Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2025:19952 ECLI:NL:RBDHA:2025:19952 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2025:19952 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2025:19952
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL25.50440 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser, geboren op [geboortedatum], van Algerijnse nationaliteit, V-nummer: [v-nummer:], (gemachtigde: mr. T. Bruinsma), en de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. G.J. Westendorp). Inleiding 1. De minister heeft op 31 mei 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. 1.1. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2025:19952 · Rechtbank Den Haag: Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. Wat vindt eiser? 4. Eiser betoogt dat de voortduring van de maatregel van bewaring onrechtmatig is. Hiertoe voert hij aan dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan zijn uitzetting.

Keywords

AI generated
duration of protection time limits for seeking redress extension of proceedings excessive duration of detention duration of stay continuation of pretrial detention

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBDHA:2025:16408
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL25.40031 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] eiser, geboren op [geboortedatum] van Algerijnse nationaliteit, V-nummer: [v-nummer:], (gemachtigde: mr. T. Bruinsma), en de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. K.J. Diender). Inleiding 1. De minister heeft op 31 mei 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. 1.1. De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het voortduren van de bewaring in kennis gesteld.
ECLI:NL:RVS:2024:1892
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, 2.
ECLI:NL:RVS:2024:2842
Bij uitspraak van 13 juni 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2022:85
202107180/1/V3. Datum uitspraak: 13 januari 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 9 november 2021 in zaak nr. NL21.16748 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 19 oktober 2021 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 9 november 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2022:2210
202203828/1/V3. Datum uitspraak: 2 augustus 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 20 juni 2022 in zaak nr. NL22.10519 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 7 juni 2022 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 20 juni 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL25.50440 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser, geboren op [geboortedatum], van Algerijnse nationaliteit, V-nummer: [v-nummer:], (gemachtigde: mr. T. Bruinsma), en de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. G.J. Westendorp). Inleiding 1. De minister heeft op 31 mei 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. 1.1. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld.

Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. 1.2. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 24 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al tweemaal eerder heeft getoetst.

Uit de uitspraak van 4 september 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 29 augustus 2025 de maatregel van bewaring rechtmatig is.

3. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. Wat vindt eiser? 4. Eiser betoogt dat de voortduring van de maatregel van bewaring onrechtmatig is. Hiertoe voert hij aan dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan zijn uitzetting.

Verder stelt eiser dat, nu hij volledig meewerkt aan zijn uitzetting en de bewaring hem zwaar valt, de voortzetting van de maatregel niet langer gerechtvaardigd is, dan wel dat dient te worden gekozen voor het opleggen van een lichter middel. Eiser heeft een brief aan de diplomatiek vertegenwoordiger van Algerije verstuurd, echter is bij navraag gebleken dat de brief niet is ontvangen. Eiser zal daarom opnieuw een brief opstellen. Oordeel van de rechtbank 4.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser.

Uit de voortgangsrapportage blijkt dat sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure driemaal is gerappelleerd op de lp-aanvraag bij Marokko, waarvan het laatste rappel dateert van 25 september 2025. Daarnaast is op 16 september 2025 en op 13 oktober 2025 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Deze gang van zaken acht de rechtbank voldoende voortvarend. 4.2. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de minister, gelet op wat eiser aanvoert, terecht geen aanleiding heeft hoeven zien om aan eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.

Ten aanzien van wat eiser stelt over het versturen van een brief aan de autoriteiten, verwijst de rechtbank naar de eerdere uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 4 september 2025. De niet nader onderbouwde stelling van eiser dat de bewaring hem zwaar valt, leidt evenmin tot het oordeel dat met een lichter middel had moeten worden volstaan of dat de voortzetting van de bewaring om die reden niet langer gerechtvaardigd is. 4.3. Verder is de rechtbank van oordeel dat zicht op uitzetting naar Algerije niet ontbreekt. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling van 6 mei 2024 en 15 juli 2024, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet (meer) ontbreekt.

De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. Niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten hebben aangegeven geen lp voor eiser te zullen verstrekken. Daarbij komt dat op eiser de verplichting rust om Nederland te verlaten. Deze plicht brengt onder meer met zich, dat eiser actieve en volledige medewerking aan zijn uitzetting dient te verlenen. Niet is gebleken dat eiser voldoende invulling geeft aan deze verplichting. Zo heeft hij tijdens de twee meest recente vertrekgesprekken opnieuw aangegeven niets te hebben ondernomen om zijn terugkeer naar Algerije mogelijk te maken en heeft hij ook aangegeven enkel naar Italië te willen vertrekken. 4.4.

De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Vreemdelingenwet 2000. NL25.40031, ECLI:NL:RBDHA:2025:16408. ECLI:NL:RBDHA:2025:16408. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2024:1892 en ECLI:NL:RVS:2024:2842. Laissez-passer. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 13 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:85 en Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 2 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2210.