Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2025:14520 ECLI:NL:RBDHA:2025:14520 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2025:14520 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2025:14520
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL25.22347 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], V-nummer: [nummer], [naam], V-nummer: [nummer], [naam], V-nummer: [nummer], [naam], V-nummer: [nummer], [naam], V-nummer: [nummer], gezamenlijk: eisers, (gemachtigde: mr. T.M. van der Wal), en de Minister van Asiel en Migratie, de minister. Inleiding 1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eisers hebben ingediend omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de aanvraag van 20 augustus 2024 tot het verlenen van een machtiging voor voorlopig verblijf. 1.1.

Legislator headnote

AI generated

artikel 4:17 van de Awb, Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 8:55d van de Awb; ECLI:NL:RBDHA:2025:14520 · Rechtbank Den Haag: Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 2u, eerste lid van de Vreemdelingenwet (Vw). Artikel 6:12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb. Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder b, van de Awb. ECLI:NL:RBDHA:2023:3590. Als bedoeld in artikel 8:55d van de Awb. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2024:2643. ECLI:NL:RVS:2025:2337. Artikel 8:55d. tweede lid, van de Awb. Artikel 4:17 van de Awb.

Keywords

AI generated
delayed asylum application untimely request for extension prosecutorial delay duration of stay extension of visiting rights waiting period

Cited Legislation

AI generated
artikel 4:17 van de Awb
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
artikel 8:55d van de Awb
Als bedoeld in artikel 8:55d van de Awb.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBDHA:2023:3590
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL23.2362 uitspraak van de meervoudige kamer van 17 maart 2023 in de zaak tussen [eiseres] , v-nummer: [nummer] , eiseres (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:RVS:2024:2643
202305953/1/V1. Datum uitspraak: 3 juli 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [de vreemdelingen], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 22 augustus 2023 in zaak nr. NL23.20361 in het geding tussen: de vreemdelingen en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop De vreemdelingen hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op aanvragen om hun een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: een mvv) te verlenen. Bij uitspraak van 22 augustus 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep gegrond verklaard en bepaald dat de staatssecretaris binnen vier weken alsnog een besluit op de aanvragen bekendmaakt, binnen acht weken als hij gelegenheid tot herstel van verzuimen biedt, binnen zestien weken als hij nader onderzoek in de vorm van een identificerend gehoor of DNA-onderzoek aanbiedt en binnen twintig weken als hij zowel gelegenheid tot herstel van verzuimen als nader onderzoek aanbiedt, en aan de vreemdelingen een dwangsom verbeurt van € 100,00 voor elke dag dat hij die termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,00.
ECLI:NL:RVS:2025:2337
202405046/1/V1. Datum uitspraak: 21 mei 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 15 juli 2024 in zaak nr. NL24.25454 in het geding tussen: [betrokkene], mede voor haar minderjarige kinderen, en de minister. Procesverloop Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om haar, mede voor haar kinderen, een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: een mvv) te verlenen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL25.22347 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], V-nummer: [nummer], [naam], V-nummer: [nummer], [naam], V-nummer: [nummer], [naam], V-nummer: [nummer], [naam], V-nummer: [nummer], gezamenlijk: eisers, (gemachtigde: mr. T.M. van der Wal), en de Minister van Asiel en Migratie, de minister. Inleiding 1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eisers hebben ingediend omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de aanvraag van 20 augustus 2024 tot het verlenen van een machtiging voor voorlopig verblijf. 1.1.

De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. 1.2. Eisers hebben gevraagd om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. Eisers hoeven dus geen griffierecht te betalen. Beoordeling door de rechtbank Is het beroep ontvankelijk en gegrond? 2. De minister moet uiterlijk binnen 90 dagen na het ontvangen van de aanvraag beslissen. De minister heeft deze termijn met drie maanden verlengd. De rechtbank stelt vast dat deze termijn is verstreken. Eisers hebben de minister, na het verstrijken van deze termijn, gevraagd om alsnog binnen twee weken te beslissen.

Dat heeft de minister niet gedaan. Eisers hebben vervolgens beroep ingesteld.

3. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond. Welke beslistermijn legt de rechtbank de minister op? 4. De meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, heeft in de uitspraak van 17 maart 2023 geoordeeld dat bij de overschrijding van de beslistermijn bij aanvragen om gezinshereniging bij een houder van een asielvergunning sprake is van een bijzonder geval, en hier rekening mee dient te worden gehouden bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn. De Afdeling heeft geoordeeld dat de beslistermijnen die de rechtbank in de uitspraak van 17 maart 2023 aan de verschillende fasen in de besluitvorming verbindt redelijk is. Dit oordeel heeft de Afdeling in de uitspraak van 21 mei 2025 bevestigd.

5. De rechtbank stelt vast dat het dossier (mogelijk) nog niet compleet is, omdat de minister de bij de aanvraag ingediende documenten nog moet beoordelen, van plan is een herstelverzuim te sturen voor nadere documenten of informatie, of in afwachting is van een reactie op die herstelverzuimbrief. De rechtbank bepaalt daarom dat de minister binnen acht weken een beslissing op de aanvraag moet nemen. Dit is anders wanneer de minister binnen deze termijn van acht weken besluit tot nader onderzoek. In dat geval moet de minister binnen twintig weken een beslissing op de aanvraag nemen.

De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak. Legt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op? 6. Eisers hebben gevraagd om een dwangsom op te leggen als de minister niet op tijd beslist. De rechtbank bepaalt in deze zaak dat, als de minister niet binnen de door de rechtbank opgelegde termijn een besluit op de aanvraag neemt, zij een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. Is de minister een bestuurlijke dwangsom verschuldigd? 7.

Eisers hebben gevraagd de bestuurlijke dwangsom vast te stellen. Echter, de minister heeft bij wet de bestuurlijke dwangsom in onder andere nareis zaken (deels) afgeschaft. De minister is volgens deze wet in een deel van de zaken geen bestuurlijke dwangsom meer verschuldigd. In voorkomende gevallen moet de bestuurlijke dwangsom per zaak worden berekend.

8. Eisers hebben de minister met de brief van 19 februari 2025 in gebreke gesteld. De minister heeft de ingebrekestelling op 20 februari 2025 ontvangen. De minister heeft niet binnen twee weken na de ingebrekestelling alsnog een besluit genomen. Daarom moet de minister een bestuurlijke dwangsom aan eisers betalen. Omdat de bestuurlijke dwangsom (deels) is afgeschaft, is de minister een bestuurlijke dwangsom verschuldigd tot 15 april 2025. Concreet betekent dit dat de minister in dit geval een bestuurlijke dwangsom is verschuldigd van 7 maart 2025 tot 15 april 2025.

De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. De rechtbank stelt de bestuurlijke dwangsom vast op € 1.307,-. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen en de minister binnen acht weken een besluit moet nemen op de aanvraag, tenzij de minister binnen deze termijn besluit tot nader onderzoek. In dat geval moet de minister binnen twintig weken een besluit nemen op de aanvraag. Doet de minister dat niet, dan is zij aan eisers een dwangsom verschuldigd.

De minister moet ook een bestuurlijke dwangsom aan eisers betalen.

10. De minister moet de door eisers gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 453,50. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; draagt de minister op binnen acht weken na bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken. Tenzij de minister binnen deze termijn besluit tot nader onderzoek. In dat geval moet de minister binnen twintig weken na bekendmaking van deze uitspraak een beslissing op de aanvraag bekend maken; bepaalt dat de minister aan eisers een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee zij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; stelt de hoogte van de door de minister aan eisers verschuldigde dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb vast op € 1.307,-; veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 453,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. B.A. Smit, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 2u, eerste lid van de Vreemdelingenwet (Vw). Artikel 6:12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb. Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder b, van de Awb. ECLI:NL:RBDHA:2023:3590. Als bedoeld in artikel 8:55d van de Awb. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2024:2643. ECLI:NL:RVS:2025:2337. Artikel 8:55d. tweede lid, van de Awb. Artikel 4:17 van de Awb.

Wet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken. Informatiebericht 2025/16, Afschaffing bestuurlijke dwangsom. Artikel 4:17 van de Awb. Artikel 4:17, tweede lid, van de Awb. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor van 0,5.