Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2023:616 ECLI:NL:RBDHA:2023:616 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:616 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2023:616
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.21136 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiseres], eiseres, V-nummer: [V-nummer] mede namens haar minderjarige kind [naam kind] (gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar asielaanvraag. Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van de rechtbank om een verweerschrift in te dienen. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:616 · Rechtbank Den Haag: Op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb kan de bestuursrechter het bestuursorgaan opdragen een nieuw besluit te nemen of een andere handeling te verrichten met inachtneming van zijn aanwijzingen. Daarbij kan hij het bestuursorgaan een termijn stellen voor het nemen van het nieuwe besluit of het verrichten van de andere handeling.

Keywords

AI generated
delayed asylum application right to a decision prosecutorial delay revision of asylum decision expiry of statutory deadline postponement of trial

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBDHA:2021:2368
Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 8 maart 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:2368, is het daartegen door eiseres ingestelde beroep ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2022:265
202101565/1/V2. Datum uitspraak: 27 januari 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kind, appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 maart 2021 in zaak nr. NL21.1600 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 27 januari 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2020:1560
202000935/1/V1.Datum uitspraak: 8 juli 2020 AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 28 januari 2020 in zaak nr. NL19.29203 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop De vreemdeling heeft tegen het uitblijven van een besluit op zijn aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel te verlenen beroep ingesteld bij de rechtbank.
ECLI:NL:RVS:2022:3353
202203068/1/V1. Datum uitspraak: 30 november 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 22 april 2022 in zaak nr. NL22.2074 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop De vreemdeling heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna ook: asielaanvraag) te verlenen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.21136 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiseres], eiseres, V-nummer: [V-nummer] mede namens haar minderjarige kind [naam kind] (gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar asielaanvraag. Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van de rechtbank om een verweerschrift in te dienen. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Overwegingen 1. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.

2. Eiseres heeft op 9 mei 2019 een asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 27 januari 2021 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 8 maart 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:2368, is het daartegen door eiseres ingestelde beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 27 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:265, is het daartegen door eiseres ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, is de uitspraak van de rechtbank van 8 maart 2021 vernietigd, is het beroep alsnog gegrond verklaard en is het besluit van 27 januari 2021 vernietigd. Dit brengt met zich dat er opnieuw op de asielaanvraag van eiseres beslist moet worden.

3. Wanneer bij het vernietigen van een besluit geen termijn is gesteld voor het opnieuw beslissen op de aanvraag, geldt volgens vaste jurisprudentie dat het bestuursorgaan gehouden is om een nieuw besluit te nemen binnen de beslistermijn die gold voor het vernietigde besluit. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 bedraagt deze beslistermijn zes maanden. De rechtbank stelt vast dat verweerder geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden in het vierde en het vijfde lid om deze termijn te verlengen. Dit betekent dat verweerder uiterlijk op 27 juli 2022 een beslissing had moeten nemen.

4. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is verstreken zonder dat er een nieuwe beslissing op de asielaanvraag van eiseres is genomen. Eiseres heeft verweerder op 3 augustus 2022 rechtsgeldig in gebreke gesteld. Hierna zijn meer dan twee weken verstreken voordat eiseres beroep heeft ingesteld. Het beroep is daarom kennelijk gegrond.

5. Eiseres verzoekt de rechtbank verweerder op te dragen binnen vier weken alsnog een besluit te nemen, verweerder een dwangsom van € 50,- op te leggen voor elke dag dat hij in gebreke blijft deze uitspraak na te leven en verweerder te veroordelen in de door haar gemaakte proceskosten.

6. Op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb kan de bestuursrechter het bestuursorgaan opdragen een nieuw besluit te nemen of een andere handeling te verrichten met inachtneming van zijn aanwijzingen. Daarbij kan hij het bestuursorgaan een termijn stellen voor het nemen van het nieuwe besluit of het verrichten van de andere handeling.

7. Op grond van de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1560, houdt de rechter er in asielzaken rekening mee dat verweerder aanvragen binnen een redelijke termijn moet hebben behandeld. Bij de bepaling van een nadere beslistermijn is van belang dat de zorgvuldigheid van de besluitvorming zwaar weegt. De rechter stelt dus geen nadere beslistermijn waarvan op voorhand vaststaat dat het bestuursorgaan niet zorgvuldig te werk kan gaan. Volgens de Afdeling is een termijn van acht weken voor het houden van een eerste gehoor en een termijn van acht weken hierna voor het bekendmaken van een besluit op de aanvraag (het 8+8-weken-model) passend.

8. De rechtbank stelt vast dat eiseres in het kader van het besluit van 27 januari 2021 al is gehoord en dat niet is gebleken dat eiseres in dit stadium van de procedure aanvullend moet worden gehoord of dat andere onderzoeksmiddelen moeten worden ingezet. De rechtbank zal daarom bepalen dat verweerder thans binnen acht weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden een besluit aan eiseres bekendmaakt.

9. Uit de uitspraak van de Afdeling van 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3353, volgt dat artikel 1 van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND zoals die luidt sinds 11 juli 2021 onverbindend is voor zover daarin is bepaald dat de artikelen 8:55d, tweede lid, en 8:72, zesde lid, van de Awb niet van toepassing zijn op besluiten op asielaanvragen. Dit betekent dat de bestuursrechter ook in asielprocedures, indien het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, bepaalt dat verweerder binnen de door hem gestelde termijn alsnog een besluit neemt en aan zijn uitspraak een nadere dwangsom verbindt voor iedere dag dat verweerder in gebreke blijft de uitspraak na te leven.

10. De rechtbank zal gelet hierop bepalen dat verweerder een dwangsom verbeurt voor elke dag dat hij in gebreke blijft deze uitspraak na te leven ter hoogte van € 100,- per dag met een maximum van € 7.500,-.

11. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 418,50 bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.

Beslissing De rechtbank:  verklaart het beroep gegrond;  vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;  draagt verweerder op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken op de asielaanvraag van eiseres;  bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100 (honderd euro) verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500 (vijfenzeventighonderd euro);  veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ter hoogte van € 418,50 (vierhonderdachttien euro en vijftig cent).

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Deze uitspraak is bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.