Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2023:6364 ECLI:NL:RBDHA:2023:6364 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:6364 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2023:6364
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL23.11613 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. R.W. Koevoets), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. R. Hopman). Procesverloop Bij besluit van 16 maart 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft op 17 april 2023 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 106 van de Vw, artikel 59a van de Vw; ECLI:NL:RBDHA:2023:6364 · Rechtbank Den Haag: Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

Keywords

AI generated
flight risk illegal departure grounds deportation despite health issues risk of overstaying unreasonableness of return to Afghanistan post-flight political activities

Cited Legislation

AI generated
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL23.11613 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. R.W. Koevoets), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. R. Hopman). Procesverloop Bij besluit van 16 maart 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft op 17 april 2023 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Verweerder heeft op 13 april 2023 de maatregel van bewaring opgeheven omdat hij in het kader van de Dublinverordening is overgedragen. Op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de bestuursrechter bepaald dat het onderzoek zonder zitting kan worden behandeld. Eiser heeft zich hiermee schriftelijk akkoord verklaard. Op 18 april 2023 heeft eiser de beroepsgronden ingediend. Op 21 april 2023 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 25 april 2023 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum].

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

3. De maatregel van bewaring is gebaseerd op artikel 59a van de Vw omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening. Verweerder heeft op grond van artikel 5.1b van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) vijf zware gronden en vier lichte gronden aan de bewaring ten grondslag gelegd.

3. Eiser heeft noch de grondslag van de bewaring, noch de gronden ervan in beroep weersproken. Eiser voert aan dat het verdedigingsbeginsel is geschonden omdat verweerder onvoldoende heeft doorgevraagd over persoonlijke belangen, bijzondere feiten of omstandigheden die zouden kunnen of moeten leiden tot de toepassing van een lichter middel. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser voldoende in de gelegenheid is gesteld is om te verklaren over de omstandigheden die zouden kunnen leiden tot de toepassing van een lichter middel.

4. De rechtbank stelt voorop dat de niet betwiste gronden van de maatregel al voldoende dragend zijn voor de conclusie dat ten tijde van de maatregel een significant risico bestond dat eiser zich zou onttrekken aan het toezicht. Verder blijkt uit het proces verbaal van het gehoor voorafgaand aan de maatregel dat eiser expliciet gevraagd is of er redenen zijn om in zijn geval een lichter middel dan bewaring toe te passen. Eiser heeft vervolgens geen feiten of omstandigheden aangevoerd ter rechtvaardiging van een lichter middel. Eiser heeft ook in het gehoor verklaard dat hij de vragen goed heeft begrepen.

5. Daarbij komt dat eiser ook in beroep niet heeft verteld welke individuele omstandigheden er concreet aanwezig waren om in zijn geval een lichter middel toe te passen. De beroepsgrond treft dus geen doel.

6. Ook ambtshalve onderzoek leidt niet tot de conclusie dat de maatregel op enig moment onrechtmatig is geweest.

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Verweerder hoeft geen proceskosten te betalen. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. S.S. van der Velde, griffier, en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Verordening (EU) nr. 604/2013.