Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2023:4931 ECLI:NL:RBDHA:2023:4931 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:4931 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2023:4931
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL23.3099 V-nummer: [V-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser (gemachtigde: mr. M. Issa), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: S. Günes). Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft daarop gereageerd. Partijen hebben desgevraagd niet kenbaar gemaakt dat zij op een zitting willen worden gehoord. De rechtbank doet uitspraak zonder een zitting te houden. Overwegingen 1. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank wijst dit verzoek af. De rechtbank heeft echter ten onrechte geen griffierecht geheven, zodat eiser het griffierecht ook niet kon betalen. De rechtbank verbindt hier geen consequenties aan.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RBDHA:2023:4931 · Rechtbank Den Haag: De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in overeenstemming met het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat verweerder een dwangsom van € 100,- is verschuldigd voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 7.500,-.

Keywords

AI generated
undue delay in asylum right to a decision expired residence permit untimely request for extension uninterrupted residence lack of procedural indigence

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL23.3099 V-nummer: [V-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser (gemachtigde: mr. M. Issa), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: S. Günes). Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft daarop gereageerd. Partijen hebben desgevraagd niet kenbaar gemaakt dat zij op een zitting willen worden gehoord. De rechtbank doet uitspraak zonder een zitting te houden. Overwegingen 1. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank wijst dit verzoek af. De rechtbank heeft echter ten onrechte geen griffierecht geheven, zodat eiser het griffierecht ook niet kon betalen. De rechtbank verbindt hier geen consequenties aan.

2. Partijen zijn het erover eens dat het beroep gegrond is. De rechtbank gaat daarvan uit. De rechtbank moet alleen een nadere beslistermijn bepalen.

3. Verweerder heeft in zijn verweerschrift van 16 februari 2023 verzocht om een beslistermijn van vier weken.

4. De rechtbank ziet aanleiding om aan verweerder een beslistermijn van twee weken op te leggen. De beslistermijn waar verweerder om heeft verzocht is namelijk al verstreken. Dit betekent dat verweerder uiterlijk binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend moet maken.

5. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in overeenstemming met het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat verweerder een dwangsom van € 100,- is verschuldigd voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 7.500,-.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder ook in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 627,75 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 0,5 punt voor het indienen van een reactie op het verweerschrift met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.

Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - draagt verweerder op uiterlijk binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag te nemen; - bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-; en, - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 627,75. Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, rechter, in aanwezigheid van E.P.W. Kwakman, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).