Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2024:1202 ECLI:NL:RBDHA:2024:1202 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2024:1202 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2024:1202
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL24.1792 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 februari 2024 in de zaak tussen [eiser] , eiser, v-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. V. Senczuk), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 15 januari 2024 waarin de staatssecretaris aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) heeft opgelegd.

Legislator headnote

AI generated

artikel 106 van de Vw; ECLI:NL:RBDHA:2024:1202 · Rechtbank Den Haag: Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

Keywords

AI generated
prosecutorial delay expiry of statutory deadline untimely restitution petition forfeiture of administrative claim extension of detention deportation untimely grounds

Cited Legislation

AI generated

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2016:2005
201603430/1/V3. Datum uitspraak: 13 juli 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 4 mei 2016 in zaak nr. 16/8062 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 15 april 2016 is de vreemdeling krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) in vreemdelingenbewaring gesteld.
ECLI:NL:RVS:2018:2083
In afwijking van artikel 84, onder a, staat tegen de uitspraak van de rechtbank, bedoeld in artikel 94, vijfde lid, hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2021:885
202102143/1/V3. Datum uitspraak: 26 april 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 29 maart 2021 in zaak nr. NL21.3956 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 16 maart 2021 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 29 maart 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL24.1792 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 februari 2024 in de zaak tussen [eiser] , eiser, v-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. V. Senczuk), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 15 januari 2024 waarin de staatssecretaris aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) heeft opgelegd.

Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. 1.1. Op 24 januari 2024 heeft de staatssecretaris de maatregel van bewaring opgeheven. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 30 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris. Beoordeling door de rechtbank 2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.

Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

3. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van de met ingang van 15 januari 2024 opgelegde maatregel van bewaring. De grondslag van deze maatregel (artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000) is tussen partijen niet in geschil. Voorafgaand aan 15 januari 2024 is eiser een aantal dagen op een onjuiste grondslag vastgehouden. De staatssecretaris heeft de onrechtmatigheid daarvan erkend en aan eiser over deze dagen een schadevergoeding toegekend. Leidt de onrechtmatigheid van de eerder opgelegde maatregel tot onrechtmatigheid van het bestreden besluit? 4.

Volgens eiser heeft de onrechtmatigheid van de opgelegde maatregel van bewaring voorafgaand aan 15 januari 2024 tot gevolg dat ook de hier te beoordelen maatregel vanaf aanvang onrechtmatig is. 4.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt het uitgangspunt dat een gebrek in de eerste maatregel van bewaring de daaropvolgende maatregel niet alleen al daarom van het begin af onrechtmatig maakt. Op dit uitgangspunt moet een uitzondering worden gemaakt in geval van een ernstige schending van het fundamentele recht om in vrijheid te worden gesteld indien de bewaring onrechtmatig is.

Aan een opeenstapeling van ernstige gebreken komt een zwaar gewicht toekomt. De relatief korte periode dat eiser op een onjuiste wettelijke grondslag is vastgehouden – in dit geval de periode van 12 tot en met 15 januari 2024 −, levert op zichzelf geen ernstige schending levert. Eiser heeft onvoldoende gemotiveerd waarom er volgens hem sprake is van een ernstige schending. De enkele stelling dat de ernst van de schending met de door de staatssecretaris toegekende schadevergoeding is gegeven, acht de rechtbank onvoldoende. Conclusie en gevolgen 5.

Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van J. de Graaf, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

ABRvS 13 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2005. ABRvS 12 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2083, onder 6.1. ABRvS 26 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:885, onder 3.2.