het Hof. Zij betogen dat het Hof ten onrechte ervan is uitgegaan dat een onroerende zaak pas zijn restwaarde bereikt als die zaak niet meer als zodanig in gebruik is bij, en daardoor geen nut meer heeft voor, de eigenaar/gebruiker. De restwaarde is de waarde die de opstal heeft als die opstal nog (net) wordt gebruikt, maar dat wil niet zeggen dat het gebruik dan direct beëindigd dient te worden. De restwaarde in de taxatiewijzers is juist in het leven geroepen om een object te taxeren dat volledig is afgeschreven maar nog wel in gebruik is, aldus de klachten. 2.3.2 Het Hof heeft bij zijn oordeel terecht tot uitgangspunt genomen dat de gecorrigeerde vervangingswaarde is de waarde die de onroerende zaak voor de eigenaar/gebruiker in economisch opzicht heeft en dat deze waarde wordt gevonden door uit te gaan van de veronderstelling dat voor die zaak een markt zou zijn waarop de eigenaar/gebruiker niet alleen als verkoper zou opereren maar tevens als koper die de zaak zou willen verwerven met handhaving van aard en bestemming ervan1. 2.3.3 Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 273, lid 4, Gemeentewet, de voorganger van het huidige artikel 17, lid 3, Wet WOZ, blijkt dat voor de correctie wegens technische veroudering gekeken wordt naar de levensduur van de onroerende zaak en de restwaarde die deze zaak bij het einde van die levensduur zal hebben. Deze elementen vormen in feite de basis voor de technische afschrijving. Indien de eigenaar van een incourante onroerende zaak een juiste basis voor de afschrijving heeft gehanteerd, zou de afschrijving dan ook overeen moeten komen met de correctie wegens technische veroudering².In die parlementaire geschiedenis is geen steun te vinden voor de opvatting dat de restwaarde van een onroerende zaak niet kan worden bereikt zolang dat object nog in gebruik is bij de eigenaar/gebruiker en dezelfde functie als daarvoor vervult. Die uitleg ligt ook niet voor de hand. De gecorrigeerde vervangingswaarde strekt er toe de waarde zodanig vast te stellen dat niet meer wordt belast dan het bedrag waarvoor de eigenaar een zaak zou kunnen verwerven die voor hem hetzelfde nut oplevert als de te waarderen zaak.³ Dat sluit een waardering op restwaarde niet uit. 2.3.4 Hetgeen in 2.3.3 is overwogen neemt niet weg dat er aanleiding kan zijn voor een aanpassing van de technische afschrijving of van de restwaarde van een onroerende zaak, bijvoorbeeld indien achteraf blijkt dat de daarvoor eerder gehanteerde uitgangspunten onjuist zijn. 2.3.5 Het Hof heeft zijn oordeel dat niet van de restwaarde van (onderdelen van) het complex kan worden uitgegaan, kennelijk gebaseerd op het uitgangspunt dat die restwaarde niet kan zijn bereikt omdat het complex nog als [sportcomplex] in gebruik is. Zoals volgt uit hetgeen in 2.3.3 is overwogen berust dat uitgangspunt op een onjuiste rechtsopvatting. (…) ------------------------------------------------------------------------------------------------------ 1 vgl HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1818. 2 Kamerstukken I, 1982-1983, 17 653, nr. 63a, blz. 3. 3 zie HR 5 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:BI5433.” 4.6. Op 23 oktober 2020 heeft de Hoge Raad wederom een arrest gewezen over de correctie voor de technische veroudering en het verlengen van de technische levensduur: “2.2.2. Het Hof heeft, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 10 juli 20151, geoordeeld dat de bewijslast ter zake van de stelling dat sprake is van technische veroudering van de installaties op belanghebbende rust. (…) 2.3.2. Het middel wordt terecht voorgesteld. Op grond van artikel 17, lid 3, Wet WOZ wordt bij de berekening van de vervangingswaarde onder andere rekening gehouden met de sedert de stichting van de zaak opgetreden technische en functionele veroudering. Artikel 4, lid 2, Uitvoeringsregeling Wet WOZ bepaalt dat de technische veroudering is gebaseerd op de verstreken en resterende gebruiksduur en de restwaarde van de onroerende zaak. Aangezien de onroerende zaak en daarvan onderdeel uitmakende installaties op de waardepeildatum ongeveer 19 jaar oud waren, vloeit uit het systeem van de wet voort dat bij het bepalen van de vervangingswaarde rekening gehouden moet worden met technische afschrijving. Ten aanzien van deze technische afschrijving gelden de normale regels omtrent stelplicht en bewijslast.² Het in 2.2.2 gegeven oordeel van het Hof berust daarom op een onjuiste rechtsopvatting. Het middel kan echter niet tot cassatie leiden op grond van hetgeen hierna in 2.4.3 en 2.4.4 is overwogen. 2.4.1. Het tweede middel richt zich tegen de in 2.2.3 en 2.2.4 vermelde oordelen van het Hof. De omstandigheid dat de geschatte levensduur van de installaties wordt verlengd, heeft niet tot gevolg dat de restwaarde van de onroerende zaak in een later jaar dan op de initieel ingeschatte levensduur zal worden bereikt, aldus het middel. 2.4.2. Voor de vaststelling van de waarde van de onroerende zaak is aangesloten bij de Taxatiewijzer, net zoals het geval was in de zaak die is beslist in het arrest van de Hoge Raad van 31 januari 2020³ (hierna: het arrest van 31 januari 2020). In de Taxatiewijzer zijn richtsnoeren gegeven die als uitgangspunt kunnen dienen, en in dit geval ook hebben gediend, bij de vaststelling van de vervangingswaarde van in die Taxatiewijzer bedoelde onroerende zaken. Die richtsnoeren zien onder meer op de afschrijving voor technische veroudering en de restwaarde. 2.4.3. Zoals is overwogen in het arrest van 31 januari 2020 is het niet uitgesloten dat de aan de hand van een Taxatiewijzer bepaalde restwaarde van een onroerende zaak (of een onderdeel ervan) wordt bereikt terwijl de onroerende zaak nog in gebruik is bij de eigenaar/gebruiker en dezelfde functie als daarvoor blijft vervullen. Die omstandigheid kan aanleiding geven om bij de bepaling van de technische afschrijving en/of de restwaarde af te wijken van die Taxatiewijzer, ook als partijen de richtsnoeren van die Taxatiewijzer als uitgangspunt voor de waardering hebben aanvaard. Degene die aanspraak maakt op een zodanige afwijking moet de gronden daarvoor stellen en bij betwisting aannemelijk maken. 2.4.4. In het oordeel van het Hof ligt besloten dat de heffingsambtenaar in dit geval aannemelijk heeft gemaakt dat en in hoeverre het voortgezette gebruik van de onroerende zaak aanleiding was voor een aanpassing van de technische afschrijving en van de restwaarde van de installaties ten opzichte van de daarvoor gegeven richtsnoeren in de Taxatiewijzer. Dit oordeel geeft geen blijk van miskenning van het hiervoor overwogene. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het tweede middel faalt daarom.”. ------------------------------------------------------------------------------------------------------ 1 ECLI:NL:HR:2015:1818. 2 Vgl. Hoge Raad 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4300. 3 ECLI:NL:HR:2020:169. 4.7. Belanghebbende stelt dat de heffingsambtenaar ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat als gevolg van een verlenging van de technische levensduur van de onroerende zaak de restwaarde pas later wordt bereikt. De heffingsambtenaar heeft daarmee volgens belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de beschikte waarde niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld. 4.8. De bewijslast met betrekking tot de in 4.2 bedoelde waarde rust op de heffingsambtenaar. Ten aanzien van de correctie voor de technische veroudering gelden de normale regels van stelplicht en bewijslast. Dat betekent dat de heffingsambtenaar tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende aannemelijk dient te maken dat en in hoeverre er aanleiding bestaat voor een aanpassing van de correctie voor technische veroudering ten opzichte van de daarvoor gegeven richtsnoeren in de Taxatiewijzer Sport, die als uitgangspunt hebben gediend. 4.9. In het rapport [taxateur] is de waarde van de onroerende zaak per de waardepeildatum vastgesteld op € 1.510.000. Die waarde is als volgt opgebouwd: Bij de onderdelen met de volgnummers 8, 25, 30, 31 34, 45, 47 en 48 is de technische levensduur door de heffingsambtenaar niet verlengd. Ten aanzien van de kunstgrasvelden (volgnummers 8 en 31) geldt bovendien dat belanghebbende daar in haar taxatierapport een hogere waarde aan toekent dan de heffingsambtenaar. De waarde die aan de hiervoor genoemde onderdelen wordt toegekend, staat tussen partijen niet ter discussie. Dat geldt eveneens voor de sportvelden van gras (volgnummers 20 en 46). Bij die sportvelden is de technische levensduur wél verlengd, maar is tussen partijen niet in geschil dat er investeringen hebben plaatsgevonden. Ook de waarde die in het rapport [taxateur] aan het kleedgebouw met volgnummer 13 wordt toegekend, is tussen partijen niet in geschil. Belanghebbende heeft tijdens de zitting verklaard dat de waarde die de heffingsambtenaar aan dit kleedgebouw heeft toegekend nauwelijks afwijkt van de waarde die in het taxatierapport van belanghebbende aan dat kleedgebouw is toegekend. 4.10. Voor de overige onderdelen van de onroerende zaak geldt dat belanghebbende bestrijdt dat als gevolg van de verlenging van de technische levensduur de restwaarde later wordt bereikt. De heffingsambtenaar verwijst voor de onderbouwing van zijn standpunt naar de omstandigheid dat die onderdelen van de onroerende zaak nog steeds worden gebruikt. Voor de kantine met volgnummer 4 verwijst de heffingsambtenaar daarnaast nog op gedane investeringen. Die investeringen betreffen (i) het plaatsen van een nieuw keukenblok met een waarde van € 5.685 in 2014 of 2015, (ii) een vervanging van het tegelwerk en sanitair in 2015 voor een onbekend bedrag en (iii) het plaatsen van een aanbouw in 2016. 4.11. Ten aanzien van het rapport [taxateur] overweegt het hof als volgt. Bouwkundige verbeteringen of vernieuwingen kunnen aanleiding vormen voor een verlenging van de technische levensduur en voor aanpassing van de restwaarde en het tijdstip waarop die wordt bereikt. Ook in het geval dat de aanvankelijk bepaalde technische levensduur achteraf bezien onjuist is ingeschat, zijn die aanpassingen mogelijk. De heffingsambtenaar heeft in de onderhavige zaak voor de aanvankelijk bepaalde technische levensduur en voor de gehanteerde restwaarde gebruik gemaakt van de Taxatiewijzer Sport. Het voortdurende gebruik van de onroerende zaak door belanghebbende in dezelfde functie sluit niet uit dat de restwaarde van de onroerende zaak wordt bereikt, maar kan ook aanleiding vormen om bij het bepalen van de technische afschrijving en/of restwaarde af te wijken van de uitgangspunten in de Taxatiewijzer. De heffingsambtenaar dient dan wel aannemelijk te maken dat een afwijking gerechtvaardigd is. Het hof is van oordeel dat de heffingsambtenaar daar niet in is geslaagd. De technische levensduur van de kantine met volgnummer 4 is voor de ruwbouw verlengd van 40 naar 45 jaar, voor de afbouw van 25 naar 40 jaar en voor de installaties van 17 naar 40 jaar. De door de heffingsambtenaar genoemde aanpassingen (zie 4.10) acht het hof van onvoldoende gewicht voor de verlenging van de technische levensduur die de heffingsambtenaar hanteert. De heffingsambtenaar heeft niet aannemelijk gemaakt dat de vernieuwing van het keukenblok en de toiletten niet behoort tot het normale onderhoud en een bouwkundige verbetering of vernieuwing vormt. De aanbouw uit 2016 is door de heffingsambtenaar als apart onderdeel gewaardeerd (volgnummer 48) zodat de waardevermeerdering die daar van uitgaat al in aanmerking is genomen bij de waardering van de onroerende zaak. Dat deze aanbouw daarnaast voor het oudere gedeelte van de kantine tot gevolg heeft dat de restwaarde later wordt bereikt maakt de heffingsambtenaar niet aannemelijk. Voor de kantine en de overige in geschil zijnde onderdelen van de onroerende zaak beroept de heffingsambtenaar zich (daarnaast) op het voortdurende gebruik in dezelfde functie. Naar het oordeel van het hof maakt de heffingsambtenaar, gelet op het verwijzingsarrest, met de verwijzing naar die omstandigheid niet aannemelijk dat de restwaarde voor die onderdelen later wordt bereikt.. Het hof neemt hierbij mede in aanmerking de toestand van de onroerende zaak die volgt uit de tot de gedingstukken behorende foto’s. Daarop is (onder meer) te zien dat kantine, de tribune en de kleedkamers gedateerd zijn. Het hof leidt uit de foto’s af dat de onroerende zaak verouderd is. Het hof is daarom van oordeel dat het rapport [taxateur] niet kan worden gebruikt ter ondersteuning van de getaxeerde waarde. Aangezien door de in het rapport [taxateur] aangebrachte aanpassingen van de levensduur de waarde meer dan € 30.000 te hoog is getaxeerd, kan het rapport [taxateur] ook niet dienen ter ondersteuning van de beschikte waarde. 4.12. Belanghebbende verwijst ter onderbouwing van de door haar bepleite waarde naar het rapport [A] . In het rapport [A] is aan de twee sportvelden van gras een waarde toegekend die ongeveer € 32.000 lager is dan de waarde die in het rapport [taxateur] aan die sportvelden is toegekend. Tussen partijen is niet in geschil dat er investeringen in die velden hebben plaatsgevonden. Belanghebbende heeft bevestigd dat de verlenging van de technische levensduur door de heffingsambtenaar en daarmee ook waarde die de heffingsambtenaar aan die sportvelden toekent, niet in geschil is. De heffingsambtenaar bestrijdt het taxatierapport van belanghebbende ook op diverse andere punten. Belanghebbende maakt tegenover die betwisting de door haar bepleite waarde niet aannemelijk. 4.13. Aangezien beide partijen de door hen bepleite waarde niet aannemelijk hebben gemaakt, zal het hof de waarde van de onroerende zaak in goede justitie vaststellen. Gelet op hetgeen partijen over en weer hebben aangedragen, stelt het hof de waarde van de onroerende zaak per de waardepeildatum in goede justitie vast op € 1.450.000. Tussenconclusie 4.14. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. Ten aanzien van het griffierecht 4.15. De heffingsambtenaar dient aan belanghebbende het bij de rechtbank en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden betaalde griffierecht van € 333 respectievelijk € 508 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar worden vernietigd. Ten aanzien van de kosten van het bezwaar en de proceskosten 4.16. De heffingsambtenaar heeft in de uitspraak op bezwaar het verzoek om vergoeding van de kosten van dat bezwaar afgewezen. De kosten van bezwaar dienen alleen te worden vergoed als het bestreden besluit wordt herroepen wegens een onrechtmatigheid die aan het bestuursorgaan te wijten is. Die onrechtmatigheid bestaat in dit geval uit een onjuiste waardebepaling. Het hof veroordeelt daarom de heffingsambtenaar in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. 4.17. Het hof stelt de kosten van bezwaar op 2 (punten) x € 261 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 522. Het hof acht de zaak, anders dan belanghebbende heeft gesteld, niet dermate bewerkelijk dat het gewicht ervan hoger is dan gemiddeld. Het bedrag van € 522 wordt vermeerderd met € 17,50 voor kadastrale uittreksels. De totale vergoeding voor de kosten van het bezwaar bedraagt daarmee € 539,50. 4.18. Verder veroordeelt het hof de heffingsambtenaar tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep. 4.19. Het hof stelt de tegemoetkoming voor de behandeling van het beroep op 2 (punten) x € 525 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is in totaal € 1.050. Dit bedrag wordt vermeerderd met de vergoeding van de kosten van het taxatierapport van belanghebbende. Gelet op de door belanghebbende overgelegde factuur stelt het hof deze vergoeding vast op 6 (uur) x € 65 (uurtarief) is € 390. 4.20. Het hof stelt de tegemoetkoming voor de behandeling van het hoger beroep op 3,5 (punten) x € 525 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is in totaal € 1.837,50. 5Beslissing Het hof: verklaart het hoger beroep gegrond; vernietigt de uitspraak van de rechtbank; verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond; vernietigt de uitspraak op bezwaar; wijzigt de WOZ-beschikking en stelt de waarde van de onroerende zaak op € 1.450.000; vermindert de aanslag dienovereenkomstig; bepaalt dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep van € 841 vergoedt; veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het bezwaar van € 539,50; veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij de rechtbank, het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en het hof van € 3.277,50. Aldus gedaan op 31 december 2020 door M.M. de Werd, voorzitter, P.C. van der Vegt en H.J. Cosijn, in tegenwoordigheid van E.J.M. Bohnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 december 2020 en afschriften van de uitspraak zijn op 12 januari 2021 aangetekend aan partijen verzonden. De uitspraak is alleen ondertekend door de voorzitter, aangezien de griffier verhinderd is. Het aanwenden van een rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: de naam en het adres van de indiener; de dagtekening; een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; e gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2 juli 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:5413. Hoge Raad 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:169. Hoge Raad 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1671. Hoge Raad 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1671. Proces-verbaal zitting Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden p. 2 en 3 en de verklaring van de gemachtigde ter zitting 26 november 2020. Vgl. het verwijzingsarrest en Hoge Raad 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1671. Artikel 7:15, lid 2, Algemene wet bestuursrecht. 1 punt voor bezwaarschrift en 1 punt voor het horen in bezwaar, zie Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Besluit). 1 punt voor beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie het Besluit. 1 punt voor beroepschrift in hoger beroep, 2 punten voor het verschijnen op de zittingen en 0,5 punt voor de conclusie na verwijzing (schriftelijke zienswijze), zie het Besluit.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Belastingrecht zaaknummers: AWB 21/702 en 21/1110 uitspraak van de meervoudige belastingkamer van in de zaken tussen [eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de heffingsambtenaar van Belastingcentrum Tribuut, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiseres aanslagen gemeentebelasting opgelegd voor het jaar 2020. Het aanslagbiljet met aanslagnummer 104044614 bevat een beschikking krachtens de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ), waarin de WOZ-waarde van het object [object 1] (object 1) voor het belastingjaar 2020 per waardepeildatum 1 januari 2019 is vastgesteld op € 1.088.000.

Het aanslagbiljet met aanslagnummer 103743656 bevat een beschikking krachtens de Wet WOZ, waarin de WOZ-waarde van het object [object 2] (object 2) voor het belastingjaar 2020 per waardepeildatum 1 januari 2019 is vastgesteld op € 17.009.000. Beide aanslagbiljetten bevatten eveneens aanslagen onroerendezaakbelasting (OZB) voor het desbetreffende object. Eiseres heeft in beide gevallen tijdig bezwaar gemaakt. Bij uitspraken op bezwaar van respectievelijk 22 december 2020 en 19 januari 2021 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard. Eiseres heeft telkens tijdig beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft in beide zaken gezamenlijk en gelijktijdig plaatsgevonden op 26 januari 2022. Namens eiseres is [naam 1] , kantoorgenoot van de gemachtigde, verschenen, bijgestaan door [naam 2] , taxateur. Namens verweerder zijn [naam 3] en [naam 4] , taxateur, verschenen. Beide partijen hebben ter zitting een nader stuk overgelegd. Eiseres is in de gelegenheid gesteld nader schriftelijk te reageren op het stuk dat verweerder ter zitting heeft overgelegd. Zij heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. Overwegingen Feiten 1. Eiseres is eigenaar van beide objecten.

Object 1 is een voormalig jeugdinternaat dat nu gebruikt wordt als opvanghuis. Het object is gebouwd in 1970. Eiseres verhuurt het object aan Stichting Leger des Heils. Object 2 is een woon-zorgcomplex. Het object bestaat uit verschillende gebouwen en andere opstallen die zijn gebouwd tussen 1980 en 2017. Geschil 2. In geschil is de WOZ-waarde van de objecten. Eiseres bepleit waarden van onderscheidenlijk € 790.000 en € 15.966.000. Beide partijen hebben voor beide objecten taxaties overgelegd van de ter zitting namens hen verschenen taxateur.

In geschil is met name of de taxateur van verweerder op een aantal onderdelen terecht de levensduur heeft verlengd en wat de restwaarde van de diverse onderdelen is aan het eind van de levensduur. Voor object 2 zijn daarnaast nog enkele andere punten in geschil, waaronder met name de waarde van de woondelen als bedoeld in artikel 220e van de Gemeentewet. Beoordeling 3. Tussen partijen is niet in geschil dat is voldaan aan de vereisten voor toepassing van artikel 17, derde lid, van de Wet WOZ. De rechtbank volgt partijen hierin. Er is sprake van incourante objecten, waarvoor niet of nauwelijks een markt is te vinden.

Een waardering volgens de gecorrigeerde vervangingswaarde is daarom het uitgangspunt voor de beoordeling.

4. Bij de bepaling van de gecorrigeerde vervangingswaarde van een onroerende zaak wordt rekening gehouden met de aard en de bestemming van de zaak en de sinds de stichting van de zaak opgetreden technische en functionele veroudering, waarbij de invloed van latere wijzigingen in aanmerking wordt genomen. Artikel 4, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet WOZ is een hulpmiddel bij de bepaling van de gecorrigeerde vervangingswaarde. Op grond van dit artikellid wordt de gecorrigeerde vervangingswaarde van een onroerende zaak berekend door de waarde van de grond van de onroerende zaak te vermeerderen met de waarde van de opstal van de onroerende zaak.

De waarde van de opstal wordt gesteld op de kosten die de herbouw van een vervangend identiek object zou vergen, gecorrigeerd met een factor wegens technische veroudering gebaseerd op de verstreken en de resterende gebruiksduur en met inachtneming van de restwaarde, en gecorrigeerd met een factor wegens functionele veroudering gebaseerd op economische veroudering, verouderde bouwwijze, ondoelmatigheid en excessieve gebruikskosten. De gecorrigeerde vervangingswaarde is de waarde die de zaak in economische zin voor de eigenaar zelf heeft.

5. De bewijslast rust op verweerder. Hij moet aannemelijk maken dat de door hem vastgestelde WOZ-waarde van de objecten niet te hoog is. Object 1: Almenseweg 6. In het taxatierapport van verweerder is de waarde van object 1 vastgesteld op € 1.238.000. Dit is aanmerkelijk hoger dan de beschikte waarde. De beschikte waarde is een resultante van het feit dat partijen over 2019 een compromis hadden gesloten voor een waarde van € 1.078.000. Weliswaar is er sindsdien weer een jaar verstreken, wat betekent dat er opnieuw afschrijvingen hebben plaatsgevonden, maar daartegenover staat dat de bouwkosten volgens de Taxatiewijzer Zorg 2020 hoger zijn dan volgens de Taxatiewijzer Zorg 2019.

Het effect van beide wijzigingen heeft geleid tot de beschikte waarde van € 1.088.000, zo heeft verweerder ter zitting toegelicht. Bij nadere uitwerking in de beroepsfase is de taxateur tot de conclusie gekomen dat de werkelijke waarde hoger is. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd alsnog de ontbrekende bijlage overgelegd waarin de berekening van het bedrag van € 1.238.000 is uitgewerkt. Verweerder is daarbij overeenkomstig de Taxatiewijzer Zorg uitgegaan van restwaarden voor ruwbouw, afbouw en installaties van respectievelijk 30, 10 en 5%.

Omdat de theoretische levensduur van de verschillende elementen is verstreken, heeft hij deze verlengd. Voor de ruwbouw is hij uitgegaan van een resterende levensduur van 10 jaar (dus tot 1 januari 2029) en voor de afbouw en installaties van 5 jaar (dus tot 1 januari 2024). De taxateur van verweerder heeft geen aanleiding gezien de restwaarde aan het eind van die tijd op een lager bedrag vast te stellen dan de genoemde percentages.

7. De taxateur van eiseres heeft de waarde van object 1 vastgesteld op € 790.000. Volgens de toelichting ter zitting kan de Taxatiewijzer Zorg naar de mening van de taxateur wel gebruikt worden om de bouwkosten te bepalen, maar is deze niet geschikt voor het vaststellen van de restwaarde. Dit volgt volgens eiseres ook uit jurisprudentie van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 april 2018 en Gerechtshof Den Haag van 14 november 2017. Die restwaarde heeft haar taxateur bepaald op 10%. Ook betwist eiseres dat er grond is voor verlenging van de levensduur. Dit kan volgens haar alleen bij renovatie aan de orde zijn.

8. De rechtbank stelt vast dat verweerder - anders dan de heffingsambtenaren in de zaken waar eiseres naar verwijst - voor de onderbouwing van de restwaarde niet louter heeft volstaan met verwijzing naar de gegevens uit de taxatiewijzer. Verweerder heeft gegevens van vier vergelijkingsobjecten overgelegd met daarin vermelding van de koopprijs, de grondwaarde en de vervangingskosten. Naar de rechtbank begrijpt, heeft verweerder op de koopprijzen telkens de grondwaarde in mindering gebracht en het restantbedrag toegerekend aan de opstallen. Dit is een in de WOZ-waardering veel voorkomende methode, die in beginsel bruikbaar is. Vervolgens heeft verweerder klaarblijkelijk de vervangingskosten berekend op basis van het toepasselijke archetype in de taxatiewijzer en de waarde van de opstallen uitgedrukt in een percentage van de vervangingskosten. Dit percentage varieert van 31,6 tot 63,66. Hiermee heeft verweerder geprobeerd tot uitdrukking te brengen dat een restwaarde van 30% conform de taxatiewijzer niet te hoog is.

9. Eiseres heeft deze onderbouwing onvoldoende gemotiveerd bestreden. Zij heeft slechts aangevoerd dat geen adresgegevens van de vergelijkingsobjecten zijn vermeld, maar verweerder heeft wel gegevens over de aard van de objecten en de name van de gemeenten vermeld en ook bevindt zich van elk vergelijkingsobject een foto in het dossier. Eiseres heeft nagelaten bijvoorbeeld gemotiveerd de gehanteerde grondprijzen te betwisten, terwijl zij dit wel had gekund aan de hand van de gegevens die verweerder heeft verstrekt. Eiseres heeft wel concreet benoemd dat 63% restwaarde ongeloofwaardig is.

Dit is echter slechts onderbouwd als een gevoel van de taxateur en het vermoeden dat de grondprijs onjuist is. Hierbij is ter zitting ter sprake gekomen dat wellicht een of meer van de vergelijkingsobjecten de bestemming “wonen” hebben, aangezien sprake is van gezinsvervangende tehuizen, en dat dit de grondprijzen kan stuwen. Naar het oordeel van de rechtbank is niet ondenkbaar dat dit een rol kan spelen, maar zij wijst erop dat er een aanzienlijk verschil is tussen 63% en 30%. Daarmee is nog niet gezegd dat de restwaarde lager dan 30% zou moeten zijn.

Eiseres heeft niets aangevoerd om aan een restwaarde van (in elk geval) 30% te twijfelen. Ook de stelling van eiseres dat in de regel objecten als het onderhavige aan het eind van de rit gesloopt en niet herbestemd worden, levert een onvoldoende gemotiveerde betwisting van de gehanteerde restwaarde van 30% op. Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat de taxateur van eiseres ter zitting heeft bevestigd dat zij evenmin in staat is te bewijzen dat de restwaarde de door haar voorgestane 10% bedraagt.

10. Over de verlenging van de levensduur heeft de taxateur van verweerder ter zitting toegelicht dat het Leger des Heils sinds 2016 huurder is van het object en veel aan onderhoud heeft gedaan. Zo is de cv-ketel vervangen, zijn leidingen en kozijnen vervangen en is de inrichting van een deel van het object aangepakt. Ook heeft het Leger des Heils nog een langlopend huurcontract en is zij dus van plan het object nog langere tijd voor dezelfde doeleinden te blijven gebruiken. Eiseres heeft deze stellingen niet gemotiveerd bestreden. Zij heeft wel gesteld dat onder meer de isolatie slecht is, maar dat dit benedengemiddeld is voor een pand uit 1970 is niet gesteld en ook niet aannemelijk, gelet op het feit dat de taxateur van eiseres ook heeft vermeld dat het voorzieningenniveau voldoende is.

Was dit anders geweest, dan zou dit bovendien tot uitdrukking moeten komen in technische of functionele veroudering dan wel onderhoudskosten (waarmee verweerder al rekening heeft gehouden) en zou dat niet direct gevolgen hebben voor de levensduur. Eiseres heeft in dat kader vooral betoogd dat zolang geen sprake is van een renovatie, er geen grond is voor verlenging van de levensduur. De rechtbank volgt dat standpunt van eiseres niet. Dit valt ook niet te lezen in het arrest van de Hoge Raad van 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:169, waarnaar eiseres verwijst, of de daarop gevolgde uitspraak van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 31 december 2020.

Uiteindelijk is sprake van een waardering van bewijs. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de ter zitting gegeven toelichting voldoende aannemelijk gemaakt dat het object tussentijds zodanig is opgeknapt dat er grond is voor verlenging van de levensduur.

11. De vraag die dan nog resteert is of ook per 1 januari 2024 dan wel 1 januari 2029 de restwaarde nog steeds dezelfde is. Het is immers niet zonder meer gezegd dat als een object op een aantal punten wordt verbeterd, maar op andere punten niet, de staat waarin het aan het eind van de verlengde levensduur verkeert gelijk is aan die waarin het aan het eind van de oorspronkelijke levensduur zou hebben verkeerd zonder verbeteringen. Andere onderdelen kunnen immers wel degelijk verder in waarde afnemen. Het had op de weg van verweerder gelegen beter te onderbouwen waarom hij voor de ruwbouw nog altijd van 30% uitgaat, terwijl de Taxatiewijzer een bandbreedte geeft van 25-35%. Het is in beginsel aannemelijk dat de restwaarde bij verlenging van de levensduur dichter bij de 25% zal uitkomen. Deze bandbreedte is immers niet voor niets gegeven.

12. Het voorgaande leidt echter niet tot een gegrond beroep. De getaxeerde waarde is immers € 150.000 hoger dan de beschikte waarde. Ook als de taxateur van verweerder was uitgegaan van een restwaarde voor de ruwbouw van 25%, zou de getaxeerde waarde hoger uitkomen dan de beschikte waarde van € 1.088.000. Gelet hierop heeft verweerder toch aannemelijk gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Het beroep is dus ongegrond. Object 2: Meijerinkstraat 13. Beide taxateurs hebben een taxatie van object 2 ingebracht. Deze zijn verschillend opgebouwd: eiseres heeft eerst alle onderdelen die als woning hebben te gelden benoemd, daarna de onderdelen die hoofzakelijk wonen betreffen of dienstbaar zijn aan onderdelen met een woonfunctie en tot slot de niet-woningen; verweerder heeft per deelobject uitgesplitst in wonen, dienstbaar aan wonen of niet-woningen.

Dit op zich hoeft geen probleem te zijn. Echter, partijen gebruiken verschillende aanduidingen voor de deelobjecten (de taxateur van eiseres gebruikt gebouwnummers, de taxateur van verweerder gebouwnamen en deels letters) en de oppervlaktes verschillen deels ook. Hierdoor was tot aan de zitting op geen enkele wijze een aansluiting te maken tussen de beide taxatierapporten. Partijen zijn over en weer ook niet concreet ingegaan op de onderlinge verschillen. Pas op de zitting heeft nota bene de taxateur van eiseres een plattegrond overgelegd waarin de vertaalslag tussen de objectaanduidingen van beide taxateurs is gemaakt.

Als gevolg daarvan is in elk geval iets beter een aansluiting te maken, maar een verklaring voor de grote verschillen in de omvang van de woondelen volgt hieruit niet. Desgevraagd heeft de taxateur van eiseres dit ten aanzien van één deelobject toegelicht. Hieruit bleek dat partijen het niet eens zijn over het gebruik van twee ruimtes in het desbetreffende deelobject. Volgens de taxateur van eiseres gaat het om woonruimtes/studio’s en dus om woondelen, volgens de taxateur van verweerder zijn het slaapruimtes voor de nachtdienst (personeel) en dus niet-woondelen.

14. De rechtbank benadrukt dat partijen over het belastingjaar 2016 eveneens een procedure hebben gevoerd bij de rechtbank en dat de zitting toen is geschorst omdat partijen het ook toen onderling niet eens waren over het feitelijke gebruik van een aantal onderdelen van het object. Partijen hebben die zaak vervolgens geschikt. In dat licht kan het op zijn minst verbazingwekkend worden genoemd dat partijen het nu toch weer niet eens zijn over het feitelijke gebruik maar ook niet over het aantal vierkante meters van een aantal deelobjecten. Het is niet aan de rechtbank gaten in de stelplicht van partijen op te vullen.

Partijen hebben over en weer slechts een eigen taxatie ingebracht, die zonder verklaring over de punten waarop deze afwijkt van de andere taxatie onvoldoende houvast biedt. De taxaties zijn ook intrinsiek voor de rechtbank onvoldoende navolgbaar. Beide partijen hebben dus te weinig gesteld en onvoldoende gemotiveerd betwist. Daarbij kan enerzijds verweerder verweten worden niet te zijn ingegaan op de taxatie van eiseres, die immers eerder in het geding is gebracht dan de taxatie van verweerder, en had het anderzijds op de weg van eiseres gelegen concreet te onderbouwen op welke punten zij het niet eens is met de taxatie van verweerder.

Uiteindelijk blijft zij steken bij de hiervoor ook genoemde punten van restwaarde en levensduurverlenging, maar die punten “verdrinken” in de chaos van het grotere geheel zolang niet duidelijk is waar partijen over praten.

15. Kortom, geen van beide partijen heeft een waarde van het object aannemelijk gemaakt. Het taxatierapport van verweerder komt uit op een waarde van € 19.280.000, opnieuw aanzienlijk hoger dan de beschikte waarde. Het rapport van eiseres komt uit op € 15.966.000. De kanttekeningen die de rechtbank hiervoor heeft geplaatst bij het verlengen van de levensduur zonder aanpassing van de restwaarde kunnen hier herhaald worden. Dat maakt dat de rechtbank in elk geval van oordeel is dat verweerder niet zonder meer gevolgd kan worden in de beschikte waarde, ook al is die aanzienlijk lager dan de getaxeerde waarde. De rechtbank zal de waarde schattenderwijs bepalen op € 16.600.000.

16. Het voorgaande heeft ook invloed op de bepaling van de grondslag voor de aanslag OZB-gebruiker voor dit object. Verweerder stelt dat het aandeel woondelen 28% is, eiseres komt op 69,77%. De rechtbank acht het verbod te heffen over woningen zodanig belangrijk dat zij eiseres zal volgen in het door haar verdedigde percentage, omdat dan in elk geval niet te veel wordt geheven. Dit percentage wordt wel toegepast op de geschatte waarde. Dat betekent dat de grondslag voor de aanslag OZB-gebruiker wordt verminderd tot 30,23% van € 16.600.000 = € 5.018.000.

17. Het beroep is gegrond. Proceskosten 18. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld. Daarbij ziet de rechtbank in de zeer geringe bijdrage van de gemachtigde aan de discussie en de wijze van procederen, waarbij enkel de standaardargumenten over levensduur en restwaarde zijn geknipt en geplakt en verder slechts een eigen taxatierapport is ingebracht zonder daadwerkelijk in te gaan op het taxatierapport van verweerder, aanleiding de kosten van de taxateur te vergoeden volgens het door verweerder voorgestelde tarief van € 80 per uur (te vermeerderen met btw, dus inclusief btw € 96,80 per uur), maar de wegingsfactor voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de beroepsfase te verminderen tot 0,5.

19. Daarmee komt de vergoeding voor de rechtsbijstand op € 1.079, te weten € 538 voor de bezwaarfase (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 269 en een wegingsfactor 1) en € 541 voor de beroepsfase (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 541 en een wegingsfactor 0,5). De kosten van de taxateur worden bepaald op € 580,80 te weten 5 uur à € 96,80 = € 484 inclusief btw en 1 uur voor de zitting à € 96,80.

De rechtbank ziet geen aanleiding twee taxatierapporten te vergoeden, nu de noodzaak tot het opstellen van twee rapporten niet is onderbouwd. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken. De totale vergoeding bedraagt daarmee € 1.659,80. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ter zake van het object [object 1] (zaaknummer AWB 21/702) ongegrond; verklaart het beroep ter zake van het object [object 2] (zaaknummer AWB 21/1110) gegrond; vernietigt de desbetreffende uitspraak op bezwaar; vermindert de WOZ-waarde van het object tot € 16.600.000; vermindert de aanslag OZB-eigenaren dienovereenkomstig; vermindert de grondslag voor de aanslag OZB-gebruikers tot € 5.018.000; bepaalt dat deze beslissing in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.659,80; bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 360 aan eiseres dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, voorzitter, mr. A.P. Vaatstra en mr. D. Liem, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.C.H. Graves, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep.

ECLI:NL:GHARL:2018:3824. ECLI:NL:GHDHA:2017:3378. ECLI:NL:GHSHE:2020:4097.