Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2023:8964 ECLI:NL:RBDHA:2023:8964 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:8964 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2023:8964
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.14852 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser, (gemachtigde: mr. E. Derksen), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. M. Talsma). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 17 mei 2023 niet in behandeling genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk wordt gehouden voor de behandeling van de aanvraag. 1.1. De rechtbank heeft het beroep op 6 juni 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, J.A. Matti als tolk en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

Legislator headnote

AI generated

artikel 3 van het EVRM; ECLI:NL:RBDHA:2023:8964 · Rechtbank Den Haag: De rechtbank oordeelt dat de pushbacks in Bulgarije een fundamentele systeemfout zijn in de asielprocedure, in de zin van artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening, die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt. De rechtbank verwijst naar rechtsoverwegingen 6 tot en met 6.2 van de uitspraak van de ABRvS van 13 april 20225 en neemt deze over. Uit de AIDA-rapporten blijkt verder dat de pushbacks in Bulgarije niet incidenteel, maar al geruime tijd en op grote schaal plaatsvinden. Zo vermeldt het AIDA-rapport (update 2020) dat er, zowel 498 indirecte pushbacks van 3.493 individuen als ook 569 directe pushbacks van 11.770 personen hebben plaatsgevonden in 2020.

Keywords

AI generated
Albanian asylum request visas, asylum, immigration, etc asylum of Sri Lankan nationals Mongolian asylum application State Secretariat for Migration delayed asylum application

Cited Legislation

AI generated
artikel 3 van het EVRM
Het is aan verweerder om nader onderzoek te doen naar de feitelijke situatie van Dublinclaimanten na overdracht aan Bulgarije voordat hij zich op het standpunt kan stellen dat door overdracht van eiser aan Bulgarije geen situatie zal ontstaan in strijd met artikel 4 van het EU Handvest of artikel 3 van het EVRM.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBDHA:2023:2454
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL22.20076 uitspraak van de meervoudige kamer van 2 maart 2023 in de zaak tussen [Eiser], eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:RBDHA:2023:6503
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL22.23119 uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:RBDHA:2023:5615
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL23.5673 uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser V-nummer: [v-nummer] (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:RBDHA:2022:5724
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: NL22.6989 VERWIJZINGSUITSPRAAK uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , geboren op [geboortedag] 1992 in Saudi-Arabië, van Syrische nationaliteit, eiser, (gemachtigde: mr. A. Khalaf), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs). Verzoek aan het Hof van Justitie van de Europese Unie tot het beantwoorden van prejudiciële vragen in een versnelde procedure (PPA) I Dient de Dublinverordening, gelet op punten 3, 32 en 39 van de considerans en gelezen in samenhang met artikelen 1, 4, 18, 19 en 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, aldus te worden uitgelegd en toegepast dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet deelbaar is, zodat ernstige en stelselmatige schendingen van het Unierecht die door de mogelijk verantwoordelijke lidstaat worden begaan vóór overdracht ten aanzien van derdelanders die (nog) geen Dublinterugkeerder zijn absoluut in de weg staan aan overdracht aan deze lidstaat? II Dient artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening, indien de vorige vraag ontkennend wordt beantwoord, gelezen in samenhang met artikelen 1, 4, 18, 19 en 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, aldus te worden uitgelegd dat indien de mogelijk verantwoordelijke lidstaat op ernstige en stelselmatige wijze het Unierecht schendt, de overdragende lidstaat in het kader van de Dublinverordening niet voetstoots van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan, maar elke twijfel moet wegnemen dan wel aannemelijk moet maken dat de verzoeker na overdracht niet in een situatie zal geraken die in strijd is met artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie? III Met welke bewijsmiddelen kan de verzoeker zijn argumenten dat artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening, aan zijn overdracht in de weg staat staven en welke bewijsmaatstaf dient hierbij te worden gehanteerd? Heeft de overdragende lidstaat, gelet op de verwijzingen naar het Unieacquis in de considerans van de Dublinverordening, een samenwerkingsplicht en/of vergewisplicht, dan wel dienen er, indien sprake is van ernstige en stelselmatige schendingen van grondrechten ten aanzien van derdelanders, individuele garanties te worden verkregen van de verantwoordelijke lidstaat dat na overdracht de grondrechten van de verzoeker (wel) worden geëerbiedigd? Luidt de beantwoording van deze vraag anders als de verzoeker in bewijsnood verkeert indien hij zijn consistente en gedetailleerde verklaringen niet met documenten kan staven, terwijl dit gelet op de aard van de verklaringen niet kan worden verwacht? IV Luidt de beantwoording van de voorgaande vragen onder III anders indien de verzoeker aannemelijk maakt dat klagen bij de autoriteiten en/of het aanwenden van rechtsmiddelen in de verantwoordelijke lidstaat niet mogelijk en/of niet effectief zal zijn? Verzoek aan het Hof van Justitie tot het behandelen en beantwoorden van de prejudiciële vragen in een versnelde procedure op grond van artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie ( PPA ) .
ECLI:NL:RVS:2017:2123
201605408/1/V3. Datum uitspraak: 7 augustus 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 11 juli 2016 in zaak nr. NL16.1411 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 13 juni 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2021:2857
202005713/1/V3. Datum uitspraak: 16 december 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 19 oktober 2020 in zaak nrs. NL20.15181, NL20.15183, NL20.15188 en NL20.15194 in het geding tussen: [vreemdeling 1], [vreemdeling 2], [vreemdeling 3] en [vreemdeling 4] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluiten van 6 augustus 2020 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.14852 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser, (gemachtigde: mr. E. Derksen), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. M. Talsma). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 17 mei 2023 niet in behandeling genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk wordt gehouden voor de behandeling van de aanvraag. 1.1. De rechtbank heeft het beroep op 6 juni 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, J.A. Matti als tolk en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Het bestreden besluit is onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd, omdat verweerder geen nader onderzoek heeft gedaan naar het risico op pushbacks voor terugkerende Dublinclaimanten in Bulgarije. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft 1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Nederland bij Bulgarije een verzoek om terugname gedaan. Bulgarije heeft dit verzoek aanvaard. Pushbacks 5. Eiser voert aan dat er sprake is van een fundamentele systeemfout in de asielprocedure van Bulgarije vanwege pushbacks.

Deze pushbacks zijn ook relevant voor terugkerende Dublinclaimanten. Verweerder kan daarom zonder nader onderzoek naar de asielprocedure, opvangvoorzieningen, detentie, rechtsbijstand, de positie van terugkeerders en pushbacks, niet uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser verwijst daarbij naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem van 2 maart 2023, van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle van 26 april 2023 en van deze rechtbank van zittingsplaats Den-Haag van 17 april 2023.2 Eiser verwijst tevens naar de prejudiciële vragen die zijn gesteld door deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch bij de verwijzingsuitspraak van 15 juni 2022 over de (on)deelbaarheid van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.3 6.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van Bulgarije van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.4 Uit paragraaf 2.7 van het AIDA- rapport van februari 2022 (update 2021) blijkt dat eiser bij terugkeer naar Bulgarije op verzoek zal worden ondergebracht in een opvangcentrum, dat zijn aanvraag zal worden heropend en de behandeling daarvan zal worden voortgezet. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer het slachtoffer zal worden van pushbacks. De rapporten waar eiser een beroep op heeft gedaan bevatten geen duidelijk aanknopingspunt dat Dublinclaimanten na hun overdracht te maken krijgen met pushbacks.

Uit het AIDA-rapport voornoemd volgt juist dat terugkerende asielzoekers onder de Dublinverordening worden toegelaten tot het land en de asielprocedure. Dublinclaimanten worden gecontroleerd overgedragen en in het Human Right Report 2022 staat vermeld dat zij zich niet vrij mogen bewegen buiten hun administratieve zone, waardoor de kans klein is dat zij te maken krijgen met pushbacks.

7. De rechtbank oordeelt dat de pushbacks in Bulgarije een fundamentele systeemfout zijn in de asielprocedure, in de zin van artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening, die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt. De rechtbank verwijst naar rechtsoverwegingen 6 tot en met 6.2 van de uitspraak van de ABRvS van 13 april 20225 en neemt deze over. Uit de AIDA-rapporten blijkt verder dat de pushbacks in Bulgarije niet incidenteel, maar al geruime tijd en op grote schaal plaatsvinden. Zo vermeldt het AIDA-rapport (update 2020) dat er, zowel 498 indirecte pushbacks van 3.493 individuen als ook 569 directe pushbacks van 11.770 personen hebben plaatsgevonden in 2020.

Het AIDA-rapport (Update 2021) vermeldt dat er in 2021 2.513 pushbackincidenten zijn geregistreerd, waarbij 44.988 personen zijn betrokken. Uit het AIDA-rapport van 30 maart 2023 (update 2022) blijkt een verdere toename van het aantal pushback-incidenten, te weten 5.268 pushback-incidenten, waarbij 87.647 personen waren betrokken. 2 ECLI:NL:RBDHA:2023:2454, ECLI:NL:RBDHA:2023:6503 en ECLI:NL:RBDHA:2023:5615. 3 ECLI:NL:RBDHA:2022:5724. 4 Verweerder verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 7 augustus 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2123) en die van 16 december 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:2857). 5 ECLI:NL:RVS:2022:1042.

8. De rechtbank is van oordeel dat de fundamentele systeemfout in de asielprocedure van Bulgarije als gevolg van pushbacks ook relevant is voor terugkerende Dublinclaimanten. Daarbij verwijst de rechtbank naar de uitspraak van deze rechtbank van de meervoudige kamer van zittingsplaats Arnhem6, meer specifiek naar rechtsoverweging 5.2. De rechtbank neemt dat oordeel over. De informatie waarnaar eiser heeft verwezen bevat aanknopingspunten dat pushbacks ook plaatsvinden bij vreemdelingen die door Bulgarije opnieuw zijn toegelaten vanuit andere EU-lidstaten en die zich op afstand van de grens op het grondgebied van Bulgarije bevinden.

Dat asielzoekers zich niet vrij kunnen bewegen en binnen de administratieve zone moeten blijven, zoals ter zitting is aangevoerd, sluit niet uit dat Dublinclaimanten een risico lopen op pushbacks. De rechtbank betrekt daarbij ook dat in de ‘update 2021’ van het AIDA-rapport, anders dan eerdere versies, niet meer staat vermeld dat terugkerende Dublinclaimanten geen obstakels tegenkomen “in accessing the asylum procedure in Bulgaria”,7 maar dat zij geen obstakels tegenkomen “in accessing the territory of Bulgaria”.8 Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat dit wel degelijk een wezenlijk verschil is, waaruit op zijn minst valt af te leiden dat de toegang van terugkerende Dublinclaimanten tot de asielprocedure blijkbaar minder vanzelfsprekend is dan dat deze in het verleden was.

Daarbij vindt de rechtbank tevens van belang dat uit de informatie volgt dat sommige groepen Dublinclaimanten bij terugkeer worden behandeld als irreguliere immigranten en in uitzetcentra worden geplaatst. Die uitzetcentra bevinden zich onder meer nabij de Bulgaars- Turkse grens.9 Verweerder kan ten aanzien van dit punt zoals ter zitting is aangegeven, wel gevolgd worden dat er daarbij kennelijk onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds terugkeerders wiens eerdere asielprocedure nog open staat of niet-inhoudelijk is afgesloten en anderzijds terugkeerders wiens eerdere asielaanvraag inhoudelijk is afgewezen, op grond waarvan al dan niet wordt besloten om Dublinterugkeerders in detentiecentra te plaatsen, maar de rechtbank vindt de informatie daarover onvoldoende duidelijk.

Deze omstandigheid, in combinatie met de kennelijk grotere obstakels om toegang tot de asielprocedure te verkrijgen en de grote aantallen pushbacks die zich niet alleen bij de grens maar ook verder landinwaarts voordoen, maakt naar het oordeel van de rechtbank dat er voldoende aanknopingspunten zijn dat ook terugkerende Dublinclaimanten in Bulgarije te maken kunnen krijgen met pushbacks. Verweerder had daarom nader onderzoek moeten doen naar het risico dat eiser loopt om door Bulgarije te worden uitgezet zonder behandeling van zijn asielverzoek, dan wel tijdens de behandeling daarvan.

Gegeven de aard, de omvang en de duur van de in deze zaak spelende fundamentele systeemfout, die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt, kan het ontbreken van informatie over de situatie van Dublinclaimanten na overdracht aan Bulgarije niet voor risico van eiser komen.

9. Het is aan verweerder om nader onderzoek te doen naar de feitelijke situatie van Dublinclaimanten na overdracht aan Bulgarije voordat hij zich op het standpunt kan stellen dat door overdracht van eiser aan Bulgarije geen situatie zal ontstaan in strijd met artikel 4 van het EU Handvest of artikel 3 van het EVRM. Dat onderzoek heeft verweerder niet verricht en daarom heeft verweerder het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt. 6 ECLI:NL:RBDHA:2023:2454. 7 Zie bijvoorbeeld het AIDA-rapport update 2020, pagina 33. 8 AIDA-rapport update 2021, pagina 39. 9 AIDA-rapport update 2021, pagina 39.

10. De rechtbank overweegt verder dat eiser niet om aanhouding heeft verzocht vanwege de prejudiciële vragen voornoemd en de rechtbank ziet verder ook geen aanleiding om de beantwoording daarvan af te wachten. Conclusie 11. Het beroep is gegrond. De overige gronden behoeven daarom geen bespreking meer. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Verweerder zal gelet op het voorgaande immers nader onderzoek moeten doen en een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank zal hiervoor geen termijn stellen nu onduidelijk is hoe lang het onderzoek zal gaan duren.

12. In deze zaak komt aan eiser geen afzonderlijke proceskostenvergoeding toe, omdat zijn zaak als een samenhangende zaak met nummers NL23.14850, NL23.14854 en NL23.14858 moet worden beschouwd en in de zaak met nummer NL23.14850 reeds een proceskostenvergoeding is uitgesproken. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A. Banga, rechter, in aanwezigheid van K.F.K. Hoogbruin, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 14 juni 2023 Documentcode: [documentcode] Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.