Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2023:9985 ECLI:NL:RBDHA:2023:9985 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:9985 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2023:9985
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL23.17909 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiser, V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. K. Bruin). Procesverloop Bij besluit van 17 juni 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Legislator headnote

AI generated

artikel 59a van de Vw, artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RBDHA:2023:9985 · Rechtbank Den Haag: Maatregel van bewaring 4. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, zodat verweerder op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw bevoegd is tot het opleggen van de maatregel van bewaring. De stelling van eiser dat in het dossier voldoende aanknopingspunten zijn dat op eiser de Dublinverordening van toepassing is, zodat verweerder toepassing had moeten geven aan artikel 59a van de Vw, volgt de rechtbank niet. Zoals verweerder terecht heeft opgemerkt, is op 14 november 2022 aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd waar hij nog geen gevolg aan heeft gegeven, zodat hieruit volgt dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland.

Keywords

AI generated
unreasonableness of return to Afghanistan lawful return risk of overstaying prolonged absence abroad illegal departure grounds proper reasons for non-use

Cited Legislation

AI generated
artikel 59a van de Vw
De stelling van eiser dat in het dossier voldoende aanknopingspunten zijn dat op eiser de Dublinverordening van toepassing is, zodat verweerder toepassing had moeten geven aan artikel 59a van de Vw, volgt de rechtbank niet.
artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht
Als gevolg van het eerder, onder 3., geconstateerde gebrek ziet de rechtbank in het licht van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2015:674
201408880/1/V3 Datum uitspraak: 23 februari 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 30 oktober 2014 in zaak nr. 14/23640 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 14 oktober 2014 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
ECLI:NL:RVS:2015:1309
201502024/1/V3. Datum uitspraak: 10 april 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de minister van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 5 maart 2015 in zaak nr. 15/2876 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 9 februari 2015 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld (hierna: de maatregel van bewaring).
ECLI:NL:RVS:2019:292
201808135/1/V3. Datum uitspraak: 31 januari 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 oktober 2018 in zaak nr. NL18.17308 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 14 september 2018 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Bij uitspraak van 2 oktober 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL23.17909 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiser, V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. K. Bruin). Procesverloop Bij besluit van 17 juni 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 28 juni 2023 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Khabote. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Marokkaanse nationaliteit te hebben. Gebruik niet-beëdigde tolk 2. Eiser voert aan dat verweerder tijdens het gehoor voorafgaand aan de oplegging van de maatregel van bewaring gebruik heeft gemaakt van een niet-beëdigde tolk.

Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom hij dit heeft gedaan, aldus eiser.

3. Uit het proces-verbaal val gehoor van 17 juni 2023 blijkt dat gebruik is gemaakt van een niet-beëdigde tolk Arabisch-Marokkaans. Op grond van artikel van 28 van de Wbtv maakt verweerder uitsluitend gebruik van beëdigde tolken of vertalers. Op grond van het derde lid kan, in afwijking van het eerste lid, gebruik worden gemaakt van een tolk die niet beëdigd is indien wegens de vereiste spoed een ingeschrevene in het register niet tijdig beschikbaar is óf indien het register voor de desbetreffende bron- of doeltaal geen ingeschrevene bevat. Als van het gebruik van een beëdigde tolk wordt afgezien, dan moet dit op grond van het vierde lid met redenen omkleed schriftelijk worden vastgesteld.

Met eiser stelt de rechtbank vast dat verweerder niet heeft gemotiveerd waarom gebruik is gemaakt van een niet-beëdigde tolk. Er is dan ook sprake van een gebrek in het voortraject. Een gebrek in het voortraject maakt de bewaring echter pas onrechtmatig als de daarmee gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van dat gebrek en de daardoor geschonden belangen. De te maken belangenafweging valt in dit geval in het voordeel van verweerder uit. De rechtbank wijst in dat verband op wat hierna wordt overwogen. Daarbij is verder van belang dat eiser niet concreet heeft toegelicht op welke wijze hij in zijn belangen is geschaad en de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd niet zijn betwist.

Maatregel van bewaring 4. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, zodat verweerder op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw bevoegd is tot het opleggen van de maatregel van bewaring. De stelling van eiser dat in het dossier voldoende aanknopingspunten zijn dat op eiser de Dublinverordening van toepassing is, zodat verweerder toepassing had moeten geven aan artikel 59a van de Vw, volgt de rechtbank niet. Zoals verweerder terecht heeft opgemerkt, is op 14 november 2022 aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd waar hij nog geen gevolg aan heeft gegeven, zodat hieruit volgt dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland.

5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Als zware gronden staat in de maatregel vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten; 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; En als lichte gronden staat in de maatregel vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

6. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet heeft betwist. De gronden zijn feitelijk juist en voldoende om een risico aan te nemen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Deze kunnen de maatregel van bewaring dragen. Lichter middel 7. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in zijn geval niet is volstaan met een lichter middel. Eiser heeft verklaard dat hij familie heeft in Nederland, zodat verweerder hierop had moeten ingaan in de maatregel van bewaring. Ter onderbouwing hiervan verwijst eiser naar de uitspraken van de Afdeling van 23 februari 2015 en 10 april 2015 en het arrest Mahdi.

8. Uit de hiervoor genoemde jurisprudentie volgt dat bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, de rechtbank beoordeelt of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet.

9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast om het risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken te ondervangen, zeker niet nu eiser meermaals heeft verklaard niet naar Marokko te willen gaan. Dat eiser familie heeft in Nederland en om die reden onderzocht zou moeten worden of verweerder had kunnen volstaan met een lichter middel, is niet onderbouwd. Verweerder heeft daarnaast voldoende gemotiveerd dat evenmin is gebleken van omstandigheden die detentie voor eiser onredelijk bezwarend maken. Verzwaarde belangenafweging 10. Eiser voert aan dat hij al acht maanden in het detentiecentrum Rotterdam zit en nergens uit blijkt dat een verzwaarde belangenafweging heeft plaatsgevonden. Ter onderbouwing hiervan verwijst hij naar een uitspraak van de Afdeling van 31 januari 2019.

11. Eiser is eerder op 17 oktober 2022 een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59a van de Vw, waarna die is omgezet naar een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Uit het voortgangsrapport blijkt dat die maatregel van bewaring in het kader van de belangenafweging is opgeheven op 18 april 2023. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder niet gehouden was een verzwaarde belangenafweging te maken, omdat deze pas aan de orde is als de duur van de maatregel van bewaring aaneengesloten zes maanden heeft geduurd.

Daarvan is hier geen sprake. Dat eiser na de opheffing van de eerdere maatregel direct in het kader van het strafrecht is aangehouden en gedetineerd is geweest en daarop aansluitend de huidige maatregel is opgelegd, leidt niet tot een andere conclusie. Ambtshalve toets 12. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Conclusie 13. De maatregel van bewaring is terecht aan eiser opgelegd. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

14. Als gevolg van het eerder, onder 3., geconstateerde gebrek ziet de rechtbank in het licht van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af; en veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.674,- (zestienhonderdvierenzeventig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Wet beëdigde tolken en vertalers. Verordening (EU) nr. 604/2013. Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ABRvS 23 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:674. ABRvS 10 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1309. HvJEU 5 juni 2014, ECLI:EU:C:2014:1320. Proces-verbaal van gehoor van 17 juni 2023 (M110), p. 5 van 7. ABRvS 31 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:292. HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.