Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2024:1237 ECLI:NL:RBDHA:2024:1237 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2024:1237 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2024:1237
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL23.38559 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser/verzoeker], V-nummer: [v-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. R.H.T. van Boxmeer), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 8 december 2023 niet in behandeling genomen omdat Kroatië ervoor verantwoordelijk is.

Legislator headnote

AI generated

artikel 3 van het EVRM; ECLI:NL:RBDHA:2024:1237 · Rechtbank Den Haag: Ten slotte stelt eiser dat er bij terugkeer naar Kroatië een reëel risico is op schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiser eerder naar voren heeft gebracht, kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.

Keywords

AI generated
Dublin transfer to Croatia asylum application Turkish Kurd visas, asylum, immigration, etc principle of non-refoulement deportation despite health issues immigration law fraud

Cited Legislation

AI generated
artikel 3 van het EVRM
Ten slotte stelt eiser dat er bij terugkeer naar Kroatië een reëel risico is op schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBDHA:2023:20308
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: NL23.28101 (beroep) NL23.28102 (voorlopige voorziening) uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , eiser/verzoeker, hierna: eiser, V-nummer: [#] (gemachtigde: mr. M.R. Verdoner), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: S. Beyik). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 september 2023 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk wordt geacht voor de aanvraag. 1.1 Gelijktijdig met het indienen van het beroep heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat eiser niet wordt uitgezet tot nadat op zijn beroep is beslist. 1.2 De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 22 november 2023 op zitting behandeld.
ECLI:NL:RBDHA:2023:15489
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: NL23.22999 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:RBDHA:2022:5724
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: NL22.6989 VERWIJZINGSUITSPRAAK uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , geboren op [geboortedag] 1992 in Saudi-Arabië, van Syrische nationaliteit, eiser, (gemachtigde: mr. A. Khalaf), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs). Verzoek aan het Hof van Justitie van de Europese Unie tot het beantwoorden van prejudiciële vragen in een versnelde procedure (PPA) I Dient de Dublinverordening, gelet op punten 3, 32 en 39 van de considerans en gelezen in samenhang met artikelen 1, 4, 18, 19 en 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, aldus te worden uitgelegd en toegepast dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet deelbaar is, zodat ernstige en stelselmatige schendingen van het Unierecht die door de mogelijk verantwoordelijke lidstaat worden begaan vóór overdracht ten aanzien van derdelanders die (nog) geen Dublinterugkeerder zijn absoluut in de weg staan aan overdracht aan deze lidstaat? II Dient artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening, indien de vorige vraag ontkennend wordt beantwoord, gelezen in samenhang met artikelen 1, 4, 18, 19 en 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, aldus te worden uitgelegd dat indien de mogelijk verantwoordelijke lidstaat op ernstige en stelselmatige wijze het Unierecht schendt, de overdragende lidstaat in het kader van de Dublinverordening niet voetstoots van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan, maar elke twijfel moet wegnemen dan wel aannemelijk moet maken dat de verzoeker na overdracht niet in een situatie zal geraken die in strijd is met artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie? III Met welke bewijsmiddelen kan de verzoeker zijn argumenten dat artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening, aan zijn overdracht in de weg staat staven en welke bewijsmaatstaf dient hierbij te worden gehanteerd? Heeft de overdragende lidstaat, gelet op de verwijzingen naar het Unieacquis in de considerans van de Dublinverordening, een samenwerkingsplicht en/of vergewisplicht, dan wel dienen er, indien sprake is van ernstige en stelselmatige schendingen van grondrechten ten aanzien van derdelanders, individuele garanties te worden verkregen van de verantwoordelijke lidstaat dat na overdracht de grondrechten van de verzoeker (wel) worden geëerbiedigd? Luidt de beantwoording van deze vraag anders als de verzoeker in bewijsnood verkeert indien hij zijn consistente en gedetailleerde verklaringen niet met documenten kan staven, terwijl dit gelet op de aard van de verklaringen niet kan worden verwacht? IV Luidt de beantwoording van de voorgaande vragen onder III anders indien de verzoeker aannemelijk maakt dat klagen bij de autoriteiten en/of het aanwenden van rechtsmiddelen in de verantwoordelijke lidstaat niet mogelijk en/of niet effectief zal zijn? Verzoek aan het Hof van Justitie tot het behandelen en beantwoorden van de prejudiciële vragen in een versnelde procedure op grond van artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie ( PPA ) .
ECLI:NL:RBOBR:2023:5287
Uitspraak van 18 november 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:5287.
ECLI:NL:RVS:2023:3411
202303599/1/V3. Datum uitspraak: 13 september 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 juni 2023 in zaak nr. NL23.6781 in het geding tussen: [de vreemdeling], en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 6 maart 2023 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2014:3164
201404599/1/V4. Datum uitspraak: 14 augustus 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 27 mei 2014 in zaken nrs. 14/11240, 14/11242, 14/11241 en 14/11243 in het geding tussen: [de vreemdelingen] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij onderscheiden besluiten van 8 mei 2014 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL23.38559 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser/verzoeker], V-nummer: [v-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. R.H.T. van Boxmeer), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 8 december 2023 niet in behandeling genomen omdat Kroatië ervoor verantwoordelijk is.

Beoordeling door de rechtbank Geen zitting 2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond.Hieronder legt de rechtbank dit uit. Waar gaat deze zaak over? 3. Eiser stelt de Sierra Leoonse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag] 2003. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser verzoekt alles wat hij eerder in deze procedure naar voren heeft gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen.

Hij stelt dat het bestreden besluit tot stand is gekomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In Kroatië heeft eiser meermaals en recent nog te maken gekregen met pushbacks en is daar gedetineerd en mishandeld. Als gevolg hiervan heeft hij een litteken, psychische klachten en nachtmerries. Vanwege deze ervaringen kan van hem niet worden gevergd dat hij opnieuw in Kroatië een verzoek om internationale bescherming indient, ongeacht of Kroatië zich aan zijn verdragsverplichtingen houdt.

Ter onderbouwing verwijst eiser naar een aantal uitspraken. Verweerder zou opnieuw moeten toetsen aan artikel 17, eerste lid Dublinverordening. In Kroatië heeft eiser geen tolk, rechtsbijstand en opvang gekregen waardoor niet van het interstatelijke vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan. De prejudiciële vragen die op 15 juni 2022 zijn gesteld ten aanzien van de deelbaarheid van het interstatelijke vertrouwensbeginsel, de bewijslast en bewijsmiddelen moeten afgewacht worden. De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Bosch heeft een verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, nu niet uitgesloten was dat de overdracht onomkeerbare gevolgen voor de vreemdeling zou hebben.

Ten slotte stelt eiser dat er bij terugkeer naar Kroatië een reëel risico is op schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiser eerder naar voren heeft gebracht, kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.

6. In Dublinzaken geldt het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit houdt in dat verweerder er als uitgangspunt op mag vertrouwen dat andere lidstaten zich houden aan hun verplichtingen uit het Unierecht en mensenrechtenverdragen. 6.1 Ook in deze zaak mag verweerder uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, aangezien eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit ten aanzien van Kroatië niet kan. De hoogste bestuursrechter heeft dit in de uitspraak van 13 september 2023 bevestigd. Volgens de hoogste bestuursrechter heeft verweerder met het onderzoek naar de actuele situatie voor Dublinclaimanten in Kroatië de twijfel weggenomen of hij nog mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

Hierbij is van belang dat de hoogste bestuursrechter de door eiser aangehaalde prejudiciële vragen die gesteld zijn aan het Hof van Justitie heeft meegenomen in haar overweging. Ook is de hoogste bestuursrechter tot de conclusie gekomen dat er geen concreet bewijs is dat Dublinclaimanten op dit moment te maken hebben met pushbacks in Kroatië. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de behandeling van het beroep aan te houden in afwachting van de beantwoording van deze prejudiciële vragen. Dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Bosch een verzoek om een voorlopige voorziening heeft toegewezen, nu niet uitgesloten was dat de overdracht onomkeerbare gevolgen voor de vreemdeling zou hebben, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel, nog daargelaten dat eiser zijn gestelde psychische klachten niet heeft onderbouwd. 6.2 De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom geen gebruik wordt gemaakt van de discretionaire bevoegdheid die is neergelegd in artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.

Ten aanzien van de uitspraken van de rechtbank Haarlem waar eiser op heeft gewezen overweegt de rechtbank dat uit jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter volgt dat omstandigheden die op onderwerpen zien die van betekenis zijn voor de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, niet van betekenis zijn voor de beoordeling of zich bijzondere individuele omstandigheden voordoen die ertoe leiden dat een overdracht aan Kroatië getuigt van onevenredige hardheid. De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheden die eiser heeft aangevoerd over zijn behandeling door de Kroatische autoriteiten, zien op de vraag of Kroatië zijn internationale verplichtingen nakomt en dat deze omstandigheden daarom niet van betekenis kunnen zijn bij de beoordeling of verweerder gebruik zou moeten maken van zijn in artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening neergelegde bevoegdheid. 6.3 Met het claimakkoord heeft Kroatië gegarandeerd dat de asielaanvraag van eiser in behandeling zal worden genomen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen.

Daarom kan van eiser worden gevergd dat hij opnieuw een verzoek om internationale bescherming indient in Kroatië, ook als hij in het verleden te maken heeft gehad met pushbacks. Als eiser in Kroatië toch wordt geconfronteerd met tekortkomingen of problemen bij de behandeling of beoordeling van zijn asielaanvraag, in de opvang, of anderszins ligt het op zijn weg hierover bij de daartoe geëigende instanties, dan wel bij de (hogere) Kroatische autoriteiten te klagen. Het is niet gebleken dat dit voor eiser onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.

7. Gelet op wat is overwogen onder punt 6 tot en met punt 6.3 leiden de tekortkomingen in het asielsysteem in Kroatië er niet toe dat voor Dublinclaimanten in het algemeen of voor eiser specifiek een reëel risico bestaat op een behandeling in strijd met artikel 4 van het EU Handvest en artikel 3 van het EVRM. Verweerder heeft de aanvraag van eiser dan ook op goede gronden niet in behandeling genomen omdat Kroatië ervoor verantwoordelijk is. Van een zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek of strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur is de rechtbank niet gebleken. Conclusie en gevolgen 8. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.

9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van J. Dommerholt, griffier De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrechter (Awb). Uitspraken van de rechtbank Haarlem van 6 december 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:20308 en 11 oktober 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:15489. Tussenuitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 15 juni 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:5724. Uitspraak van 18 november 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:5287. Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. ECLI:NL:RVS:2023:3411. Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3164.