Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2023:7971 ECLI:NL:RBDHA:2023:7971 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:7971 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2023:7971
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL23.14123 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. F.J.M. Schonkeren), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda). Procesverloop Bij besluit van 9 mei 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL23.14124, op 24 mei 2023 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde, zijn met bericht vooraf, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Algerijnse nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 25 januari 2023 asiel aangevraagd in Nederland.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:7971 · Rechtbank Den Haag: Niet in geschil is dat Spanje in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming. Uitgangspunt is voorts dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uit mag gaan dat Spanje zijn verdragsverplichtingen nakomt. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is. Eiser is daarin niet geslaagd.

Keywords

AI generated
deportation in asylum proceedings removal unlawful stay stay of deportation order Nigerian asylum application applicability of immigration law

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2021:1481
202004541/1/V3. Datum uitspraak: 8 juli 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 11 augustus 2020 in zaak nr. NL20.12561 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 16 juni 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2022:1248
202201823/1/V3 en 202201823/2/V3 Datum uitspraak: 26 april 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 21 maart 2022 in zaak nr. NL22.2238 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
ECLI:NL:RVS:2023:364
202300365/1/V3. Datum uitspraak: 27 januari 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 10 januari 2023 in zaak nr. NL22.25866 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 16 december 2022 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2022:2644
202106105/1/V3. Datum uitspraak: 8 september 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 15 september 2021 in zaak nr. NL21.13261 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 16 augustus 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL23.14123 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. F.J.M. Schonkeren), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda). Procesverloop Bij besluit van 9 mei 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL23.14124, op 24 mei 2023 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde, zijn met bericht vooraf, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Algerijnse nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 25 januari 2023 asiel aangevraagd in Nederland.

2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. Uit onderzoek uit Eurodac is gebleken dat eiser op 19 oktober 2022 Spanje illegaal is ingereisd. Om deze reden heeft Nederland de Spaanse autoriteiten verzocht eiser over te nemen op grond van artikel 13, eerste lid van de Dublinverordening. De Spaanse autoriteiten hebben dit verzoek geaccepteerd.

3. Eiser voert daartegen het volgende aan. Ten aanzien van Spanje kan niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan. De asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Spanje bevatten systeemfouten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest. Ter onderbouwing verwijst eiser naar een rapport van AIDA ‘Spain update 2021’ van 29 april 2022. Daarnaast is niet in geschil dat er in Spanje push backs plaatsvinden en dat push backs een systeemfout zijn die de drempel van het Jawo-arrest overschrijdt. Omdat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ondeelbaar is maakt het enkele feit dat er in Spanje push backs plaatsvinden dat ten aanzien van Spanje niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De rechtbank oordeelt als volgt.

4. De rechtbank moet ten eerste ambtshalve beoordelen of eiser procesbelang heeft bij het beroep. In zijn bericht van 22 mei 2023 heeft verweerder gemeld dat eiser volgens een melding van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) met onbekende bestemming is vertrokken. Bij bericht van 23 mei 2023 heeft de gemachtigde van eiser verklaard dat deze, anders dan uit de melding volgt, niet in AZC Sint-Annaparochie verblijft maar in AZC Den Helder. De gemachtigde onderhoudt schriftelijk contact met hem en de brieven welke gemachtigde aan eiser zendt - de laatste brief dateert van 18 mei 2023 - worden door eiser opgehaald en komen niet retour. In het geval van vertrek van eiser uit het AZC zouden de brieven volgens de gemachtigde van eiser wel retour komen. Gelet op de geschetste gang van zaken is de rechtbank van oordeel dat eiser nog procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het ingestelde beroep tegen het bestreden besluit. Hierna zal de rechtbank daarom inhoudelijk op de beroepsgronden ingaan.

5. Niet in geschil is dat Spanje in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming. Uitgangspunt is voorts dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uit mag gaan dat Spanje zijn verdragsverplichtingen nakomt. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is. Eiser is daarin niet geslaagd.

6. Ten aanzien van het door eiser aangehaalde AIDA-rapport van april 2022 heeft verweerder er terecht op gewezen dat de Afdeling reeds heeft geoordeeld dat dit rapport geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie in Spanje voor Dublinclaimanten dan uit de landeninformatie volgt die al bij de eerdere uitspraak van 8 juli 2021 is betrokken. Deze beroepsgrond van eiser slaagt daarom niet.

7. Ook heeft eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door Spanje zal worden uitgezet zonder dat hij een verzoek om internationale bescherming heeft kunnen indienen, dan wel tijdens de behandeling daarvan. Allereerst hebben de Spaanse autoriteiten middels het claimakkoord van 1 maart 2023 uitdrukkelijk te kennen gegeven dat het verzoek van eiser om internationale bescherming in behandeling zal worden genomen overeenkomstig de verdragsverplichtingen en de verschillende Europese richtlijnen op het gebied van het asielrecht. De informatie waarnaar eiser heeft verwezen bevat geen concreet aanknopingspunt voor het oordeel dat vreemdelingen die in het kader van de Dublinverordening op basis van een claimakkoord worden overgedragen in Spanje te maken krijgen met pushbacks.

8. Eisers beroepsgrond dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ondeelbaar is slaagt evenmin. Bij uitspraak van 8 september 2022 heeft de Afdeling zich reeds uitgelaten over de deelbaarheid van het interstatelijk vertrouwensbeginsel aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie. Daaruit volgt niet dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet deelbaar is. De rechtbank volgt dit oordeel.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Vreemdelingenwet 2000. Verordening (EU) nr. 604/2013. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. C-163/17, Jawo tegen Duitsland, arrest van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) ten aanzien van Spanje in haar uitspraak van 8 juli 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1481) heeft geoordeeld en bevestigd in de uitspraken van 26 april 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1248), 12 mei 2022 (ECLI:NLR:VS:2022:1394) en 27 januari 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:364). ECLI:NL:RVS:2022:2644.