Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2023:4899 ECLI:NL:RBDHA:2023:4899 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:4899 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2023:4899
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL23.6619 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. M.C.W. van der Zanden), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. S.H.M. Maas). Procesverloop Bij besluit van 3 maart 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL23.6620, op 20 maart 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Toma. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1992 en heeft de Syrische nationaliteit. Op 10 november 2022 heeft hij een asielaanvraag ingediend in Nederland.

Legislator headnote

AI generated

artikel 3 van het EVRM; ECLI:NL:RBDHA:2023:4899 · Rechtbank Den Haag: Het enkele gegeven dat pushbacks ook plaatsvinden bij vreemdelingen die zich op afstand van de grens op het grondgebied van Bulgarije bevinden maakt dat niet anders. Daargelaten dat uit het aanmeldgehoor niet volgt dat eiser eerder in Bulgarije drie keer te maken heeft gehad met pushbacks naar Turkije en dat dit ook niet is aangevuld in de correcties en aanvullingen, stelt verweerder terecht dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ook als Dublinterugkeerder te maken zal krijgen met pushbacks. Uit het claimakkoord volgt dat sprake is van een expliciet akkoord op basis van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening.

Keywords

AI generated
Dublin transfer to Hungary asylum for Syrian nationals Albanian asylum request migration risk proof of persecution risk Turkish nationals

Cited Legislation

AI generated
artikel 3 van het EVRM
De overdracht van eiser aan Bulgarije is dan ook in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBAMS:2023:223
Van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem van 2 maart 2023, ECLI:NLRBDHA:2023:2454, zittingsplaats Amsterdam van 24 januari 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:223, zittingsplaats Roermond van 20 januari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:476 en zittingsplaats Utrecht van 17 januari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:644.
ECLI:NL:RBDHA:2023:476
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: NL22.25021 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. P.A.E. Engelen), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. H.J. Metselaar). Zitting hebben: mr. S. van Lokven voorzieningenrechter mr. R.J. Timmermans – Hoek griffier Procesverloop Bij besluit van 7 december 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
ECLI:NL:RBDHA:2023:644
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.25614 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:RVS:2022:1042
202104072/1/V3. Datum uitspraak: 13 april 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 18 juni 2021 in zaak nr. NL21.4807 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 30 maart 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 18 juni 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL23.6619 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. M.C.W. van der Zanden), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. S.H.M. Maas). Procesverloop Bij besluit van 3 maart 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL23.6620, op 20 maart 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Toma. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1992 en heeft de Syrische nationaliteit. Op 10 november 2022 heeft hij een asielaanvraag ingediend in Nederland.

2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser eerder in Bulgarije een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft Bulgarije daarom verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. Bulgarije heeft dit verzoek op 13 januari 2023 aanvaard.

3. Eiser voert aan dat ten aanzien van Bulgarije niet langer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat in Bulgarije systematisch pushbacks plaatsvinden. Verweerder had nader onderzoek moeten doen naar de feitelijke situatie van Dublinclaimanten na een overdracht aan Bulgarije. Ter onderbouwing verwijst hij naar verschillende uitspraken. Eiser voert ter zitting aan dat hij eerder in Bulgarije drie keer te maken heeft gehad met pushbacks naar Turkije. Ook heeft hij verduidelijkt dat hij geen identificatiebrief maar een voedselbon van de Bulgaarse autoriteiten heeft ontvangen.

Eiser stelt aannemelijk te hebben gemaakt dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Bulgarije systeemfouten bevatten. De overdracht van eiser aan Bulgarije is dan ook in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Voorts heeft eiser traumatische ervaringen opgedaan in Bulgarije. Eiser meent dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen toepassing is gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening. Tot slot heeft eiser ter zitting verzocht om zijn zaak aan te houden in afwachting van de zitting bij de Afdeling op 18 april 2022.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Vaststaat dat Bulgarije in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek van eiser. In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Bulgarije uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat daar in zijn geval niet van kan worden uitgegaan. Hiervoor geldt een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid.

5. Niet in geschil is dat er in Bulgarije sprake is van pushbacks en dit wordt in zijn algemeenheid aangemerkt als een fundamentele systeemfout in de asielprocedure die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt. In geschil is of deze fundamentele systeemfout ook relevant is voor de overdracht van Dublinterugkeerders naar Bulgarije.

6. Eiser is er niet in geslaagd om concrete aanknopingspunten te leveren op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat hij als Dublinterugkeerder ook het reële risico loopt om door middel van een pushback vanuit Bulgarije te worden doorgestuurd naar een derde land, zonder dat hij een verzoek om internationale bescherming heeft kunnen doen en een asielprocedure heeft kunnen doorlopen. Uit de door eiser overgelegde stukken blijkt namelijk geen specifieke informatie over de situatie van Dublinterugkeerders die te maken hebben gekregen met pushbacks in Bulgarije.

Het enkele gegeven dat pushbacks ook plaatsvinden bij vreemdelingen die zich op afstand van de grens op het grondgebied van Bulgarije bevinden maakt dat niet anders. Daargelaten dat uit het aanmeldgehoor niet volgt dat eiser eerder in Bulgarije drie keer te maken heeft gehad met pushbacks naar Turkije en dat dit ook niet is aangevuld in de correcties en aanvullingen, stelt verweerder terecht dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ook als Dublinterugkeerder te maken zal krijgen met pushbacks. Uit het claimakkoord volgt dat sprake is van een expliciet akkoord op basis van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening.

In dat geval, zo blijkt uit pagina 39 van het AIDA-rapport, wordt de Dublinclaimant overgebracht naar een opvangvoorziening. Gelet op de bewijslastverdeling tussen partijen is er geen aanleiding voor de conclusie dat verweerder hier nader onderzoek dient te doen. De rechtbank volgt hiermee niet de door eiser overgelegde uitspraken van enkele andere zittingsplaatsen.

7. Gelet op de voorgaande conclusie ziet de rechtbank in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om de uitkomst van de procedure bij de Afdeling, af te wachten.

8. Ook de overige door eiser genoemde argumenten treffen geen doel. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de brief, waarover hij tijdens het aanmeldgehoor heeft verklaard, daadwerkelijk een voedselbon is. Verweerder is daarom terecht uitgegaan van een identificatiebrief. Dit betekent dat eiser met een dergelijke identificatiebrief in staat is zijn identiteit en rechtmatig verblijf aan te tonen en niet zal worden aangemerkt als een illegale vreemdeling. Eisers stelling dat hij in Bulgarije gedwongen werd om vingerafdrukken af te staan, betekent niet dat de autoriteiten van Bulgarije zich onrechtmatig hebben gedragen: de lidstaten zijn immers op grond van de Eurodacverordening verplicht om illegale vreemdelingen die het grondgebied van de lidstaten binnenkomen te registreren.

Verweerder heeft in dit verband ook terecht opgemerkt dat Bulgarije met het claimakkoord de garantie heeft gegeven dat de asielaanvraag van eiser, met inachtneming van de Europese asiel- en opvangrichtlijnen, in behandeling wordt genomen. Dat betekent ook dat er geen sprake zal zijn van uitzetting naar het land van herkomst in strijd met het verbod van refoulement en dat eiser aanspraak maakt op opvangvoorzieningen. Voor zover eiser stelt te zijn mishandeld door de Bulgaarse autoriteiten en dat Bulgarije in strijd handelt met deze richtlijnen, kan en dient hij daarover te klagen bij de (hogere) Bulgaarse autoriteiten.

Eiser heeft niet onderbouwd dat dit voor hem niet mogelijk of volstrekt zinloos is.

9. Gelet op het voorgaande heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om eisers asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken zoals bedoeld in artikel 17 van de Dublinverordening.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Verordening (EU) Nr. 604/2013. Van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem van 2 maart 2023, ECLI:NLRBDHA:2023:2454, zittingsplaats Amsterdam van 24 januari 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:223, zittingsplaats Roermond van 20 januari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:476 en zittingsplaats Utrecht van 17 januari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:644.

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Zie hiervoor het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Jawo van 19 maart 2019 (ECLI:EU:C:2019:218). Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1042. Verslag aanmeldgehoor Dublin, pagina 6. Artikel 14 van de Verordening (EU) nr. 603/2013.