Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2023:7174 ECLI:NL:RBDHA:2023:7174 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:7174 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2023:7174
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL23.9670 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [Naam], eiser v-nummer: [Nummer](gemachtigde: mr. M.L. Hoogendoorn), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Eiser heeft op 30 maart 2023 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 29 juni 2019. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb uitspraak zonder zitting. Overwegingen 1. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:7174 · Rechtbank Den Haag: Omdat het beroep gegrond is, zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb bepalen dat verweerder alsnog een besluit bekend dient te maken op de asielaanvraag van eiser. In een uitspraak van 8 juli 2020 heeft de Afdeling verweerder gevolgd in het standpunt dat een termijn van acht weken voor het houden van een eerste gehoor en een termijn van acht weken voor het bekend maken van een besluit op de aanvraag (het 8+8-wekenmodel) passend is 5. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder op te dragen zo spoedig mogelijk op de asielaanvraag van eiser te beslissen, maar uiterlijk binnen acht weken na verzending van deze uitspraak.

Keywords

AI generated
delayed asylum application untimely request for extension postponement of trial reasonable duration of the proceedings time limits for seeking redress suspension period

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2016:2233
201504891/1/A3. Datum uitspraak: 17 augustus 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: 1. [appellant sub 1], wonend te Ede, 2. het college van burgemeester en wethouders van Ede, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 7 mei 2015 in zaak nr. 14/7670 in het geding tussen: [appellant sub 1] en het college. Procesverloop Bij besluit van 14 februari 2013 heeft het college een verzoek van [appellant sub 1] om wijziging van de van hem in de basisregistratie personen (hierna: brp) geregistreerde nationaliteit afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2022:2067
202100402/1/A3. Datum uitspraak: 20 juli 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellante], wonend te [woonplaats], en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 7 januari 2021 heeft de minister opnieuw besloten op het door [appellante] gemaakte bezwaar en haar verzoek om wissing van haar persoonsgegevens afgewezen. Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld. [appellante] en de minister hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak op de zitting behandeld van 22 november 2021, waar [appellante], vertegenwoordigd door [partner], en de minister, vertegenwoordigd door mr.
ECLI:NL:RVS:2020:1560
202000935/1/V1.Datum uitspraak: 8 juli 2020 AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 28 januari 2020 in zaak nr. NL19.29203 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop De vreemdeling heeft tegen het uitblijven van een besluit op zijn aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel te verlenen beroep ingesteld bij de rechtbank.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL23.9670 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [Naam], eiser v-nummer: [Nummer](gemachtigde: mr. M.L. Hoogendoorn), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Eiser heeft op 30 maart 2023 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 29 juni 2019. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb uitspraak zonder zitting. Overwegingen 1. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.

2. Eiser heeft op 29 juni 2019 een asielaanvraag ingediend. Op 4 augustus 2020 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Op 30 augustus 2022 heeft de Afdeling het besluit vernietigd en aan verweerder opgedragen om opnieuw op de asielaanvraag te beslissen.

3. De rechtbank stelt vast dat de Afdeling verweerder in de uitspraak van 30 augustus 2022 heeft opgedragen een nieuw besluit te nemen, zonder daarbij een nieuwe termijn te stellen. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling moet het bestuursorgaan in dat geval beslissen binnen dezelfde termijn als de termijn die gold voor het nemen van het vernietigde besluit. Gelet op artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 dient verweerder daarom binnen zes maanden, gerekend vanaf de dag na die waarop de uitspraak van 30 augustus 2022 aan partijen bekend is gemaakt, een nieuw besluit op de asielaanvraag van eiser te nemen. De beslistermijn is na 28 februari 2023 verstreken. De rechtbank stelt vast dat eiser verweerder op 8 maart 2023 rechtsgeldig in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien meer dan twee weken zijn verstreken alvorens eiser het beroep heeft ingesteld. Het beroep is daarmee kennelijk gegrond.

4. Omdat het beroep gegrond is, zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb bepalen dat verweerder alsnog een besluit bekend dient te maken op de asielaanvraag van eiser. In een uitspraak van 8 juli 2020 heeft de Afdeling verweerder gevolgd in het standpunt dat een termijn van acht weken voor het houden van een eerste gehoor en een termijn van acht weken voor het bekend maken van een besluit op de aanvraag (het 8+8-wekenmodel) passend is 5. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder op te dragen zo spoedig mogelijk op de asielaanvraag van eiser te beslissen, maar uiterlijk binnen acht weken na verzending van deze uitspraak.

Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat hoewel de uiterste termijn van 21 maanden ruim is overschreden, uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de rechter geen nadere termijn mag stellen waarvan op voorhand vaststaat dat het bestuursorgaan die niet kan halen zonder onzorgvuldig te werk te gaan. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder eiser heeft uitgenodigd om op 20 april 2023 aanvullend te worden gehoord.

6. Op grond van artikel 8:55d, tweede lid van de Awb bepaalt de rechtbank dat verweerder een dwangsom van € 100 moet betalen voor elke dag waarmee deze termijn wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 7.500.

7. In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 418,50, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.

Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; draagt verweerder op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken op de aanvraag van eiser; bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100 (honderd euro) moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500 (zevenduizendvijfhonderd euro); veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 418,50 (vierhonderdachttien euro en vijftig cent).

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. N.F. Kreeftmeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Algemene wet bestuursrecht. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 17 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2233, en van 20 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2067. ECLI:NL:RVS:2020:1560.