Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBGEL:2020:59 ECLI:NL:RBGEL:2020:59 AI generated

ECLI:NL:RBGEL:2020:59 · Rechtbank Gelderland

Case Number ECLI:NL:RBGEL:2020:59
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummers: AWB 19/1522, 19/1532, 19/1557 en 19/5082 uitspraak van de meervoudige kamer van in de zaken tussen [eiser 1], te [woonplaats], eiser 1, [eiseres 2], te [woonplaats], eiseres 2, [eiser 3], te [woonplaats], eiser 3 (gemachtigde: E. Bonekamp), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Berkelland te Borculo, verweerder. Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen: [derde partijen] , allen te [woonplaats]. Procesverloop Bij besluit van 14 augustus 2018 heeft verweerder aan eiser 3 een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verleend voor de volgende activiteiten:

Legislator headnote

AI generated

artikel 1:2 van de Awb, artikel 7:11 van de Awb; ECLI:NL:RBGEL:2020:59 · Rechtbank Gelderland: Nu verweerder bij het besluit van 5 februari 2019 een exemplaar van het ontwerpbesluit en van de tekst van publicatie in het Berkelbericht van 12 februari 2019 met betrekking tot de terinzagelegging van het ontwerpbesluit en gelegenheid voor het indienen van een zienswijze vanaf 13 februari 2019 heeft overgelegd, is het besluit van 5 februari 2019 naar het oordeel van de rechtbank volledig als bedoeld in artikel 7:11, tweede lid, van de Awb en behoefde verweerder geen nader inhoudelijk besluit op de bezwaren van derde-partijen te nemen. Het in een afzonderlijke procedure nieuw te nemen, met de uitgebreide voorbereidingsprocedure tot stand te komen besluit, waartegen bij de rechtbank beroep openstaat, voorziet daarin.

Keywords

AI generated
planning approval duty of spatial planning environmental protection concerns noise control zoning plan planning reserve zone

Cited Legislation

AI generated
artikel 1:2 van de Awb
De rechtbank dient ambtshalve – dat wil zeggen ongeacht of partijen hierover iets hebben aangevoerd – te beoordelen of eisers belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb zijn bij de besluiten van 5 februari 2019 en 16 juli 2019.
artikel 7:11 van de Awb
Eiser 3 betoogt dat het besluit van 5 februari 2019 dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:11 van de Awb.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2015:3386
201410634/1/A4. Datum uitspraak: 4 november 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de onderlinge waarborgmaatschappij AVEBE U.A., gevestigd te Veendam, appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 18 november 2014 in zaken nrs. 14/1117 en 14/1118 in het geding tussen: de naamloze vennootschap NPG Groningen N.V. en AVEBE en het college van gedeputeerde staten van Groningen. Procesverloop Bij besluit van 28 januari 2014 heeft het college geweigerd om aan NPG omgevingsvergunning eerste fase (milieu) te verlenen voor de oprichting van een biogasinstallatie aan de Avebe-weg 1 te Foxhol.
ECLI:NL:RVS:2014:4473
201403852/1/A1. Datum uitspraak: 10 december 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [appellante], wonend te [woonplaats], gemeente De Ronde Venen, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 maart 2014 in zaak nr. 13/10012 in het geding tussen: [appellante] en het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop. Procesverloop Bij besluit van 20 september 2011 heeft het college aan [vergunninghouder] in afwijking van het bestemmingsplan omgevingsvergunning verleend voor het gebruiken van gronden als beeldentuin op het perceel tegenover [locatie], te Nieuwkoop (hierna: het perceel).
ECLI:NL:RVS:2016:1311
201502446/1/A1. Datum uitspraak: 18 mei 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: 1. [appellant sub 1], wonend te Putten, 2. [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B], wonend te Putten (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 februari 2015 in zaak nr. 13/6271 in het geding tussen: [appellant sub 1] en het college van burgemeester en wethouders van Putten. Procesverloop Bij besluit van 7 januari 2013 heeft het college [appellant sub 2] een omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen, afwijken van het bestemmingsplan en het milieuneutraal veranderen van de onderneming, ten behoeve van de bouw van een nertsenstal (hierna: het bouwplan) op het perceel [locatie 1] te Putten (hierna: het perceel) verleend.
ECLI:NL:RVS:2018:1829
201704035/1/A1. Datum uitspraak: 6 juni 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante] (hierna: de stichting), gevestigd te [plaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 april 2017 in zaak nr. 16/4912 in het geding tussen: de stichting en het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel Nieuw-West. Procesverloop Bij besluit van 7 december 2015 heeft het algemeen bestuur geweigerd om aan de stichting omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van 14 garageboxen op het perceel [locatie] te Amsterdam (hierna: het perceel).
ECLI:NL:RVS:2018:4079
201803629/1/A1. Datum uitspraak: 12 december 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op de hoger beroepen van: 1. [appellant sub 1], wonend te Heesch, gemeente Bernheze, 2. [appellant sub 2A], [appellante sub 2B], [appellante sub 2C], [appellante sub 2D], [appellant sub 2E] en [appellant sub 2F] (hierna: [appellant sub 2] en anderen), wonend te Heesch, gemeente Bernheze, tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 20 maart 2018 in zaken nrs. 17/1889 en 17/1897 in het geding tussen: [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen, en het college van burgemeester en wethouders van Bernheze.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummers: AWB 19/1522, 19/1532, 19/1557 en 19/5082 uitspraak van de meervoudige kamer van in de zaken tussen [eiser 1], te [woonplaats], eiser 1, [eiseres 2], te [woonplaats], eiseres 2, [eiser 3], te [woonplaats], eiser 3 (gemachtigde: E. Bonekamp), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Berkelland te Borculo, verweerder. Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen: [derde partijen] , allen te [woonplaats]. Procesverloop Bij besluit van 14 augustus 2018 heeft verweerder aan eiser 3 een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verleend voor de volgende activiteiten:

“het handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening” (artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo) voor de bouw van een geluidsscherm op het perceel aan [locatie] in [woonplaats] (hierna: het perceel); “bouwen” (artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo) voor de bouw van een geluidsscherm en weegbrug op het perceel; “het verrichten van een andere activiteit die van invloed kan zijn op de fysieke leefomgeving (omgevingsvergunning beperkte milieutoets)” (artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo) voor het opslaan van schroot op het perceel.

Bij besluit van 5 februari 2019 heeft verweerder de bezwaren van derde-partijen gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit van 14 augustus 2018 herroepen. Eisers hebben tegen het besluit van 5 februari 2019 beroep ingesteld. Bij besluit van 16 juli 2019 heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning na toepassing van de uitgebreide voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) alsnog geweigerd. Eiser 3 heeft tegen het besluit van 16 juli 2019 beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2019.

Van en namens eisers zijn [eiser 1] en [eiser 3] verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde en vergezeld door [eiser 3] en [eiser 3]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Steenhuis, G.J. Bomer en N. Boesenkool. Van derde-partijen zijn [derde partijen], [derde partijen] en [derde partijen] verschenen. Overwegingen Inleiding 1. Het bedrijf van eiser 3 is in of omstreeks 2018 op het perceel gevestigd. Voorheen was op het perceel een autodemontagebedrijf gevestigd. De bedrijfsactiviteiten van het bedrijf van eiser 3 bestaan uit de handel in- en het op- en overslaan, sorteren en be- en verwerken van metaalafvalstoffen en metaalhoudende reststoffen.

Ontvankelijkheid beroepen eisers 2. De rechtbank dient ambtshalve – dat wil zeggen ongeacht of partijen hierover iets hebben aangevoerd – te beoordelen of eisers belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb zijn bij de besluiten van 5 februari 2019 en 16 juli 2019. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser 1 en eiseres 2 geen aan het belang van eiser 3 als aanvrager van de omgevingsvergunning tegengesteld belang hebben dat rechtstreeks is betrokken bij het besluit van 5 februari 2019, strekkende tot herroeping van de bij besluit van 14 augustus 2018 aan eiser 3 verleende omgevingsvergunning.

Eiser 1 en eiseres 2 worden door dat besluit niet in hun eigendomsrecht of enig ander recht aangetast. Hierbij is nog van belang dat het besluit van 5 februari 2019 er niet aan in de weg staat dat eiser 1, eiseres 2 of een derde een eigen aanvraag om omgevingsvergunning bij verweerder kunnen indienen. Indien verweerder die omgevingsvergunning uiteindelijk weigert op dezelfde gronden als waarop het aan eiser 3 gerichte weigeringsbesluit van 16 juli 2019 steunt, kunnen eiser 1, eiseres 2 of die derde daartegen rechtsmiddelen aanwenden. In dat verband wijst de rechtbank op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 4 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3386.

De beroepen van eiser 1 (zaaknummer 19/1522) en eiseres 2 (zaaknummer 19/1532) tegen het besluit van 5 februari 2019 zijn daarom niet-ontvankelijk. Het beroep van eiser 3 tegen de besluiten van 5 februari 2019 en 16 juli 2019 is wel ontvankelijk. Volledige heroverweging op grondslag van het bezwaar 3. Eiser 3 betoogt dat het besluit van 5 februari 2019 dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:11 van de Awb. In dat verband wijst eiser 3 op de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4473. De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij het besluit van 5 februari 2019 heeft mogen volstaan met herroeping van het besluit van 14 augustus 2018 en het gelijktijdig ter inzage leggen van een ontwerpbesluit.

Daartoe wijst de rechtbank op de uitspraak van de Afdeling van 18 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1311, r.o.

11. Nu verweerder bij het besluit van 5 februari 2019 een exemplaar van het ontwerpbesluit en van de tekst van publicatie in het Berkelbericht van 12 februari 2019 met betrekking tot de terinzagelegging van het ontwerpbesluit en gelegenheid voor het indienen van een zienswijze vanaf 13 februari 2019 heeft overgelegd, is het besluit van 5 februari 2019 naar het oordeel van de rechtbank volledig als bedoeld in artikel 7:11, tweede lid, van de Awb en behoefde verweerder geen nader inhoudelijk besluit op de bezwaren van derde-partijen te nemen. Het in een afzonderlijke procedure nieuw te nemen, met de uitgebreide voorbereidingsprocedure tot stand te komen besluit, waartegen bij de rechtbank beroep openstaat, voorziet daarin.

Het betoog van eiser 3 slaagt niet. Bestemmingsplan “[woonplaats], Bedrijventerreinen 2011” 4. Eiser 3 betoogt dat de activiteiten waarvoor omgevingsvergunning is gevraagd, niet in strijd zijn met het geldende bestemmingsplan. Daartoe voert hij aan dat aan artikel 3.1, onder ac, van de bij het bestemmingsplan behorende regels niet de betekenis toekomt die verweerder daaraan geeft. Volgens vaste rechtspraak, onder meer de uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1829, dient bij toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan niet slechts te worden bezien of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt, maar dient mede te worden beoordeeld of het bouwwerk ook met het oog op zodanig gebruik wordt opgericht.

Dit houdt in dat moet worden geoordeeld dat een bouwwerk in strijd met de bestemming is indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet. Gelet op deze rechtspraak wordt hieronder bij de toetsing van de activiteiten waarvoor omgevingsvergunning is gevraagd aan het bestemmingsplan, ook het beoogde gebruik van het geluidsscherm en de weegbrug beoordeeld. In het geldende bestemmingsplan “[woonplaats], Bedrijventerreinen 2011” (hierna: het bestemmingsplan) heeft het perceel de enkelbestemming “Bedrijventerrein” en de dubbelbestemming “Waarde-archeologische verwachting 1”.

Volgens de functieaanduiding zijn bedrijven tot en met categorie 3.2 mogelijk. Volgens de bij het bestemmingsplan behorende Staat van bedrijfsactiviteiten is op het perceel, voor zover hier van belang, toegestaan “Overige groothandel in afval en schroot” en “Overige metaalbewerkende industrie”. De bedrijfsactiviteiten vallen daarmee onder categorie 3.2, zodat in zoverre wordt voldaan aan het bestemmingsplan. Artikel 3.1, onder ac, van de bij het bestemmingsplan behorende regels bepaalt dat inrichtingen die zijn genoemd in de onderdelen C of D van de Bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage niet zijn toegestaan.

In categorie D18.8 van de genoemde bijlage zijn in Kolom 1 de volgende activiteiten opgenomen: oprichting, wijziging of uitbreiding van een inrichting voor de opslag van schroot, met inbegrip van autowrakken. De rechtbank stelt met verweerder vast dat op het perceel in of omstreeks 2018 een nieuwe inrichting voor de opslag van schroot is opgericht, wat onder categorie D18.8 van de Bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage valt. De activiteiten waarvoor omgevingsvergunning is gevraagd, zijn daarom in strijd met het bestemmingsplan. Anders dan eiser 3 betoogt, acht de rechtbank de betreffende bij het bestemmingsplan behorende regels voldoende duidelijk, eenduidig en niet tegenstrijdig en vindt de rechtbank geen aanleiding om het bepaalde in artikel 3.1, onder ac, in dit geval uit oogpunt van rechtszekerheid buiten toepassing te laten.

Het betoog van eiser 3 slaagt niet. Verweerders bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan 5. Eiser 3 betoogt verder dat de activiteiten waarvoor omgevingsvergunning is gevraagd, niet in strijd zijn met het planologisch beleid en dat verweerder met zijn koerswijziging onzorgvuldig heeft gehandeld en het vertrouwensbeginsel heeft geschonden. Verweerder heeft bij het besluit van 16 juli 2019 geweigerd om de omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder 3°, van de Wabo in afwijking van het bestemmingsplan te verlenen.

Daartoe heeft verweerder overwogen dat met artikel 3.1, onder ac, van de bij het bestemmingsplan behorende regels is bedoeld om geen nieuwe C of D bedrijven de mogelijkheid te bieden zich te vestigen op dit bedrijventerrein. Dit doorbreekt de structuur van de gewenste kleinschaligheid in combinatie met gemengde functies van dit bedrijventerrein, mede gelet op de ligging nabij burgerwoningen. Dat laat onverlet dat aan bestaande rechten van bedrijven niet wordt getornd. Ondanks het feit dat het bedrijf van eiser 3 en het voormalige autodemontagebedrijf dezelfde SBI-code (4677) hebben, hebben ze een verschillende omschrijving (overige groothandel in schroot en autodemontagebedrijf), aldus verweerder.

De beslissing om al dan niet met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo, een omgevingsvergunning te verlenen voor een project dat in strijd is met een bestemmingsplan, is een bevoegdheid van verweerder. Gelet op de aanhef van artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo mag de activiteit niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Verder geldt dat verweerder beleidsruimte heeft bij de beslissing of het gebruik maakt van zijn bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan. De bestuursrechter toetst of verweerder bij een afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen (vergelijk de uitspraak van 12 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4079).

De rechtbank heeft in wat eiser 3 heeft aangevoerd, geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat verweerder bij een afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de bedrijfsactiviteiten van eiser 3, met name de opslag en bewerking van schroot, niet zijn aan te merken als een voortzetting van de gestaakte bedrijfsactiviteiten van het autodemontagebedrijf op het perceel waar de aanvraag betrekking op heeft. De bedrijfsactiviteiten van eiser 3 hebben een wezenlijk andere ruimtelijke uitstraling dan die van het autodemontagebedrijf en leiden volgens metingen van verweerder tot een aanmerkelijke overschrijding van de op grond van de geldende geluidnormen toegestane geluidbelasting op omliggende burgerwoningen.

Verder heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet onzorgvuldig en niet in strijd met het vertrouwensbeginsel gehandeld door de gevraagde omgevingsvergunning bij het besluit van 16 juli 2019 alsnog te weigeren. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder aanvankelijk niet heeft onderkend dat de vestiging van het bedrijf van eiser 3 op het perceel niet past binnen de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Het betoog van eiser 3 slaagt niet.

6. De beroepen van eiser 3 tegen de besluiten van 5 februari 2019 (zaaknummer 19/1557) en 16 juli 2019 (zaaknummer 19/5082) zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart de beroepen van eiser 1 en eiseres 2 tegen het besluit van 5 februari 2019 niet-ontvankelijk; - verklaart de beroepen van eiser 3 tegen de besluiten van 5 februari 2019 en 16 juli 2019 ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzitter, mr.drs. M.S.T. Belt en mr. A.G.A. Nijmeijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr.

P.M. Saedt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening. Bestemmingsplan “[woonplaats], Bedrijventerreinen 2011” Artikel 3 Bedrijventerrein 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. bedrijfsactiviteiten in de categorieën 1, 2, 3.1 en 3.2 van de bij deze regels behorende 'Staat van Bedrijfsactiviteiten'; b. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2' uitsluitend voor bedrijven in categorie 1 en 2 in de Staat van Bedrijfsactiviteiten; c. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1' uitsluitend voor bedrijven in categorie 1, 2 en 3.1 in de Staat van Bedrijfsactiviteiten; d. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.2' uitsluitend voor bedrijven in categorie 1, 2, 3.1 en 3.2 in de Staat van Bedrijfsactiviteiten; e. ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen met lpg' ook voor een verkooppunt voor motorbrandstoffen met lpg, met het vulpunt ter plaatse van de aanduiding 'vulpunt lpg'; f. ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg' ook voor een verkooppunt voor motorbrandstoffen zonder lpg; g. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel- buitenleven' ook voor een detailhandelsbedrijf in goederen en artikelen ten behoeve van tuinaanleg en -onderhoud, dierenvoeding en -verzorging, agrarische activiteiten, buiten-recreatie en daarbij behorende en daarmee gelijk te stellen functies en activiteiten; h. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel- bouwmarkt' ook voor een bouwmarkt; i. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel- verf en behang' ook voor detailhandel in verf, behang en aanverwante artikelen; j. ter plaatse van de aanduiding 'antennemast' uitsluitend voor een antennemast; k. volumineuze (grootschalige) detailhandel; met daarbij behorende: l. gebouwen, waaronder uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' ten hoogste één bedrijfswoning is begrepen tenzij anders is weergegeven met de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden'; m. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; n. werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden; o. tuinen; p. erven; q. terreinen; r. wegen met bijbehorende paden en bermen; s. ontsluitingspaden; t. parkeervoorzieningen; u. groenvoorzieningen; v. waterhuishoudkundige voorzieningen; w. doeleinden van openbaar nut; dit met inachtneming dat: x. de omvang van een bouwperceel per bedrijf maximaal 2.500 m2 bedraagt; met dien verstande dat niet zijn toegestaan: y. detailhandel, met uitzondering van productiegebonden detailhandel en detailhandel genoemd in 3.1, onder a tot en met i; z.

Bevi-inrichtingen; aa. vuurwerkinrichtingen; ab. Wgh-inrichtingen, behoudens ter plaatse van de aanduiding "gezoneerd industrieterrein"; ac. inrichtingen die zijn genoemd in de onderdelen C of D van de Bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage. 3.2 Bouwregels Op de voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden mogen alleen bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd. (…)