Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2023:9948 ECLI:NL:RBDHA:2023:9948 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:9948 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2023:9948
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.19426 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. S.R. Kwee), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Eiser heeft op 28 september 2022 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 18 februari 2022. Bij besluit van 12 januari 2023 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser ingewilligd. Desgevraagd heeft eiser meegedeeld het beroep te handhaven. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb uitspraak zonder zitting. Overwegingen 1. Voor zover het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag van eiser, dient te worden vastgesteld dat met de inwilliging van deze aanvraag aan het beroep is tegemoetgekomen zodat eiser gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb in zoverre geen procesbelang meer heeft. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:9948 · Rechtbank Den Haag: Eiser verzoekt om schadevergoeding ter hoogte van € 1.442. Eiser stelt hiertoe dat dit de hoogte van de (bestuurlijke) dwangsom is die aan hem zou zijn toegekend indien de rechtbank eerder uitspraak had gedaan. Dit is volgens eiser redelijk omdat artikel 1 van de Tijdelijke wet strijdig is met artikel 47 van het EU Handvest.

Keywords

AI generated
advance on court costs calculation of damages assessment of costs reduction of costs european order for payment procedure costs of late payment

Cited Case Law

AI generated
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.19426 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. S.R. Kwee), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Eiser heeft op 28 september 2022 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 18 februari 2022. Bij besluit van 12 januari 2023 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser ingewilligd. Desgevraagd heeft eiser meegedeeld het beroep te handhaven. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb uitspraak zonder zitting. Overwegingen 1. Voor zover het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag van eiser, dient te worden vastgesteld dat met de inwilliging van deze aanvraag aan het beroep is tegemoetgekomen zodat eiser gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb in zoverre geen procesbelang meer heeft. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.

2. Eiser verzoekt om schadevergoeding ter hoogte van € 1.442. Eiser stelt hiertoe dat dit de hoogte van de (bestuurlijke) dwangsom is die aan hem zou zijn toegekend indien de rechtbank eerder uitspraak had gedaan. Dit is volgens eiser redelijk omdat artikel 1 van de Tijdelijke wet strijdig is met artikel 47 van het EU Handvest.

3. Voor zover eiser stelt aanspraak te maken op een vergoeding wegens het niet tijdig beslissen, mist het beroep feitelijke grondslag. Het niet vaststellen van verbeurde dwangsommen betreft immers geen schade. Voor zover eiser stelt dat artikel 1 van de Tijdelijke wet strijdig is met artikel 47 van het EU Handvest, wijst de rechtbank op de uitspraak van de Afdeling van 30 november 2022 waarin is geoordeeld dat dat niet het geval is.

4. Omdat eiser vanwege het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag terecht beroep heeft ingesteld, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 418,50 bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is omdat het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.

Beslissing De rechtbank:  verklaart het beroep voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van het besluit niet-ontvankelijk;  veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 418,50 (vierhonderdachttien euro en vijftig cent). Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent.

Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Algemene wet bestuursrecht. De Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Zie tevens Kamerstukken II 2005-2006, 29 934 en 30 435, nr. 19, pagina 10. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RBDHA:2022:3776.