Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2025:19799 ECLI:NL:RBDHA:2025:19799 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2025:19799 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2025:19799
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.30049 V-nummer: [V-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [belanghebbende] , belanghebbende (gemachtigde: mr. E. Stap), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Procesverloop Belanghebbende heeft beroep ingesteld. Verweerder heeft de gelegenheid van verweer gehad. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. Overwegingen Voor het wettelijke kader en de aan het beroep ten grondslag liggende overwegingen verwijst de rechtbank naar de bijlage bij deze uitspraak.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RBDHA:2025:19799 · Rechtbank Den Haag: Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die daaraan sedertdien in de weg hebben gestaan. Dat betekent dat de rechtbank verweerder thans de standaardtermijn van twee weken biedt om te beslissen op de asielaanvraag. ( ) De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om verweerder op te dragen zo snel mogelijk op de asielaanvraag van belanghebbende te beslissen, maar uiterlijk twee weken na verzending van deze uitspraak. De rechtbank stelt vast dat de uiterste termijn van 21 maanden zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn is verstreken zonder dat verweerder een besluit heeft genomen.

Keywords

AI generated
undue delay in asylum uninterrupted residence applicability of immigration law unworthiness of asylum unreasonableness of expulsion prolonged absence abroad

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht
Op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBDHA:2023:136
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL22.21969 V-nummer: [nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen [eiser] , geboren op [geboortedatum] , van Turkse nationaliteit, eiser (gemachtigde: mr. M.F. Wijngaarden), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigden: mr. M.R. Botman en M.A.A. Traousis). Procesverloop Eiser heeft op 10 april 2022 een aanvraag ingediend voor de verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 28 van de Vw.
ECLI:NL:RBDHA:2024:617
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL23.32265 [V-Nummer] uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen [eiser] , geboren op [geboortedatum] 1974, van Turkse nationaliteit, eiser (gemachtigde: mr. S. Thelosen), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op zijn asielaanvraag van 24 maart 2023. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
ECLI:NL:RBDHA:2024:620
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL23.29412 [V-Nummer] uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen [eiseres] , geboren op [geboortedatum] 1973, van Chinese nationaliteit, eiseres (gemachtigde: mr. J.M.M. Heilbron), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op haar asielaanvraag van 4 februari 2023.
ECLI:NL:RBDHA:2025:7807
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL24.33050 V-nummer: [V-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:RVS:2019:673
201808648/1R1.Datum uitspraak: 8 maart 2019 AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) in het geding tussen: [appellant], wonend te Bergen (NH), appellant, en de raad van de gemeente Bergen (NH), verweerder. Procesverloop [appellant] heeft in vervolg op de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2018, nr. 201709325/1/R1, beroep ingesteld tegen het andermaal niet tijdig nemen van een besluit door de raad omtrent vaststelling van het bestemmingsplan "Bergen Dorpskern Zuid". De raad heeft een verweerschrift ingediend. [appellant] heeft nadere stukken ingediend. Overwegingen 1. Het op deze zaak betrekking hebbend wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
ECLI:NL:RVS:2022:3352
202203066/1/V1. Datum uitspraak: 30 november 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 22 april 2022 in zaak nr. NL21.11403 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop De vreemdeling heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna ook: asielaanvraag) te verlenen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.30049 V-nummer: [V-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [belanghebbende] , belanghebbende (gemachtigde: mr. E. Stap), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Procesverloop Belanghebbende heeft beroep ingesteld. Verweerder heeft de gelegenheid van verweer gehad. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. Overwegingen Voor het wettelijke kader en de aan het beroep ten grondslag liggende overwegingen verwijst de rechtbank naar de bijlage bij deze uitspraak.

Is de beslistermijn overschreden? ( x ) Ja, belanghebbende heeft onbetwist gesteld dat de beslistermijn is overschreden. ( ) Ja, dit is tussen partijen niet in geschil. ( ) Ja, verweerders standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard volgt de rechtbank niet. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van 6 januari 2023. ( ) Ja, verweerders standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard volgt de rechtbank niet. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraken van 24 januari 2024. ( ) Ja, verweerders standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard volgt de rechtbank niet.

De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak 24 april 2025. ( ) Nee. Is er een correcte ingebrekestelling en is het beroep meer dan twee weken later ingesteld? ( x ) Ja.( ) Nee. ( ) Een ingebrekestelling is in dit geval niet vereist. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 8 maart 2019. Is het beroep gegrond? ( ) Nee. Het beroep is niet-ontvankelijk omdat niet is voldaan aan de voorwaarden voor het instellen van beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit.( x ) Ja.

Heeft belanghebbende de rechtbank verzocht om de bestuurlijke dwangsom vast te stellen? ( ) Ja. Verweerder is in dit geval geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd. Met de tijdelijke wet dwangsom heeft verweerder de bestuurlijke dwangsom afgeschaft in asielzaken. Dit is niet in strijd met het Unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel of doeltreffendheidsbeginsel. Voor de motivering van dit oordeel wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 30 november 2022.( x ) Nee. Binnen welke termijn moet verweerder alsnog een besluit nemen? ( x ) De rechtbank stelt een termijn vast die aansluit bij het 8+8-wekenmodel zoals geformuleerd in de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2020.

Het nader gehoor is nog niet afgenomen. Dat betekent dat de rechtbank verweerder thans nog zestien weken biedt om te beslissen op de asielaanvraag. ( ) De rechtbank stelt een termijn vast die aansluit bij het 8+8-wekenmodel zoals geformuleerd in de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2020. Het nader gehoor is al afgenomen. Dat betekent dat de rechtbank verweerder thans nog acht weken biedt om te beslissen op de asielaanvraag. ( ) De rechtbank stelt vast dat verweerder in het verleden uitdrukkelijk is opgedragen te beslissen op de aanvraag van belanghebbende, maar dat nog steeds niet heeft gedaan.

Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die daaraan sedertdien in de weg hebben gestaan. Dat betekent dat de rechtbank verweerder thans de standaardtermijn van twee weken biedt om te beslissen op de asielaanvraag. ( ) De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om verweerder op te dragen zo snel mogelijk op de asielaanvraag van belanghebbende te beslissen, maar uiterlijk twee weken na verzending van deze uitspraak. De rechtbank stelt vast dat de uiterste termijn van 21 maanden zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn is verstreken zonder dat verweerder een besluit heeft genomen.

Hoe hoog is de rechterlijke dwangsom als verweerder niet binnen deze termijn beslist? ( x ) € 100,-, met een maximum van € 7.500,-. ( ) € 200,-, met een maximum van € 15.000,-. ( ) € 250,-, met een maximum van € 37.500,-. Is er aanleiding om proceskosten vast te stellen? ( x ) Ja. ( ) Nee. Hoe hoog zijn de te vergoeden proceskosten? De volgende proceskosten worden toegekend: ( x ) 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5.( ) 0,5 punt voor een nadere reactie met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5. ( ) 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1.( ) 0,5 punt voor een nadere reactie met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1.

Beslissing De rechtbank: ( ) verklaart het beroep niet-ontvankelijk; ( x ) verklaart het beroep gegrond; ( x ) draagt verweerder op binnen maximaal zestien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit bekend te maken; ( ) draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit bekend te maken; ( ) draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit bekend te maken; ( ) draagt verweerder op zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit bekend te maken; ( x ) bepaalt dat verweerder aan belanghebbende een dwangsom van ( x ) € 100,- ( ) € 200,- ( ) € 250,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van ( x ) € 7.500,- ( ) € 15.000,- ( ) € 37.500,-. ( x ) veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van ( x ) € 453,50 ( ) € 680,25 ( ) € 907,- ( ) € 1.360,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Özçelik, griffier. Bijlage Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. Als niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een beroep tegen niet tijdig beslissen, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Als verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen.

Verweerder moet dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen. De rechtbank bepaalt dat verweerder bij het overschrijden van de door de rechtbank vastgestelde termijn een dwangsom verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden. Dit is de rechterlijke dwangsom. Voor de dwangsomtermijn wordt uitgegaan van een termijn van 75 dagen voor verweerder om alsnog een besluit te nemen. De rechtbank legt in beginsel een dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 7.500,-.

Bij opvolgende beroepen niet tijdig die worden ingesteld nádat de maximale dwangsom is volgelopen, zal de dwangsom worden verdubbeld, bij een gelijk aantal dagen. Bij zaken waarin zelfs de 21-maanden-termijn is overschreden is verweerder een dwangsom van € 200,- verschuldigd voor elke dag waarmee de genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. Als het beroep gegrond is, bepaalt de rechtbank dat verweerder het griffierecht moet vergoeden als belanghebbende dat heeft betaald. Als belanghebbende is bijgestaan door een rechtsbijstandverlener, stelt de rechtbank een vergoeding vast van zijn kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

De zaak is van licht gewicht als het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en/of een dwangsom is verbeurd. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). ECLI:NL:RBDHA:2023:136. Deze uitspraak gaat over WBV 2022/22. ECLI:NL:RBDHA:2024:617 en ECLI:NL:RBDHA:2024:620. Deze uitspraken gaan over WBV 2023/3.

ECLI:NL:RBDHA:2025:7807. Deze uitspraak gaat over WBV 2023/26. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2019:673. ECLI:NL:RVS:2022:3352. ECLI:NL:RVS:2020:1560. ECLI:NL:RVS:2020:1560. Zie ook ECLI:NL:RVS:2020:1560. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb. Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb. Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb. Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. Artikel 74, eerste lid, van de Awb.

Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.