Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2023:7356 ECLI:NL:RBDHA:2023:7356 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:7356 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2023:7356
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL23.14023 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser v-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. A. Agayev), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft op 22 februari 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 15 mei 2023 gesloten. Overwegingen 1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Marokkaanse nationaliteit te bezitten.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:7356 · Rechtbank Den Haag: Eiser stelt zich op het standpunt dat het onduidelijk is of verweerder bezig is hem naar Marokko uit te zetten of over te dragen naar een andere EU-lidstaat. Daarnaast meent eiser dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt en dat zicht op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn ontbreekt.

Keywords

AI generated
serious defect in foreign proceedings unjustified procedural delay extension of proceedings iterative breaches of law derogation from law grounds for cassation

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBDHA:2023:2801
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL23.5540 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser v-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:RBDHA:2023:5169
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL23.8653 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser v-nummer: [v-nummer] (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:RVS:2022:3269
202205801/1/V3. Datum uitspraak: 14 november 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-­Hertogenbosch, van 5 oktober 2022 in zaak nr. NL22.19155 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 21 september 2022 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 5 oktober 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2022:3447
202206111/1/V3. Datum uitspraak: 24 november 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 oktober 2022 in zaak nr. NL22.19772 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 3 oktober 2022 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 20 oktober 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2023:438
202207502/1/V3. Datum uitspraak: 2 februari 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 23 december 2022 in zaak nr. NL22.25761 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 15 december 2022 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 23 december 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2023:1681
202302279/1/V3. Datum uitspraak: 2 mei 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 6 april 2023 in zaak nr. NL23.8583 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 20 maart 2023 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 6 april 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL23.14023 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser v-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. A. Agayev), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft op 22 februari 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 15 mei 2023 gesloten. Overwegingen 1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Marokkaanse nationaliteit te bezitten.

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 2 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:2801 en 31 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:5169. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van het onderzoek in het laatste (vervolg) beroep, 29 maart 2023, de maatregel van bewaring rechtmatig is.

4. Eiser stelt zich op het standpunt dat het onduidelijk is of verweerder bezig is hem naar Marokko uit te zetten of over te dragen naar een andere EU-lidstaat. Daarnaast meent eiser dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt en dat zicht op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn ontbreekt.

5. Het is de rechtbank niet gebleken dat verweerder bezig is om eiser over te dragen naar een andere EU-lidstaat. Uit het overgelegde voortgangsrapport van 11 mei 2023 en de verslagen van de vertrekgesprekken van 20 maart 2023 en 21 april 2023, blijkt immers dat verweerder een LP-aanvraag heeft ingediend bij de Marokkaanse autoriteiten. De rechtbank leidt hieruit af dat het nog altijd de bedoeling van verweerder is om eiser uit te zetten naar Marokko.

6. De rechtbank stelt verder vast dat in zijn algemeenheid kan worden uitgegaan van zicht op uitzetting in het geval van Marokko. De rechtbank vindt hiervoor steun in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 november 2022. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Immers is er op 28 februari een LP-aanvraag ingediend bij de Marokkaanse autoriteiten en heeft verweerder op 15 maart 2023, 6 april 2023 en 26 april 2023 schriftelijk gerappelleerd. De enkele stelling van eiser dat verweerder onvoldoende voortvarend te werk gaat, is verder niet onderbouwd. De sinds het indienen van de LP-aanvraag verstreken tijd leidt zonder nadere aanknopingspunten niet op voorhand tot twijfel over de vraag of de Marokkaanse autoriteiten voor eiser een LP zullen afgeven of dat er nog een presentatie zal plaatsvinden.

7. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, nu zij gehouden is de maatregel van bewaring ambtshalve op rechtmatigheid te beoordelen, ook los van wat eiser aanvoert geen aanleiding ziet voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C. Spruijt, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Vreemdelingenwet 2000. Laissez-passer. ECLI:NL:RVS:2022:3269. Ook in een aantal latere uitspraken van 24 november 2022, 2 februari en 2 mei 2023 (onder andere ECLI:NL:RVS:2022:3447, ECLI:NL:RVS:2023:438 en ECLI:NL:RVS:2023:1681) zet de Afdeling deze lijn ten aanzien van (zicht op uitzetting naar) Marokko voort. Zoals is bevestigd in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.