Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2025:2293 ECLI:NL:RBDHA:2025:2293 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2025:2293 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2025:2293
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL25.4642 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. E.J.L. van de Glind), en de Minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. T. Stelpstra). Procesverloop 1. Eiseres heeft op 18 januari 2025 een aanwijzing gekregen op grond van artikel 4.6 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) om zich op te houden in de internationale lounge en zich de volgende dag te melden voor de behandeling van haar asielaanvraag (hierna: de loungemaatregel). 1.1.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2025:2293 · Rechtbank Den Haag: Wat is het oordeel van de rechtbank? Het verblijf in de lounge 5. De rechter die over de vrijheidsontnemende maatregel oordeelt, treedt in beginsel niet in de rechtmatigheid van een aanwijzing op grond van artikel 4.6 van het Vreemdelingenbesluit 2000, omdat tegen een dergelijke aanwijzing administratief beroep openstaat. Ter beoordeling ligt voor of het verblijf in de lounge vanwege de omstandigheden van het geval moet worden aangemerkt als een vrijheidsontnemende maatregel.

Keywords

AI generated
deportation despite health issues compensation and assistance to passengers medical unfitness provision of medical care airport procedure leave on personal grounds

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBDHA:2025:1161
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.511 uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , [V-Nummer] , eiser (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:RVS:2018:4201
201805795/1/V3. Datum uitspraak: 20 december 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 9 juli 2018 in zaak nr. NL18.2120 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 28 januari 2018 is aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij uitspraak van 9 juli 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2023:3506
202301198/1/V3. Datum uitspraak: 15 september 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 februari 2023 in zaak nr. NL23.2682 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 27 januari 2023 heeft de staatssecretaris de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij besluit van 28 januari 2023 heeft de staatssecretaris de vreemdeling opnieuw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
ECLI:NL:RVS:2025:258
202407479/1/V3. Datum uitspraak: 29 januari 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 11 december 2024 in zaak nr. NL24.47085 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 22 november 2024 heeft de minister de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij uitspraak van 11 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van 11 december 2024 bevolen en schadevergoeding toegekend.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL25.4642 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. E.J.L. van de Glind), en de Minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. T. Stelpstra). Procesverloop 1. Eiseres heeft op 18 januari 2025 een aanwijzing gekregen op grond van artikel 4.6 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) om zich op te houden in de internationale lounge en zich de volgende dag te melden voor de behandeling van haar asielaanvraag (hierna: de loungemaatregel). 1.1.

Bij besluit van 19 januari 2025 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. 1.2. Eiseres heeft tegen de loungemaatregel en het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 13 februari 2025 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Hamidi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen 2. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.

3. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken. Wat vindt eiseres? 4. Eiseres betoogt allereerst dat verweerder haar niet zo lang in de lounge heeft mogen plaatsen. Dit geldt temeer nu daar geen medische zorg voorhanden is. Daarnaast vindt zij dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met haar medische omstandigheden.

Zijzelf en haar gemachtigde hebben meermalen tevergeefs om een arts gevraagd en het getuigt van een onevenredige hardheid dat zij pas op 4 februari 2025 door een arts is bezocht. Juist omdat het hier om een situatie van vrijheidsontneming gaat, moet er daadwerkelijk 24/7 toegang zijn tot een arts, aldus eiseres. Zij wijst erop dat klagen bij de commissie van toezicht haar niet heeft geholpen, omdat deze aangaf dat haar klacht een medische klacht betreft. Tot slot betoogt eiseres onder verwijzing naar de uitspraak van zittingsplaats Amsterdam van 31 januari 2025 dat het Justitieel Complex Schiphol (het JCS) geen gespecialiseerde inrichting is.

Wat is het oordeel van de rechtbank? Het verblijf in de lounge 5. De rechter die over de vrijheidsontnemende maatregel oordeelt, treedt in beginsel niet in de rechtmatigheid van een aanwijzing op grond van artikel 4.6 van het Vreemdelingenbesluit 2000, omdat tegen een dergelijke aanwijzing administratief beroep openstaat. Ter beoordeling ligt voor of het verblijf in de lounge vanwege de omstandigheden van het geval moet worden aangemerkt als een vrijheidsontnemende maatregel.

6. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) valt af te leiden dat het verblijf in de lounge voor de duur van één nacht in beginsel acceptabel is en dat bij een langere duur sprake kan zijn van vrijheidsontneming. Ook andere omstandigheden dan de duur kunnen maken dat sprake is van een vrijheidsontnemende maatregel.

7. Het verblijf in de lounge heeft in dit geval niet langer dan een nacht geduurd en naar het oordeel van de rechtbank is ook anderszins geen sprake van omstandigheden die maken dat sprake is van een vrijheidsontnemende maatregel. De rechtbank acht zich daarom, gezien de omstandigheden in dit geval, niet bevoegd om in deze procedure, die gaat over de vrijheidsontnemende maatregel, te oordelen over de vrijheidsbeperking in de lounge. Is de bewaring van een onevenredige hardheid? 8. Eiseres heeft in beroep haar medische dossier ingebracht. Hierin is terug te zien dat zij voorafgaand aan het contact met de arts op 4 februari 2025 veelvuldig contact heeft gehad met de medische dienst, te weten een verpleegkundige die onder verantwoordelijkheid van een arts werkt.

Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiseres graag eerder een arts had gezien, heeft zij daarmee toegang gehad tot medische voorzieningen. Nu evenmin is gebleken dat de medische klachten van dien aard zijn dat gesproken kan worden van detentieongeschiktheid, ziet de rechtbank in hetgeen eiseres naar voren heeft gebracht geen aanleiding om de maatregel vanwege een onevenredige hardheid onrechtmatig te achten. Voor zover eiseres beoogt te betogen dat de medische dienst tekort heeft geschoten in haar behandeling, kan de rechtbank dat niet beoordelen, nu dit een medische kwestie betreft.

Is sprake van een gespecialiseerde inrichting? 9. De rechtbank ziet in het betoog van eiseres, dat voornamelijk is gegrond op de uitspraak van zittingsplaats Amsterdam van 31 januari 2025, geen grond voor het oordeel dat het JCS niet als een gespecialiseerde inrichting is aan te merken. Daartoe is het volgende van belang.

10. In de uitspraak van 29 januari 2025 heeft de Afdeling, kort voor de uitspraak van zittingsplaats Amsterdam, geoordeeld dat het JCS als een gespecialiseerde bewaringsaccommodatie is aan te merken. Dit oordeel van de Afdeling ziet op een periode waarin gedetineerde vreemdelingen, vanwege het ongebruikelijk hoge aantal asielzoekers, waren onderworpen aan meer vrijheidsbeperkingen dan normaal. De rechtbank is niet gebleken dat eiseres aan meer beperkingen is onderworpen dan die door de Afdeling zijn betrokken. De in de uitspraak van zittingsplaats Amsterdam opgenomen beschrijving van de verrichte schouw geeft evenmin blijk van zodanige verdergaande beperkingen.

11. Het betoog slaagt daarom niet. Conclusie en gevolgen 12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Zittingsplaats Amsterdam, 31 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:1161. Uitspraak van de Afdeling van 20 december 2018. ECLI:NL:RVS:2018:4201, r.o. 5.1. Uitspraak van de Afdeling van 15 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3506. Zittingsplaats Amsterdam, 31 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:1161. Uitspraak van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:258.