Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2023:7183 ECLI:NL:RBDHA:2023:7183 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:7183 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2023:7183
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Civiel recht Zittingsplaats ’s-Gravenhage NK/DN/C Zaak-/rolnr.: 10149541 RL EXPL 22-16594 Vonnis van de kantonrechter van 20 april 2023 in de zaak van [eiser01] , wonende te [woonplaats01] , eisende partij, gemachtigde: mr. A.J. Van, tegen de besloten vennootschap Bewon B.V. , gevestigd te Den Haag, gedaagde partij, gemachtigde: mr. A.N.L. de Hoogh. Partijen zullen worden aangeduid als “ [eiser01] ” en “Bewon”. 1 Procedure 1.1. De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken: de inleidende dagvaarding van 30 september 2022 met producties 1 tot en met 13; de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 8; de akte aanvullende producties tevens houdende wijziging van eis van de zijde van [eiser01] met producties 14 tot en met 20. 1.2.

Legislator headnote

AI generated

artikel 150 Rv, artikel 6:162 BW; ECLI:NL:RBDHA:2023:7183 · Rechtbank Den Haag: De gestelde toedracht van de val berust op haar eigen verklaring. In de getuigenverklaring van de huurders wordt bevestigd dat [eiser01] werd uitgenodigd door ‘de aannemer’ om de oorzaak van de schade te bekijken en gezamenlijk het appartement van [naam06] zijn binnengelopen. Door Bewon is de toedracht uitdrukkelijk en gemotiveerd betwist aan de hand van een tweetal getuigenverklaringen van medewerkers van Bewon. Daarmee staat de gestelde feitelijke toedracht van de val naar het oordeel van de kantonrechter voorshands onvoldoende vast. In beginsel zou [eiser01] dan ook - conform de hoofdregel van artikel 150 Rv - bewijs dienen te leveren van de gestelde feitelijke toedracht van de val.

Keywords

AI generated
fraudulent insurance claim causation of knee injury abusive claim by landlord liability of insured party accident victim damage to electrical installations

Cited Legislation

AI generated
artikel 150 Rv
In beginsel zou [eiser01] dan ook - conform de hoofdregel van artikel 150 Rv - bewijs dienen te leveren van de gestelde feitelijke toedracht van de val.
artikel 6:162 BW
Op grond van artikel 6:162 BW is hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, die aan hem kan worden toegerekend, verplicht om de daardoor veroorzaakte schade te vergoeden.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:1965:AB7079
dat hij, zich naar het herentoilet begevende, links voorbij de zich ter plaatse bevindende kistjes is gelopen, tegelijkertijd met zijn linkerhand de deurkruk van het herentoilet heeft vastgenomen en geopend en op hetzelfde moment een stap naar rechts heeft gemaakt; dat het voor hem niet mogelijk was door de zich ter plaatse bevindende coca-colakistjes aan de rechterzijde te passeren, omdat zich aan het achterste tafeltje mensen bevonden, en dat de kistjes en de zich aldaar bevindende personen bovendien het zicht op het keldergat hebben ontnomen; (3a) ‘’dat – wat het probandum sub 1 betreft – het Hof bewezen acht, dat Duchateau, zich naar het herentoilet begevende, links voorbij de zich ter plaatse bevindende kistjes is gelopen, (3b) dat immers uit de verklaringen van de getuigen Sjouwerman en Boom blijkt, dat het voor Duchateau niet mogelijk is geweest, om rechts achter de coca-colakistjes om te lopen, daar reeds de van het luik af naar voren geschoven stoelen en de daaronder geschoven opgerolde mat dit beletten; (4) ‘’dat – wat dit deel van het probandum betreft – het Hof niet bewezen acht, dat Duchateau daarop met zijn linkerhand de deurkruk van het herentoilet heeft vastgenomen en geopend en op hetzelfde moment een stap naar rechts heeft gemaakt; (5) ‘’dat het Hof echter niet van overwegend belang acht, wat Duchateau in de laatste ogenblikken vóór zijn val na het passeren van de kistjes heeft gedaan, nu door de wederpartij niet is bestreden, dat hij per ongeluk in het kelderruim is gevallen en niet als gevolg van een gewaagde poging, om over het kelderruim heen toch in het herentoilet te komen; (6) ‘’wat het tweede deel van het probandum betreft: (6a) dat niet is bewezen, dat zich aan het achterste tafeltje mensen bevonden, (6b) dat integendeel dit volgens de verklaring van getuige Sjouwerman niet het geval was, terwijl getuige Boom deze verklaring heeft bevestigd met zijn verklaring, dat volgens zijn herinnering aan dit tafeltje geen mensen zaten, (6c) dat daarmede allereerst een der redenen is komen te vervallen, waarom Duchateau volgens zijn posita niet rechts van de kistjes kon passeren, doch dat dit niet meer van belang is, nu is gebleken, dat hij dit uit anderen hoofde niet kon doen, (6d) dat verder echter door dit niet-bewezen zijn niet is gebleken, dat voormeld aanwezig zijn van mensen voor Duchateau het zicht op het keldergat heeft ontnomen, (6e) dat hiermede van de door Duchateau gestelde en in het probandum overgenomen redenen, waarom hij het keldergat niet heeft kunnen waarnemen, alleen de aanwezigheid der op elkaar gestapelde coca-colakistjes overblijft, (6f) dat echter, zoals de door de politie na het ongeval gemaakte en in het geding gebrachte foto’s duidelijk uitwijzen, de omvang van deze coca-colakistjes niet zodanig was, dat daarmede het gat geheel onzichtbaar werd gemaakt, terwijl voorts – naar uit die foto’s blijkt – het openstaande luik duidelijk boven de kistjes zichtbaar moet zijn geweest; (7) ‘’dat hieruit volgt, dat Duchateau niet op de omgeving van het herentoilet heeft gelet, toen hij daarbij was gekomen, en het nu de vraag is, of er reden voor hem bestond, om dit te doen; (8a) ‘’dat – al neemt men aan, dat Duchateau vóór het ongeval het openstaande luik niet heeft opgemerkt, gelijk hij beweert, doch de wederpartij betwist – toch voor Duchateau reden bestond bij het naderen van het toilet om zich heen te zien, alvorens verder te gaan, (8b) dat de deur van het herentoilet, naar Coca-Cola heeft gesteld, getuige Sjouwerman heeft verklaard en op de overgelegde situatiefoto’s is te zien, ingevolge de stand van de meergenoemde kistjes slechts gedeeltelijk open kon, (8c) dat dit feit, hetwelk Duchateau niet kan zijn ontgaan, hem zeker tot een opnemen van de omgeving had moeten brengen, zo hem de vreemde plaats van de kistjes daar – gedeeltelijk op het pad – al niet een waarschuwing had moeten zijn, om op die omgeving te letten; (9) ‘’dat, indien hij dit had gedaan, hem het zich daar ter plaatse bevindende keldergat niet had kunnen ontgaan, hetwelk naar uit de verklaringen van de getuigen Sjouwerman en Boom moet worden afgeleid, voldoende verlicht was; (10) ‘’dat hieruit volgt, dat hij schuld aan het ongeval heeft, en het thans nog slechts de vraag is, of hier van alle schuld, gelijk de Rechtbank heeft aangenomen, dan wel slechts van medeschuld aan zijn zijde sprake is; (11a) ‘’dat volgens de verklaring van de toenmalige eigenaar van de zaak, getuige Boom, deze in geval hij het luik moest openen, het keldergat barricadeerde met stoelen, (11b) dat getuige Sjouwerman ook gemakkelijk dit gat op deze wijze had kunnen barricaderen, (11c) dat hij dit niet heeft gedaan, maar zich volgens zijn eigen verklaring en die van getuige Boom bepaald heeft tot een opstapelen van de kistjes met lege flessen naast het keldergat, zonder de toegang tot de toiletten geheel af te sluiten; (11d) dat Sjouwerman er rekening mede had behoren te houden, dat bezoekers aan de toegang tot het toilet wellicht niet hun volledige aandacht zouden besteden, (11e) dat, gelet op de eenvoudige middelen, waarmede Sjouwerman – als voormeld – de toegang tot het keldergat afdoende had kunnen barricaderen, zo hij meende zich vandaar te moeten verwijderen, ook hem schuld aan het ongeval treft; (12) ‘’dat het Hof, de schuld van Duchateau en die van Sjouwerman tegen elkaar afwegende, van oordeel is, dat ieder van hen voor de helft aansprakelijk is voor het ongeval; (13) ‘’dat derhalve de door Duchateau aangevoerde grief gedeeltelijk is gegrond en Coca-Cola voor de helft van de door het ongeval geleden schade aansprakelijk is te stellen;’’ Overwegende dat Coca-Cola ’s Hofs arrest bestrijdt met het volgende middel van cassatie:
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Civiel recht Zittingsplaats ’s-Gravenhage NK/DN/C Zaak-/rolnr.: 10149541 RL EXPL 22-16594 Vonnis van de kantonrechter van 20 april 2023 in de zaak van [eiser01] , wonende te [woonplaats01] , eisende partij, gemachtigde: mr. A.J. Van, tegen de besloten vennootschap Bewon B.V. , gevestigd te Den Haag, gedaagde partij, gemachtigde: mr. A.N.L. de Hoogh. Partijen zullen worden aangeduid als “ [eiser01] ” en “Bewon”. 1 Procedure 1.1. De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken: de inleidende dagvaarding van 30 september 2022 met producties 1 tot en met 13; de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 8; de akte aanvullende producties tevens houdende wijziging van eis van de zijde van [eiser01] met producties 14 tot en met 20. 1.2.

Op 2 februari 2023 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij is verschenen [eiser01] in persoon, bijgestaan door de gemachtigde voornoemd. Namens Bewon zijn verschenen mw. [naam01] en dhr. [naam02] , bijgestaan door de gemachtigde voornoemd alsmede dhr. [naam03] , schadebehandelaar bij Nationale Nederlanden. Beide partijen hebben hun standpunten aan de hand van spreekaantekeningen nader toegelicht. Van het overig verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt, die zich, evenals de spreekaantekeningen, in het griffiedossier bevinden. 1.3.

Vervolgens is de uitspraak van dit vonnis nader bepaald op heden. 2 Feiten 2.1. [eiser01] is eigenaar van het appartement aan de [adres01] te [plaats01] . Zij verhuurt deze woning aan [naam04] en [naam05] (verder: de huurders). 2.2. [naam06] (verder: [naam06] ) is eigenaar van het naastgelegen appartement aan de [adres02] te [plaats01] . 2.2. Bewon is een aannemingsbedrijf dat diensten aanbiedt op het gebied van bouw, verbouw, renovatie en onderhoud van woningen en bedrijfspanden. Middellijk bestuurder en middellijk aandeelhouder van Bewon zijn mevrouw [naam01] en de heer [naam02] . 2.3.

Bewon is voor bedrijfsaansprakelijkheid verzekerd bij Nationale Nederlanden. 2.4. In 2018 heeft [naam06] aan Bewon opdracht gegeven om renovatiewerkzaamheden in haar appartement uit te voeren. 2.5. Op of omstreeks 7 november 2018 is schade aan het pleisterwerk aan de gemene muur in de slaapkamer van het appartement van [eiser01] ontstaan. [eiser01] heeft [naam06] in de ochtend van 8 november 2018 via Whatsapp van de schade op de hoogte gesteld. Omdat [naam06] op dat moment in het buitenland verbleef, heeft zij [eiser01] bericht dat Bewon om 16.00 uur langs zal komen om de schade te bekijken. 2.6.

Een medewerker van Bewon, [naam07] (verder: [naam07] ) heeft, in het bijzijn van [eiser01] en de huurders, op het afgesproken tijdstip de schade aan het pleisterwerk bekeken. 2.4. [eiser01] is vervolgens het appartement van [naam06] binnengetreden. Zij is naar de achterkamer gelopen, daar door de vloer gezakt en in de ondergelegen kruipruimte terechtgekomen. 2.5. [eiser01] heeft bij brief van 21 december 2018 [naam06] aansprakelijk gesteld voor door de val geleden en nog te lijden schade. 2.7. [eiser01] heeft op 4 januari 2019 bij de politie melding gedaan van het voorval.

Voor zover relevant staat in het meldingsformulier het volgende: “(…) I reported already on 14-11-2018 to police in [plaats02] via phone that the owner of the flat [adres01] , [plaats01] , entered the premises of my home (…) without my permission, in my absence, without my knowledge. (…) She claims she was invited to my place which is not true. (…) I was told by the representative of the company who was present in my flat that a woman ( [eiser01] ) rang the doorbell, a worker who was inside opened, she ignored him and entered energetically my flat.

He was highly surprised. Then she walked quickly into my bedroom in the back of my flat where the floor planks were removed due to putting insulation underneath – thus there was no flooring only beams and insulation material in between – she continued walking on the floor beams – this ended up with her injury. (…)” 2.8. [naam06] heeft bij brief van 11 januari 2019 elke aansprakelijkheid van de hand gewezen. 2.9. Bewon is bij brief van 21 februari 2020 door [eiser01] aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het letsel dat zij door de val heeft opgelopen. 2.6.

Nationale Nederlanden heeft bij e-mailbericht van 4 maart 2020 de aansprakelijkheid van Bewon afgewezen. 3 Vordering 3.1. [eiser01] vordert, na wijziging van eis, dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. voor recht verklaart dat Bewon aansprakelijk is voor de door [eiser01] geleden en nog te lijden schade, zowel materieel als immaterieel; II. Bewon veroordeelt tot betaling van: een voorschot van € 5.000,00 dan wel een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag op de door [eiser01] geleden en te lijden immateriële schade; een voorschot van € 9.818,68 dan wel een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag op de door [eiser01] geleden materiële schade; de wettelijke rente over voornoemde schade vanaf de datum van het ontstaan van de schade, te weten 8 november 2018 dan wel vanaf het uitbrengen van de dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening; de kosten van dit geding;

III. deze zaak verwijst naar de schadestaatprocedure voor het vaststellen van de toekomstige materiële schade voortvloeiend uit het ongeval van 8 november 2018. 3.2. [eiser01] legt aan deze vordering, naast voormelde feiten, het navolgende ten grondslag. Bewon heeft jegens [eiser01] gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt door haar zonder persoonlijke beschermingsmiddelen (zoals een helm) en door haar uit te nodigen een bouwplaats te betreden en daarin zonder waarschuwing over een vloer te laten lopen die niet de veiligheid bood die [eiser01] daarvan mocht verwachten. 3.3.

Het bedrag aan materiële schade bestaat uit de kosten voor het repareren van de muur van € 1.887,60, de aanschaf van een nieuwe telefoon van € 1.221,69, de niet vergoede zorgkosten van [eiser01] over de periode 2018 tot en met 2022, inclusief eigen risico en eigen bijdragen van € 6.709,39. 3.4. [eiser01] stelt door de val zowel lichamelijk als psychisch letsel te hebben opgelopen. Zij heeft hoofdletsel opgelopen in de vorm van (vermoedelijk) een schedelbasisfractuur, een hersenschudding en een beschadiging van de aangezichtszenuw. Daarnaast is er sprake van een posttraumatische stress stoornis.

Omdat nog niet duidelijk is in hoeverre het fysieke letsel bij [eiser01] heeft geleid tot blijvende afwijkingen of beperkingen, kan de schade nog niet definitief worden bepaald en zal later moeten worden opgemaakt bij staat, aldus [eiser01] . 3.5. Bewon heeft verweer gevoerd. Bewon stelt zich op het standpunt dat [eiser01] in haar vorderingen niet ontvankelijk is, althans dat deze dienen te worden afgewezen. De medewerker van Bewon heeft [eiser01] niet uitgenodigd om de woning van [naam06] te betreden. [eiser01] is zelf naar de woning van [naam06] toe gegaan.

Toen een andere medewerker van Bewon de deur van die woning opende, is [eiser01] zonder toestemming naar binnen gegaan en is zij doorgelopen naar de achterkamer. [eiser01] wist dat de woning van [naam06] een bouwplaats was waar sloopwerkzaamheden plaatsvonden en zij had daarom de nodige voorzichtigheid in acht moeten nemen. Bovendien was goed zichtbaar – gelet op de blootliggende balken en isolatie – dat de kamer niet (zo maar) kon worden betreden. Bewon wordt ten onrechte verweten dat zij geen beschermingsmiddelen (zoals een helm) ter beschikking heeft gesteld. [eiser01] was namelijk niet uitgenodigd om de woning te betreden.

Het verwijt dat de medewerkers van Bewon geen waarschuwing hebben gegeven is niet terecht. [eiser01] is immers direct naar de achterkamer gelopen. Het voorval voltrok zich binnen enkele seconden. De medewerkers van Bewon hadden in redelijkheid niet kunnen vermoeden dat [eiser01] dergelijk onvoorzichtig gedrag zou vertonen. Dat [eiser01] letsel heeft opgelopen komt voor haar eigen rekening en risico. 3.6. Indien Bewon toch aansprakelijk is, heeft [eiser01] zelf schuld aan het voorval. De handelswijze van [eiser01] rechtvaardigt een percentage eigen schuld van 90% althans 80%.

Bewon acht het gevorderde bedrag als voorschot op smartengeld bovenmatig. In andere zaken zijn voor vergelijkbaar of ernstiger letsel lagere bedragen toegekend. Het eventueel toe te kennen bedrag aan smartengeld dient hooguit € 2.000,00 te bedragen. 3.3. Bewon bestrijdt, bij gebrek aan een onderbouwing, dat de door [eiser01] gevorderde niet vergoede zorgkosten over de periode 2018 tot en met 2022 verband houden met het voorval van 8 november 2018. 3.7. Bewon heeft aangeboden om de schade aan de muur van [eiser01] te herstellen. [eiser01] is daar echter nooit op ingegaan.

De herstelwerkzaamheden zouden enkel bestaan uit het opnieuw stukken van de schadeplek, gevolgd door verven. Een bedrag van € 500,00 voor zo’n klus is redelijk. 3.8. De stelling dat de telefoon van [eiser01] door het ongeval beschadigd is geraakt, is niet onderbouwd en daarnaast is niet aangetoond wat de schade is geweest. Bij begroting van de schadeomvang dient bovendien rekening te worden gehouden met aftrek voor nieuw voor oud van minstens 50%. 3.10. Bewon verzoekt de kantonrechter, ten slotte, om de vordering ten aanzien van verwijzing naar de schadestaat af te wijzen, nu de schade zich definitief laat begroten.

Tot zover het verweer van Bewon. 4 Beoordeling 4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser01] op 8 november 2018 in het appartement van [naam06] ten val is gekomen. Partijen verschillen van mening over de toedracht van de val en over de vraag of (en zo ja, in hoeverre) Bewon jegens [naam06] aansprakelijk is voor de gevolgen van haar val. Feitelijke toedracht val staat niet vast 4.2. [eiser01] heeft over de feitelijke toedracht van haar val gesteld dat zij op 8 november 2018, op verzoek van een medewerker van Bewon om van de oorzaak van de schade aan de gemene muur foto’s te maken, het appartement van [naam06] heeft betreden, achter een medewerker van Bewon is aangelopen en in de achterkamer na enkele passen door de vloer is gezakt.

De gestelde toedracht van de val berust op haar eigen verklaring. In de getuigenverklaring van de huurders wordt bevestigd dat [eiser01] werd uitgenodigd door ‘de aannemer’ om de oorzaak van de schade te bekijken en gezamenlijk het appartement van [naam06] zijn binnengelopen. Door Bewon is de toedracht uitdrukkelijk en gemotiveerd betwist aan de hand van een tweetal getuigenverklaringen van medewerkers van Bewon. Daarmee staat de gestelde feitelijke toedracht van de val naar het oordeel van de kantonrechter voorshands onvoldoende vast. In beginsel zou [eiser01] dan ook - conform de hoofdregel van artikel 150 Rv - bewijs dienen te leveren van de gestelde feitelijke toedracht van de val.

Bewijslevering kan in dit geval achterwege blijven, nu de kantonrechter van oordeel is dat, zelfs indien de door [eiser01] gestelde feitelijke toedracht van de val zou komen vast te staan, Bewon hiervoor niet aansprakelijk kan worden gehouden. Hiertoe overweegt de kantonrechter als volgt. Geen onrechtmatige daad Bewon 4.3. In de dagvaarding baseert [eiser01] de aansprakelijkheid van Bewon op de stelling dat Bewon [eiser01] zonder beschermingsmiddelen (zoals een helm) en zonder waarschuwing over een vloer heeft laten lopen die niet de veiligheid bood die [eiser01] daarvan mocht verwachten, waarmee sprake is van een (aan Bewon toerekenbare) onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW. 4.4.

Op grond van artikel 6:162 BW is hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, die aan hem kan worden toegerekend, verplicht om de daardoor veroorzaakte schade te vergoeden. Een onrechtmatige daad kan er onder meer in bestaan dat iemand een andere persoon niet waarschuwt voor een gevaarlijke situatie terwijl hij zelf met dat gevaar bekend is. Onder 'gevaarzetting' in de zin van artikel 6:162 BW wordt verstaan het in het leven roepen of laten voortbestaan van een gevaar voor personen of zaken, waaronder begrepen het achterwege laten van voldoende voorzorgsmaatregelen ter voorkoming van de verwezenlijking van dat gevaar. 4.5.

De kantonrechter overweegt dat of en in hoeverre aan iemand die een situatie in het leven roept die voor anderen bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk is, de eis kan worden gesteld dat hij rekening houdt met de mogelijkheid dat die oplettendheid en voorzichtigheid niet zullen worden betracht en met het oog daarop bepaalde veiligheidsmaatregelen neemt, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Daarbij dient onder meer te worden gelet op de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, maar ook op de grootte van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, op de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben, en op de mate van bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen.

Zie HR 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079 (Kelderluik). 4.6. Bewon heeft, mede ter zitting, toegelicht dat op de dag van de val in achterkamer isolatiewerkzaamheden aan de vloer werden verricht. In de bewuste kamer werden zogenaamde (polyetheen) isolatieplaten tussen de vloerbalken gelegd. Een deel van de vloer was nog niet voorzien van isolatieplaten waardoor de ondergelegen kruipruimte goed zichtbaar was. Ter onderbouwing verwijst zij naar een foto van de betreffende vloer. Volgens Bewon was het voor een ieder, en dus óók voor [eiser01] , direct duidelijk dat de vloer in de achterkamer niet althans niet zo maar kon worden belopen en was het valgevaar eenvoudig kenbaar en daarmee voorzienbaar. 4.7.

De kantonrechter maakt uit de overgelegde foto op dat er een duidelijk kleurverschil is tussen de houten vloerbalken en de wit/grijs/zwart gevlekte isolatieplaten, die daardoor onmiddellijk opvallen. De platen, die niet bedoeld zijn om zonder vloerafwerking te worden belopen, rusten op uitsparingen in de vloerbalken boven de kruipruimte en dat betekent dat als iemand erop stapt, de isolatieplaat kan breken, waardoor de kans op een ongeval met letselschade groot is. De kantonrechter is met Bewon van oordeel dat dit valgevaar inderdaad aanstonds kenbaar is, nu ook voor een leek duidelijk is dat de een ‘dragende’ houten afdekvloer ontbreekt.

De isolatieplaten hebben een zichtbare structuur van geperst schuim, waarbij bovendien algemene bekendheid is dat “schuim” weinig solide en draagkrachtig materiaal is. Daarbij komt dat de renovatiewerkzaamheden in het appartement van [naam06] nog volop in uitvoering waren. Van een ieder mocht daarom reeds bij het betreden van het appartement worden verwacht dat de nodige oplettendheid en voorzichtigheid in acht zou worden genomen. 4.8. Ter zitting heeft [eiser01] verklaard dat de vloer, egaal beige van kleur, nog helemaal dicht was en de isolatieplaten langs de muur opeengestapeld lagen.

De sloopwerkzaamheden waren nog bezig, waaronder een muur die moest worden afgebroken. De aanblik van de vloer gaf volgens [eiser01] dus geen aanleiding voorzichtigheid te betrachten. De kantonrechter volgt [eiser01] hierin niet. Indien er, op het moment van haar val in de achterkamer nog sloopwerkzaamheden plaatsvonden, kan zonder meer worden aangenomen dat de vloer beloopbaar is. Het is anders niet mogelijk deze werkzaamheden, waarbij bouwlieden op de vloer moet open, uit te voeren. Nu vaststaat dat [eiser01] door de vloer is gezakt, is het betoog van [eiser01] op dit punt ongeloofwaardig en onvoldoende onderbouwd.

Ook klopt de verklaring van [eiser01] op dit punt niet met de verklaring van de huurders, die aangegeven dat ze door een niet dragende vloer/isolatielaag (piepschuim) is gezakt. Ook in de brief van de gemachtigde van [eiser01] van 21 februari 2020 aan Bewon staat dat [eiser01] door een niet dragende vloer/isolatielaag (piepschuim) is gezakt. De kantonrechter houdt het er dan ook voor dat de vloer op dat moment ‘slechts’ bestond uit vloerbalken met daartussen isolatieplaten. Of de vloer voor een deel (nog) niet was voorzien van isolatieplaten en gedeeltelijk ‘open’ lag, zoals Bewon stelt, kan in het midden blijven.

Ook bij een volledig met isolatieplaten opgevulde vloer had voor [eiser01] duidelijk moeten zijn dat de vloer niet zonder meer kon worden belopen en had zij, in ieder geval voordat zij de vloer betrad, moeten verifiëren of dat wel mogelijk was. De omstandigheid dat indien het aanwezige risico zich toch zou verwezenlijken en zich een ongeval zou voordoen bij het betreden van de vloer, met mogelijk (ernstig) letsel tot gevolg en het weinig bezwaarlijk was geweest indien (één van de aanwezige medewerkers van) Bewon [eiser01] vooraf had gewaarschuwd, komt in het licht van het voorgaande geen doorslaggevende betekenis toe. 4.9.

Gelet hierop is de kantonrechter van oordeel dat Bewon [eiser01] niet behoefde te waarschuwen voor de niet beloopbare vloer en evenmin behoefde zij [eiser01] bij het binnentreden van beschermingsmiddelen (zoals een helm) te voorzien. De medewerkers van Bewon hadden in redelijkheid immers niet kunnen voorzien dat [eiser01] dergelijk onvoorzichtig gedrag zou vertonen. Bewon heeft niet onrechtmatig jegens [eiser01] gehandeld. Dit betekent dat de omstandigheid dat [eiser01] letsel heeft opgelopen voor haar eigen rekening en risico komt. 4.10. De conclusie luidt dan ook dat de door [eiser01] verzochte verklaring voor recht, de verzochte veroordelingen en de verwijzing naar de schadestaatprocedure zullen worden afgewezen.

De overige verweren van Bewon, waaronder het beroep op eigen schuld van [eiser01] , behoeft bij deze uitkomst geen beoordeling meer. 4.11. [eiser01] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. 5 Beslissing De kantonrechter 5.1. wijst de vorderingen af; 5.2. veroordeelt [eiser01] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van Bewon vastgesteld op € 792,00 aan salaris van de gemachtigde van Bewon; 5.3. verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter, mr.

D. Nobel en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 april 2023.