Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2024:13435 ECLI:NL:RBDHA:2024:13435 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2024:13435 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2024:13435
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.15931 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoekster] , V-nummer: [V-nummer] , verzoekster mede voor haar minderjarige kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (gemachtigde: mr. M.B.J. Strooij), en de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (gemachtigde: mr. P. Jans). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de afwijzing haar aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [A] ’. 1.1.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RBDHA:2024:13435 · Rechtbank Den Haag: M.B.J. Strooij), en de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (gemachtigde: mr. P. Jans). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de afwijzing haar aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [A] ’. 1.1.

Keywords

AI generated
expired residence permit withdrawal of petition right to a decision revocation of settlement permit family residence permit suspension of visitation rights

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.15931 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoekster] , V-nummer: [V-nummer] , verzoekster mede voor haar minderjarige kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (gemachtigde: mr. M.B.J. Strooij), en de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (gemachtigde: mr. P. Jans). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de afwijzing haar aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [A] ’. 1.1.

De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 12 maart 2024 afgewezen. Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. 1.2. Verzoekster is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen. 1.3. Partijen hebben de voorzieningenrechter toestemming gegeven om de zaak zonder zitting af te doen. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan - onder meer - indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3. Eiseres heeft verzocht om als voorlopige voorziening te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist.

4. De minister heeft in een brief van 11 juli 2024 laten weten dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening totdat op het bezwaar is beslist, waardoor rechtmatig verblijf ontstaat.

5. Aangezien partijen het er over eens zijn dat van uitzetting van verzoekster behoort te worden afgezien en gelet op de termijn voor het indienen van beroep, wijst de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening toe en verbiedt de uitzetting van verzoekster tot vier weken nadat de beslissing op bezwaar bekend is gemaakt.

6. Omdat het verzoek wordt toegewezen, krijgt verzoekster een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. De minister moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift). Dat punt heeft een waarde van € 875,- bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 875,-. Beslissing De voorzieningenrechter: -wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe; -schorst het primaire besluit en verbiedt de minister verzoekster uit Nederland te verwijderen tot vier weken nadat de beslissing op bezwaar bekend is gemaakt; -veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 875,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 25 juli 2024 Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.