Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2024:10102 ECLI:NL:RBDHA:2024:10102 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2024:10102 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2024:10102
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:13702 2 Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 3 Dit volgt uit artikel 6:2 en 6:12 van de Awb. 4 ECLI:NL:RVS:2021:774. Welke beslistermijn legt de rechtbank aan verweerder op? 4. De rechtbank geeft in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen.⁵ Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.⁶ 5. Verweerder heeft de rechtbank verzocht om een termijn van zestien weken op te leggen, omdat eiseres nog niet is gehoord over haar asielmotieven.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RBDHA:2024:10102 · Rechtbank Den Haag: In artikel 8:55d, tweede lid, en artikel 8:72, zesde lid, van de Awb staat dat de bestuursrechter verweerder opdraagt binnen een bepaalde termijn alsnog een besluit bekend te maken en aan het niet naleven daarvan een dwangsom verbindt. Sinds 11 juli 2021 is in artikel 1 van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (hierna: Tijdelijke wet) bepaald dat deze artikelen niet van toepassing zijn op besluiten op asielaanvragen voor bepaalde tijd. Door deze Tijdelijke wet werd het voor de bestuursrechter niet meer mogelijk om een dwangsom op te leggen in een asielzaak.

Keywords

AI generated
undue delay in asylum duration of stay Nigerian asylum application extension of detention deportation duration of judicial expulsion reasonable duration of the proceedings

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
ECLI:NL:RBDHA:2023:13702 2 Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBDHA:2023:13702
uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.18684 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres mede namens de minderjarige kinderen: [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] (gemachtigde: mr. A.J.M. Mohrmann), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda). Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van 21 juni 2023 (het bestreden besluit) tot afwijzing van de asielaanvraag van eiseres en niet- ontvankelijkverklaring van de aanvragen van haar kinderen.
ECLI:NL:RVS:2021:774
202002215/1/A3. Datum uitspraak: 14 april 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Bodegraven, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 maart 2020 in zaak nr. 18/6377 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven-Reeuwijk. Procesverloop Bij besluit van 12 maart 2018 heeft het college beslist op een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van informatie over de op 23 november 2016 vastgestelde Visie Centrum Bodegraven (hierna: Centrumvisie 2017).
ECLI:NL:RVS:2020:1560
202000935/1/V1.Datum uitspraak: 8 juli 2020 AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 28 januari 2020 in zaak nr. NL19.29203 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop De vreemdeling heeft tegen het uitblijven van een besluit op zijn aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel te verlenen beroep ingesteld bij de rechtbank.
ECLI:NL:RVS:2022:3353
202203068/1/V1. Datum uitspraak: 30 november 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 22 april 2022 in zaak nr. NL22.2074 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop De vreemdeling heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna ook: asielaanvraag) te verlenen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.17898 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , eiseres V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. A.J.M. Mohrmann), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend na de uitspraak van de rechtbank van 6 september 2023.¹ In die uitspraak staat dat verweerder binnen acht weken opnieuw moet beslissen op de aanvraag van eiseres. Eiseres stelt nu beroep in omdat verweerder dat niet heeft gedaan.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Overwegingen 1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.² 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.³ Van eiseres kan niet worden verwacht dat zij eerst een ingebrekestelling verstuurt, omdat de rechtbank in de eerdergenoemde uitspraak van 6 september 2023 een uitdrukkelijk en inmiddels verstreken termijn heeft gesteld voor het nemen van een nieuw besluit.⁴ Is het beroep ontvankelijk en gegrond? 3.

De rechtbank stelt vast dat verweerder niet binnen de door de rechtbank genoemde termijn opnieuw een besluit heeft genomen op de aanvraag van eiseres. Het beroep is daarom kennelijk gegrond.

1. ECLI:NL:RBDHA:2023:13702 2 Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 3 Dit volgt uit artikel 6:2 en 6:12 van de Awb. 4 ECLI:NL:RVS:2021:774. Welke beslistermijn legt de rechtbank aan verweerder op? 4. De rechtbank geeft in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen.⁵ Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.⁶ 5. Verweerder heeft de rechtbank verzocht om een termijn van zestien weken op te leggen, omdat eiseres nog niet is gehoord over haar asielmotieven.

6. De rechtbank stelt vast dat de zogeheten 21-maanden termijn inmiddels is overschreden.⁷ De rechtbank overweegt dat de termijn van 21 maanden ziet op de beslistermijn. Dit moet worden onderscheiden van de nadere termijn die de rechtbank met deze uitspraak oplegt. Bij het bepalen van een passende nadere termijn maakt de rechtbank een afweging. Daarbij moet zij rekening houden met zowel het belang van een snelle als een zorgvuldige besluitvorming.⁸ De omstandigheid dat de beslistermijn van 21 maanden is overschreden, is één van de aspecten die de rechtbank in deze afweging meeweegt.

7. De rechtbank bepaalt dat verweerder binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend moet maken. De rechtbank acht het niet onmogelijk voor verweerder om binnen deze termijn op zorgvuldige wijze een besluit te nemen. Omdat de beslistermijn van 21 maanden is overschreden, legt de rechtbank wel een kortere termijn op dan het door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) in de uitspraak van 8 juli 2020⁹ ontwikkelde 8+8 wekenmodel. Legt de rechtbank verweerder een dwangsom op? 8.

In artikel 8:55d, tweede lid, en artikel 8:72, zesde lid, van de Awb staat dat de bestuursrechter verweerder opdraagt binnen een bepaalde termijn alsnog een besluit bekend te maken en aan het niet naleven daarvan een dwangsom verbindt. Sinds 11 juli 2021 is in artikel 1 van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (hierna: Tijdelijke wet) bepaald dat deze artikelen niet van toepassing zijn op besluiten op asielaanvragen voor bepaalde tijd. Door deze Tijdelijke wet werd het voor de bestuursrechter niet meer mogelijk om een dwangsom op te leggen in een asielzaak.

De ABRvS heeft echter in de andere uitspraak van 30 november 2022¹⁰geoordeeld dat genoemd artikel uit de Tijdelijke wet op dit punt onverbindend is. Dit betekent dat de twee artikelen uit de Awb wel van toepassing zijn op asielaanvragen voor bepaalde tijd en de rechtbank verweerder dus op grond van die artikelen opdraagt binnen een bepaalde termijn alsnog een besluit bekend te maken en aan het niet naleven daarvan een dwangsom verbindt.¹¹ 9. De rechtbank bepaalt in deze zaak met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb, dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder.

Daarbij geldt wel een maximum van € 7.500,-. 5 Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb. 6 Op grond van artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. 7 Zoals neergelegd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn. 8 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1560. 9 ECLI:NL:RVS:2020:1560. 10 ECLI:NL:RVS:2022:3353. 11 Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, en/of artikel 8:72, zesde lid, van de Awb. Conclusie en gevolgen 10. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en dat verweerder binnen acht weken alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken.

Als verweerder dat niet doet, moet hij een dwangsom betalen.

11. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres ook een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiseres een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 437,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit; draagt verweerder op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken; bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag, waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 437,50. Deze uitspraak is gedaan door mr.

R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. A.C. Kampschuur, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 26 juni 2024 Documentcode: [documentcode] Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.