Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBGEL:2022:110 ECLI:NL:RBGEL:2022:110 AI generated

ECLI:NL:RBGEL:2022:110 · Rechtbank Gelderland

Case Number ECLI:NL:RBGEL:2022:110
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Belastingrecht zaaknummer: AWB 21/4249 uitspraak van de meervoudige belastingkamer van in de zaak tussen [naam eiseres] , te [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Zwolle, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan [persoon A] een aanslag (aanslagnummer [aanslagnummer] ) erfbelasting ten bedrage van € 358.267 opgelegd. Tevens is bij beschikking € 20.739 aan belastingrente in rekening gebracht. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 18 februari 2020 de aanslag verminderd tot € 342.118 en de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RBGEL:2022:110 · Rechtbank Gelderland: Voor het antwoord op de vraag of eiseres als belanghebbende kan worden beschouwd, is artikel 26a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) van belang. Daarin is bepaald dat het beroep, in afwijking van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht, slechts kan worden ingesteld door: de belanghebbende aan wie de belastingaanslag is opgelegd; de belanghebbende die de belasting op aangifte heeft voldaan of afgedragen of van wie de belasting is ingehouden, of degene tot wie de voor bezwaar vatbare beschikking zich richt.

Keywords

AI generated
tax liability taxpayer burden of proof partial success of taxpayer contribution status employment status personal tax nexus

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Belastingrecht zaaknummer: AWB 21/4249 uitspraak van de meervoudige belastingkamer van in de zaak tussen [naam eiseres] , te [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Zwolle, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan [persoon A] een aanslag (aanslagnummer [aanslagnummer] ) erfbelasting ten bedrage van € 358.267 opgelegd. Tevens is bij beschikking € 20.739 aan belastingrente in rekening gebracht. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 18 februari 2020 de aanslag verminderd tot € 342.118 en de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 24 maart 2020, ontvangen door de rechtbank op 26 maart 2020, beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2021. Namens eiseres is verschenen de gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen [persoon B] en [persoon C] Overwegingen 1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres geen belanghebbende is en het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

2. Voor het antwoord op de vraag of eiseres als belanghebbende kan worden beschouwd, is artikel 26a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) van belang. Daarin is bepaald dat het beroep, in afwijking van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht, slechts kan worden ingesteld door: de belanghebbende aan wie de belastingaanslag is opgelegd; de belanghebbende die de belasting op aangifte heeft voldaan of afgedragen of van wie de belasting is ingehouden, of degene tot wie de voor bezwaar vatbare beschikking zich richt.

3. De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 26a, eerste lid, van de AWR, van oordeel dat slechts door [persoon A] , aan wie de aanslag erfbelasting is opgelegd, beroep kon worden ingesteld.

4. Gelet op het voorgaande dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.

5. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Vaatstra, voorzitter, mr. J.J. Westerbaan en mr. D. Liem, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.J.H. Klomp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep.