Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2023:792 ECLI:NL:RBDHA:2023:792 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:792 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2023:792
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL22.24058 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiser, geboren op [geboortedatum] , van Soedanese nationaliteit, V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. A.M. Veld), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. D. de Boer). Procesverloop Bij besluit van 23 november 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:792 · Rechtbank Den Haag: Eiser voert aan dat hij vreest voor indirect refoulement. Eiser wijst er op dat in Nederland Soedanese vreemdelingen, die politieke activiteiten hebben verricht tegen de Soedanese autoriteiten, niet worden uitgezet, omdat er een besluitmoratorium van toepassing is. De reden voor het besluitmoratorium is gelegen in het nieuwe ambtsbericht dat is ingegeven door een drietal uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 15 december 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:2792, ECLI:NL:RVS:2021:2793 en ECLI:NL:RVS:2021:2794). Uit het ambtsbericht volgt dat onvoldoende duidelijk is of (terugkerende) politieke activisten te vrezen hebben voor de autoriteiten. Overdracht naar Duitsland, dat uitzet naar Soedan, levert indirect refoulement op.

Keywords

AI generated
refugee status Dublin transfer to Hungary grounds for asylum removal asylum for Syrian Kurds removal under immigration law

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2021:2792
202003804/1/V2. Datum uitspraak: 15 december 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 juli 2020 in zaak nr. NL20.5351 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 27 februari 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
ECLI:NL:RVS:2021:2793
202005052/1/V2. Datum uitspraak: 15 december 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 september 2020 in zaak nr. NL20.7633 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 20 maart 2020, aangevuld bij brief van 15 juli 2020, heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2021:2794
202102067/1/V2. Datum uitspraak: 15 december 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 23 maart 2021 in zaak nr. NL20.21792 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 18 december 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2022:1864
202106573/1/V3. Datum uitspraak: 6 juli 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [de vreemdeling], mede voor haar minderjarige [kind], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 12 oktober 2021 in zaak nr. NL21.11251 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 12 juli 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL22.24058 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiser, geboren op [geboortedatum] , van Soedanese nationaliteit, V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. A.M. Veld), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. D. de Boer). Procesverloop Bij besluit van 23 november 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL22.24059, op 21 december 2022 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Overwegingen 1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

In dit geval heeft Nederland op 22 juli 2022 bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 27 juli 2022 aanvaard.

2. Eiser voert aan dat hij vreest voor indirect refoulement. Eiser wijst er op dat in Nederland Soedanese vreemdelingen, die politieke activiteiten hebben verricht tegen de Soedanese autoriteiten, niet worden uitgezet, omdat er een besluitmoratorium van toepassing is. De reden voor het besluitmoratorium is gelegen in het nieuwe ambtsbericht dat is ingegeven door een drietal uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 15 december 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:2792, ECLI:NL:RVS:2021:2793 en ECLI:NL:RVS:2021:2794). Uit het ambtsbericht volgt dat onvoldoende duidelijk is of (terugkerende) politieke activisten te vrezen hebben voor de autoriteiten. Overdracht naar Duitsland, dat uitzet naar Soedan, levert indirect refoulement op.

3. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de uitspraak van de ABRvS van 6 juli 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1864) volgt dat, als bij een rechterlijke instantie in de verzoekende lidstaat een beroep tegen een overdrachtsbesluit wordt ingesteld en een vreemdeling bewijzen overlegt waaruit blijkt dat er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat hij bij de uitvoering daarvan indirect een reëel risico op refoulement loopt, ook de rechter ertoe gehouden is om op basis van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens en afgemeten aan het beschermingscriterium van de door het Unierecht gewaarborgde grondrechten, te oordelen of er sprake is van tekortkomingen die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken.

De bewijslast om een reëel risico op indirect refoulement aannemelijk te maken, ligt bij de vreemdeling. Om aan de bewijslast te voldoen moet een vreemdeling in de eerste plaats algemene informatie overleggen waaruit voldoende concrete aanknopingspunten volgen dat het beschermingsbeleid in de verantwoordelijke lidstaat evident en fundamenteel verschilt van het beleid dat door de Nederlandse autoriteiten wordt gevoerd. Dat evidente en fundamentele verschil moet erin gelegen zijn dat op voorhand duidelijk is - dus zonder een inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag - dat een vreemdeling in de verantwoordelijke lidstaat op grond van het algemene beschermingsbeleid geen internationale bescherming krijgt, terwijl hij dat in Nederland in beginsel wel krijgt.

Alleen dan kan wegens het verschil in beschermingsbeleid sprake zijn van een fundamentele systeemfout, die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt. Naast een evident en fundamenteel verschil in beschermingsbeleid moet een vreemdeling concrete aanknopingspunten naar voren brengen waaruit blijkt dat niet alleen het bestuursorgaan maar ook de rechter in de verantwoordelijke lidstaat hem niet zal beschermen tegen refoulement. Dat kan een vreemdeling in de eerste plaats doen door een voor hem negatieve uitspraak van de hoogste rechter in de verantwoordelijke lidstaat over te leggen waaruit volgt dat die rechter van oordeel is dat hij kan terugkeren naar het land van herkomst.

4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aan voornoemde bewijslast voldaan. Daartoe acht de rechtbank allereerst van belang dat eiser geen uitspraak van de hoogste rechter in Duitsland als hierboven genoemd heeft overgelegd. Daarnaast heeft eiser niet aangevoerd wat hij aan zijn asielaanvraag in Duitsland ten grondslag heeft gelegd. Hoewel eiser in het gehoor aanmeldfase aangeeft dat hij heeft verklaard over de problemen die hij heeft ondervonden in zijn land van herkomst, wordt niet duidelijk welke problemen hij in Duitsland aan zijn asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd. Voorts heeft eiser evenmin zijn afwijzende beschikking overgelegd. Gelet hierop heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er bij terugkeer naar Duitsland sprake is van een reëel risico op indirect refoulement.

5. Met betrekking tot het in Nederland geldende besluit- en vertrekmoratorium voor politieke opposanten uit Soedan overweegt de rechtbank dat uit de kamerbrief van 23 augustus 2022 (kenmerk 4134970) volgt dat Dublinclaimanten zijn uitgesloten van de werkingssfeer van het besluit- en vertrekmoratorium. Een beroep hierop kan daarom dan ook niet slagen.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van Z.P. de Wilde, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.