Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBGEL:2020:6699 ECLI:NL:RBGEL:2020:6699 AI generated

ECLI:NL:RBGEL:2020:6699 · Rechtbank Gelderland

Case Number ECLI:NL:RBGEL:2020:6699
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: AWB 19/2184 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. B.N. Kloostra), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Berkelland, verweerder. Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde partij] B.V. , te [woonplaats] . (gemachtigde: C. van Stralendorff) Procesverloop Bij besluit van 17 juli 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan de derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een antennemast.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBGEL:2020:6699 · Rechtbank Gelderland: De overheid heeft echter volgens dit bericht nog geen aanleiding gezien om op grond van het voorzorgbeginsel een lagere grenswaarde vast te stellen voor radiofrequente elektromagnetische velden.” Dit alles brengt verweerder tot het oordeel dat eiseres naar objectieve maatstaven gemeten geen gevolgen van enige betekenis ondervinden van de zendmast. Daarom is eiseres geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, aldus verweerder. Verweerder heeft daarom het bezwaarschrift van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. 4.3. Eiseres heeft uitvoerig betoogd dat zij wel degelijk een verhoogd gezondheidsrisico ondervindt van de zendmast, ook waar de veldsterkte lager is dan 1 V/m.

Keywords

AI generated
electromagnetic interference non-ionising radiation exposure limit value radiation exposure right to install an antenna noise sensitivity level

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2017:2271
201604695/1/A1. Datum uitspraak: 23 augustus 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant] en anderen, wonend te Mechelen, gemeente Gulpen-Wittem, tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 13 mei 2016 in zaak nr. 14/3317 in het geding tussen: [appellant] en anderen en het college van burgemeester en wethouders van Gulpen-Wittem. Procesverloop Bij besluit van 5 november 2013 heeft het college het verzoek van [appellant] en anderen om handhavend op te treden tegen het mestbassin op het perceel aan de [locatie 1], te Mechelen (hierna: het perceel), afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2019:718
201804833/1/A1. Datum uitspraak: 6 maart 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Vlodrop, gemeente Roerdalen, tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 30 april 2018 in zaak nr. 17/2361 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Roerdalen. Procesverloop Bij besluit van 2 februari 2017 heeft het college aan [belanghebbende] een omgevingsvergunning beperkte milieutoets verleend voor het wijzigen van een bestaande legkippenhouderij naar een melkgeitenhouderij op het perceel [locatie 1] te Vlodrop (hierna: het perceel).
ECLI:NL:RVS:2009:BG9796
Procesverloop Bij besluit van 21 december 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) aan KPN Broadcast Services (hierna: KPN) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een zendstation voor het uitzenden van radio- en televisiekanalen aan de Zichtenburglaan 218-220 te Den Haag. Dit besluit is op 28 december 2007 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij het college ingekomen op 9 januari 2008, de vereniging Vereniging Wijkberaad Houtwijk, [appellant sub 2A], [appellant sub 2B] en [appellant sub 2C] (hierna: het Wijkberaad e.a.) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 januari 2008, en de stichting Stichting Bescherming Leefomgeving Den Haag, [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] (hierna: de Stichting e.a.) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 februari 2008, beroep ingesteld.
ECLI:NL:RVS:2016:2522
201506381/1/A1. Datum uitspraak: 21 september 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te Egmond aan den Hoef, gemeente Bergen, Noord-Holland, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 30 juni 2015 in zaak nr. 14/5335 in het geding tussen: [appellante] en het college van burgemeester en wethouders van Bergen. Procesverloop Bij besluit van 7 mei 2014 heeft het college aan T-Mobile Netherlands B.V. omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een telecommunicatiemast van 40 m hoog op het perceel tegenover Mosselhoef 71-73 op het bedrijventerrein De Weidjes te Egmond aan den Hoef.
ECLI:NL:RVS:2018:3979
201801062/1/A1. Datum uitspraak: 5 december 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: 1. [appellant sub 1A], [appellant sub 1B], [appellant sub 1C], [appellant sub 1D] en [appellante sub 1E], [appellant sub 1F], [appellant sub 1G], [appellant sub 1H], [appellant sub 1I], [appellant sub 1J], [appellant sub 1K] en [appellant sub 1L] (hierna: [appellant sub 1A] en anderen), wonend te Wassenaar, 2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), wonend te Wassenaar, tegen de tussenuitspraak en de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 12 mei onderscheidenlijk 21 december 2017 in zaak nrs. 16/7022 en 16/6955 in het geding tussen: [appellant sub 1A] en anderen, [appellant sub 2] en het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar.
ECLI:NL:RVS:2019:3511
201807260/1/A1. Datum uitspraak: 16 oktober 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: 1. [appellant sub 1A], [appellant sub 1B], [appellant sub 1C, [appellant sub 1D], [appellante sub 1E], [appellant sub 1F], [appellant G] en [appellant H], allen wonend te Riel, gemeente Goirle (hierna in enkelvoud: [appellant sub 1A]), 2. [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B], beiden wonend te Riel, gemeente Goirle (hierna in enkelvoud: [appellant sub 2A]), 3. [appellant sub 3A] en [appellante sub 3B], beiden wonend te Riel, gemeente Goirle (hierna in enkelvoud: [appellant sub 3A]), 4. [appellant sub 4A], [appellant sub 4B] en [appellant sub 4C], allen wonend te Riel, gemeente Goirle (hierna in enkelvoud: [appellant sub 4A]), tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 12 juli 2018 in zaken nrs. 17/5850, 17/5871, 17/5875 en 18/2057 in het geding tussen: [appellant sub 1A], [appellant sub 2A], [appellant sub 3A], [appellant sub 4A] en het college van burgemeester en wethouders van Goirle.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: AWB 19/2184 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. B.N. Kloostra), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Berkelland, verweerder. Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde partij] B.V. , te [woonplaats] . (gemachtigde: C. van Stralendorff) Procesverloop Bij besluit van 17 juli 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan de derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een antennemast.

Bij besluit van 15 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De derde-partij heeft een reactie ingediend. Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2020. De zaak is gelijktijdig behandeld met de beroepen met zaaknummers 19/2143 en 19/2213. De gemachtigde van eiseres is verschenen. Eiseres heeft via een videoverbinding deelgenomen aan de zitting. Verweerder is vertegenwoordigd door mr.

I. Nikkels en R. Tjallingii. Namens de derde-partij is C. van Stralendorff verschenen. Overwegingen Inleiding 1. Op 13 maart 2018 heeft de derde-partij een aanvraag ingediend voor het bouwen van een antenne-installatie met een bouwhoogte van bijna 40 meter op het perceel [locatie] ong. te [woonplaats] . Dit perceel ligt ongeveer 500 meter ten zuiden van [woonplaats] . De antennemast heeft als doel om het mobiele netwerk in [woonplaats] te verbeteren.

2. De antennemast is in strijd met het bestemmingsplan. Verweerder heeft daarom voor dit bouwplan naast een omgevingsvergunning voor de activiteit “bouwen” ook een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit “gebruik in strijd met het bestemmingsplan”. Daarnaast is ook een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van één zomereik en één ruwe berk, met een herplantplicht voor twee winterlindes. Wie kan bezwaar maken en beroep instellen? 3.1. In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat alleen een belanghebbende bezwaar kan maken tegen een besluit en vervolgens beroep kan instellen bij de rechtbank.

In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder “belanghebbende” verstaan: “degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken”. 3.2. Voor de vraag wie aan te merken is als “belanghebbende” dient aansluiting te worden gezocht bij vaste jurisprudentie de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) . De Afdeling hanteert als uitgangspunt voor de beoordeling van belanghebbendheid dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals een bestemmingsplan of een (omgevings)vergunning - toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit.

Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken als de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien.

Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. 3.3. Bij besluiten over activiteiten in het omgevingsrecht is het de taak van het bestuursorgaan om de kring van belanghebbenden vast te stellen aan de hand van (onderzoek naar) de feitelijke gevolgen van het besluit. Uiteindelijk is het aan de bestuursrechter om te oordelen over de vraag wie belanghebbende bij een besluit zijn. De betrokken rechtzoekende hoeft daarom niet zelf aan te tonen dat hij belanghebbende bij een besluit is. Slechts als tijdens de procedure de vraag aan de orde is of ‘gevolgen van enige betekenis’ ontbreken en dus de vraag of er aanleiding is de correctie toe te passen, kan en mag van de betrokkene worden gevraagd uit te leggen welke feitelijke gevolgen hij van de activiteit ondervindt of vreest te zullen ondervinden.

Is eiseres aan te merken als belanghebbende? 4.1. De woning van eiseres staat op een afstand van ongeveer 650 meter van de zendmast. Niet is in geschil dat eiseres geen zicht op de zendmast heeft vanaf haar woning. De vraag is enkel of eiseres gevolgen van enige betekenis ondervindt in de vorm van een verhoogd gezondheidsrisico als gevolg van het elektromagnetische veld (EMV) rond de zendmast. 4.2. Verweerder stelt zich, met [derde partij], op het standpunt dat dat niet het geval is. Gegeven de afstand van de woning van eiseres tot de zendmast, moet ervan worden uitgegaan dat de veldsterkte van het EMV, vanaf ongeveer 328 m van de mast lager is dan 1 V/m.

Die sterkte ligt zeer ruim onder de zogenaamde blootstellingslimiet die is opgesteld door International Commission on Non-Ionizing Radiation Protection’ (ICNIRP), een onafhankelijke organisatie die onderzoek doet naar blootstelling aan radiogolven en waarbij ook Nederland is aangesloten. Deze door de ICNIRP vastgestelde normen zijn, met enige kleine veranderingen, overgenomen door de Nederlandse Gezondheidsraad. De overheid hanteert de richtlijn van de ICNIRP. Deze normen hanteren een veiligheidsmarge van een factor 50. Dat betekent dat bij het opstellen van de richtlijn de maximaal toelaatbare waarden 50 maal strenger zijn gesteld dan het feitelijke grensniveau.

Voor deze zendmast geldt dat frequenties worden ingezet die binnen het frequentiebereik van 800 Mhz tot en met 2600 MHz liggen. Daarom zullen de blootstellingslimieten die voor deze frequentiebandbreedte gelden van toepassing zijn. De blootstellingslimieten variëren dan tussen de 39 V/m en 61 V/m. Dat geen verhoogde gezondheidsrisico’s bestaan bij een veldsterkte onder de blootstellingslimiet, en al helemaal niet bij een limiet onder de 1 V/m, leidt verweerder, met [derde partij], af uit het ‘Kennisbericht Elektrogevoeligheid’ van het Kennisplatform ElektroMagnetisch Velden, van april 2012.

Op p. 11 van dat bericht staat – samengevat – dat, uitgaande van de verklaring dat EMV lichamelijke klachten veroorzaakt, niet valt uit te sluiten dat sommige (kleine) groepen mensen daadwerkelijk klachten van EMV ondervinden. Ook staat er dat, uitgaande van de verklaring dat de gezondheidsklachten een psychische oorzaak hebben, wetenschappelijk onderzoek wel enige aanwijzingen geeft dat bij een deel van de elektrogevoeligen, gezondheidsklachten kunnen worden toegeschreven aan de veronderstelde blootstelling. Ook staat er dat, uitgaande van de verklaring dat de gezondheidsklachten door andere milieufactoren of bepaalde ziekten worden veroorzaakt, wetenschappelijk onderzoek bevestigt dat vergelijkbare klachten ook door andere milieufactoren en bepaalde ziekten kunnen worden veroorzaakt.

Verder heeft verweerder verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2009. In die zaak heeft de Afdeling de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB) opgedragen onderzoek te doen naar de onderzoeken over gezondheidseffecten van EMV. De Afdeling overweegt, onder verwijzing naar dat deskundigenbericht: “Het deskundigenbericht vermeldt dat uit wereldwijde onderzoeken naar de effecten van radiofrequente elektromagnetische velden die vanwege de frequentie van digitale TV en radio van toepassing zijn op deze situatie, blijkt dat radiofrequente elektromagnetische velden een nadelig gezondheidseffect kunnen hebben.

Bij deze onderzoeken wordt onderscheid gemaakt tussen thermische effecten, te weten opwarming, en effecten door geïnduceerde stroom, te weten stimulering van spieren en zenuwen door elektrische stroompjes. Voor deze effecten zijn blootstellingslimieten opgesteld. Wat betreft de effecten op de korte termijn wordt in deze onderzoeken geconcludeerd dat deze niveaus in de woon- en leefomgeving zo goed als nooit voorkomen. Wat betreft de lange termijn wordt in de onderzoeken geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn dat radiofrequente elektromagnetische velden kanker of andere langetermijneffecten kunnen veroorzaken.

Wel zijn er volgens dit bericht wetenschappelijke onzekerheden over de eventuele invloed van het gewijzigde blootstellingspatroon door het sterk toegenomen gebruik van met name mobiele telefonie en de daarmee gepaard gaande GSM- en UMTS-basisstations en over de betekenis van de rapportage van, soms ernstige, gezondheidsklachten. In het deskundigenbericht wordt vermeld dat deze onzekerheden voor de rijksoverheid aanleiding zijn geweest om een onderzoeksprogramma te starten en dat de Gezondheidsraad hierover een advies heeft uitgebracht met aanbevelingen voor nader onderzoek en het opzetten van een kennis- en onderzoekscentrum.

De overheid heeft echter volgens dit bericht nog geen aanleiding gezien om op grond van het voorzorgbeginsel een lagere grenswaarde vast te stellen voor radiofrequente elektromagnetische velden.” Dit alles brengt verweerder tot het oordeel dat eiseres naar objectieve maatstaven gemeten geen gevolgen van enige betekenis ondervinden van de zendmast. Daarom is eiseres geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, aldus verweerder. Verweerder heeft daarom het bezwaarschrift van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. 4.3. Eiseres heeft uitvoerig betoogd dat zij wel degelijk een verhoogd gezondheidsrisico ondervindt van de zendmast, ook waar de veldsterkte lager is dan 1 V/m.

Voor zover dit van belang is voor de beoordeling van de belanghebbendheid, zal de rechtbank hierna ingaan op de stukken die zij ter onderbouwing heeft ingebracht. Eiseres betoogt dat de conclusies van onder meer ICNIRP en de StAB over de gezondheidseffecten is gebaseerd op onjuiste informatie en daarom niet ten grondslag mocht worden gelegd aan de besluitvorming. Volgens haar zijn ook bij een blootstelling aan een veldsterkte van minder dan 1 V/m biologische en klinische effecten vastgesteld die extreem en gevaarlijk hoog zijn. De conclusies in het deskundigenbericht van de StAB zijn volgens haar te oud en niet langer actueel, gezien de vele wetenschappelijke publicaties die sinds het verschijnen van dat deskundigenbericht zijn verschenen.

Uit deze publicaties komt onder meer naar voren dat EMV’s mogelijk kankerverwekkend zijn. Ook heeft zij gewezen op publicaties waaruit naar voren komt dat sommige EMV’s al bij zeer lage blootstellingsintensiteiten gezondheidseffecten kunnen veroorzaken. Daarbij komt dat de norm van (in deze zaak) 61 V/m volgens eiseres is gebaseerd op thermische korte-termijneffecten terwijl het bij blootstelling aan de straling van zendmasten gaat om lange-termijnblootstelling. Ook plaatst zij vraagtekens bij de meting van het Agentschap Telecom over de veldsterkte van EMV’s, als hiervoor weergegeven.

Ter verdere onderbouwing heeft eiseres ter zitting verwezen naar de conclusies in het kernadvies van de Gezondheidsraad van 2 september 2020, ‘5G en gezondheid’. Daarin staat, voor zover hier van belang: “De commissie kan nog geen antwoord geven op de vraag of blootstelling aan 5G-frequenties daadwerkelijk gezondheidsrisico’s oplevert. Dat heeft twee redenen. Ten eerste is het voor zo’n uitspraak nodig om te weten bij welk niveau van blootstelling er gezondheidsschade kan optreden bij mensen. Dat vergt een uitgebreidere analyse van de wetenschappelijke gegevens dan de commissie heeft kunnen uitvoeren.

De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) voert momenteel een dergelijke analyse uit, die naar verwachting in 2022 wordt afgerond. Ten tweede is het nodig om te weten wat de feitelijke blootstelling aan radiofrequente elektromagnetische velden is na de invoering van 5G. Dat is nog niet bekend, omdat 5G zoals gezegd nog maar deels in gebruik is genomen. (…) De commissie is daarom nagegaan of er aanwijzingen zijn dat elektromagnetische velden met de frequenties van 5G de potentie hebben om de gezondheid te schaden. Zij heeft geïnventariseerd of er een samenhang bekend is tussen enerzijds blootstelling aan radiofrequente elektromagnetische velden en anderzijds het optreden van ziekten en aandoeningen.

Het is volgens de commissie niet uit te sluiten dat het optreden van kanker, verminderde mannelijke vruchtbaarheid, slechtere zwangerschapsuitkomsten en geboorteafwijkingen samenhangen met blootstelling aan radiofrequente elektromagnetische velden. Echter, voor geen van deze en de andere onderzochte ziekten en aandoeningen acht de commissie de samenhang tussen blootstelling en de ziekte of aandoening aangetoond of waarschijnlijk. Ook heeft de commissie gekeken naar de mogelijke samenhang tussen radiofrequente elektromagnetische velden en veranderingen in biologische processen.

Het is waarschijnlijk dat veranderingen in elektrische activiteit in de hersenen samenhangen met blootstelling; onbekend is of dat gunstig of ongunstig is voor de gezondheid. Voor de meeste overige biologische processen is niet aangetoond en ook niet waarschijnlijk dat veranderingen hierin samenhangen met blootstelling aan radiofrequente elektromagnetische velden, al is dit ook niet uit te sluiten. Alleen voor veranderingen in het afweersysteem en hormoonspiegels is geen samenhang gevonden. Onderzoek naar effecten van blootstelling aan frequenties rond 26 GHz ontbreekt vrijwel. (…) Tot slot adviseert de commissie om de nieuwste richtlijnen van de International Commission on Non-ionizing Radiation Protection (ICNIRP) in Nederland te gebruiken als basis voor het blootstellingsbeleid.

Omdat niet uitgesloten kan worden dat ook blootstelling onder de nieuwste ICNIRP-normen de potentie heeft de gezondheid te schaden, adviseert de commissie om voorzorg toe te passen en blootstellingen zo laag als redelijkerwijs mogelijk te houden.” Al met al komt eiseres tot de conclusie dat zij, vanwege de verhoogde gezondheidsrisico’s, ten onrechte niet als belanghebbende is aangemerkt. 4.4. De bestuursrechter is niet de aangewezen instantie om te bepalen of en zo ja, bij welke veldsterkte, welke gezondheidseffecten optreden. Wel moet de bestuursrechter beoordelen of de gestelde gezondheidseffecten bij de gegeven veldsterkte zo hoog zijn, dat dit belanghebbendheid oplevert in de zin van de Awb.

Naar het oordeel van de rechtbank is het, alle argumenten, onder verwijzing naar wetenschappelijke literatuur, overziend, niet uitgesloten dat ook bij een veldsterkte die lager is dan 1 V/m, en dus ook in het geval van eiseres, sprake is van verhoogde gezondheidsrisico’s. Voor die conclusie acht de rechtbank mede van belang dat voortschrijdend wetenschappelijk inzicht over de gezondheidseffecten van EMV’s maken dat niet langer kan worden uitgegaan van de conclusies uit het deskundigenbericht van de StAB dat centraal stond in de uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2009.

Ook is van belang dat een instantie als de Gezondheidsraad, van wie de adviezen een belangrijke rol spelen in de oordeelsvorming in zaken als deze, in haar laatste rapport in wezen bevestigt dat bij 5G nog niet duidelijk is welke gezondheidseffecten optreden en ook dat, hoe onwaarschijnlijk mogelijk ook, er verbanden bestaan tussen EMV’s en bepaalde ziektes. De Gezondheidsraad wijst ook op de samenhang tussen blootstelling aan EMV’s en bepaalde biologische processen. Daarom moet eiseres naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als belanghebbende.

Of het gezondheidsrisico zodanig is dat verweerder de door eiseres gewenste omgevingsvergunning niet had kunnen verlenen is een inhoudelijke toets waaraan in het kader van de beantwoording van de vraag naar belanghebbendheid niet wordt toegekomen. Conclusie en proceskosten 5. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van 12 weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 1). De rechtbank bepaalt verder dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 174 vergoedt. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond. vernietigt het bestreden besluit; draagt verweerder op binnen 12 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.050; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. van Breda, rechter, in tegenwoordigheid van mr. E. Mengerink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, Wabo. Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2o, van de Wabo en artikel 4, onderdeel 5, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht Artikel 2.2, eerste lid, onder g, van de Wabo Dit staat in artikel 7:1 en 8:1 van de Awb. Zie onder meer de uitspraak van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271 en latere uitspraken van de Afdeling waarin naar deze uitspraak wordt verwezen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:718.

Zie het rapport ‘Rapport veldsterktemeting, gemeente Losser’ van het Ministerie van Economische Zaken, Agentschap Telecom, van 20 juni 2018. Bijlage 1 bij de brief van [derde partij] van 7 november 2018 op vragen van de commissie bezwaarschriften (in het dossier). Zie de brief van [derde partij] van 7 november 2018, in reactie op vragen van de commissie bezwaarschriften, in het dossier. ECLI:NL:RVS:2009:BG9796. Naar deze uitspraak verwijst de Afdeling in onder meer haar uitspraken van 21 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2522), 5 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3979) en 16 oktober 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3511).

Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:718, onder 2.3.