Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2023:522 ECLI:NL:RBDHA:2023:522 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:522 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2023:522
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 22/1226 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 januari 2023 in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], eiser en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder (gemachtigde: mr. L. Hegie) Inleiding Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op 10 aanvragen om bijzondere bijstand en voorzieningen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Daarnaast heeft verweerder volgens eiser niet tijdig beslist op zijn bezwaar tegen het besluit van 14 oktober 2021. Overwegingen 1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 6:12 van de Awb, artikel 8:55c van de Awb, artikel 6 van het EVRM; ECLI:NL:RBDHA:2023:522 · Rechtbank Den Haag: Eiser heeft verzocht om de dwangsom vast te stellen. De rechtbank kan de eventuele verschuldigdheid en hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 van de Awb verbeurde dwangsom niet vaststellen omdat het beroep niet-ontvankelijk is. Dit volgt uit artikel 8:55c van de Awb.

Keywords

AI generated
missed deadline untimely request for extension late notice of dismissal statute of limitations bar one-week time limit late submission preclusion

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is.
artikel 6:12 van de Awb
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
artikel 8:55c van de Awb
Dit volgt uit artikel 8:55c van de Awb.
artikel 6 van het EVRM
Reeds hierom kan van schending van artikel 6 van het EVRM geen sprake zijn.

Cited Case Law

AI generated
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 22/1226 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 januari 2023 in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], eiser en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder (gemachtigde: mr. L. Hegie) Inleiding Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op 10 aanvragen om bijzondere bijstand en voorzieningen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Daarnaast heeft verweerder volgens eiser niet tijdig beslist op zijn bezwaar tegen het besluit van 14 oktober 2021. Overwegingen 1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is.

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.

3. Eiser is te vroeg in beroep gegaan. De termijn van twee weken die in de ingebrekestelling van 13 februari 2022 staat was namelijk nog niet voorbij toen eiser het beroep op 22 februari 2022 indiende. Reeds hierom is het beroep niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk kan beoordelen.

4. Eiser heeft verzocht om de dwangsom vast te stellen. De rechtbank kan de eventuele verschuldigdheid en hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 van de Awb verbeurde dwangsom niet vaststellen omdat het beroep niet-ontvankelijk is. Dit volgt uit artikel 8:55c van de Awb.

5. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

7. Eiser heeft in al zijn lopende beroepszaken de rechtbank verzocht om binnen een redelijke termijn uitspraak te doen. De rechtbank merkt dit aan als een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De rechtbank overweegt dat vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van eiser tegen het besluit van 14 oktober 2021 op 16 oktober 2021 tot de datum van deze uitspraak nog geen twee jaar zijn verstreken.

Reeds hierom kan van schending van artikel 6 van het EVRM geen sprake zijn. Het verzoek om schadevergoeding wordt derhalve afgewezen. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep niet-ontvankelijk; wijst het verzoek om vaststelling van de ingevolge afdeling 4.1.3 van de Awb verbeurde dwangsom af; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van mr. D.W.A. van Weert, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2023. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Zie het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.