Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2023:4882 ECLI:NL:RBDHA:2023:4882 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:4882 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2023:4882
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.6526 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. M. Issa), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Op 20 augustus 2021 heeft eiser eenasielaanvraag ingediend. In het besluit van 8 april 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser ingewilligd. Op 14 april 2022 heeft eiser tegen hetbestreden besluit beroep ingesteld. Overwegingen 1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.1 2.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RBDHA:2023:4882 · Rechtbank Den Haag: In de artikelen 4:17 tot en met 4:19 van de Awb staat dat het bestuursorgaan een dwangsom moet betalen aan een betrokkene als het bestuursorgaan niet op tijd een beslissing neemt. Sinds 11 juli 2021 geldt de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (Tijdelijke wet), waarin is bepaald dat deze artikelen niet van toepassing zijn als het gaat om een besluit op een asielaanvraag voor bepaalde tijd. Verweerder hoefde dus geen bestuurlijke dwangsommen meer te betalen als hij te laat beslist in dat soort zaken. De vraag ontstond of dit in strijd was met het Unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel en het 1.

Keywords

AI generated
suspension of naturalization stay of deportation order delayed asylum application immigration and asylum policy reinstatement of refugee status removal under immigration law

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2022:3352
202203066/1/V1. Datum uitspraak: 30 november 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 22 april 2022 in zaak nr. NL21.11403 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop De vreemdeling heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna ook: asielaanvraag) te verlenen.
ECLI:NL:RVS:2018:3113
201703125/1/A2. Datum uitspraak: 26 september 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Voorschoten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 maart 2017 in zaak nr. 16/8369 in het geding tussen: [appellant] en de burgemeester van Voorschoten. Procesverloop Bij besluit van 24 maart 2016 heeft de burgemeester aan [appellant] een rijbewijs afgegeven voor de duur van vijf jaar. Bij besluit van 30 augustus 2016 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2022:3353
202203068/1/V1. Datum uitspraak: 30 november 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 22 april 2022 in zaak nr. NL22.2074 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop De vreemdeling heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna ook: asielaanvraag) te verlenen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.6526 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. M. Issa), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Op 20 augustus 2021 heeft eiser eenasielaanvraag ingediend. In het besluit van 8 april 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser ingewilligd. Op 14 april 2022 heeft eiser tegen hetbestreden besluit beroep ingesteld. Overwegingen 1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.1 2.

Eiser heeft verweerder op 3 maart 2022 in gebreke gesteld en verweerder heeft vervolgens op 8 april 2022 op zijn asielaanvraag beslist. Eiser voert aandat verweerder niet binnen de beslistermijn op zijn aanvraag heeft beslist en daarom bestuurlijke dwangsommen is verschuldigd. Verweerder heeft zichin het bestreden besluit volgens eiser ten onrechte op het standpunt gesteld dat op grond van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (Tijdelijke wet) geen dwangsommen zijn verbeurd. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 22 april 2022.1 Heeft verweerder een bestuurlijke dwangsom verbeurd? 3.

In de artikelen 4:17 tot en met 4:19 van de Awb staat dat het bestuursorgaan een dwangsom moet betalen aan een betrokkene als het bestuursorgaan niet op tijd een beslissing neemt. Sinds 11 juli 2021 geldt de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (Tijdelijke wet), waarin is bepaald dat deze artikelen niet van toepassing zijn als het gaat om een besluit op een asielaanvraag voor bepaalde tijd. Verweerder hoefde dus geen bestuurlijke dwangsommen meer te betalen als hij te laat beslist in dat soort zaken. De vraag ontstond of dit in strijd was met het Unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel en het 1.

Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). doeltreffendheidsbeginsel. In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 30 november 20222 is geoordeeld dat het opschorten van de bestuurlijke dwangsom geen strijd oplevert met het Unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel. Daarmee staat vast dat verweerder geen bestuurlijke dwangsom is verschuldigd als hij te laat beslist op een asielaanvraag voor bepaalde tijd.

4. Volgens eiser is de Tijdelijke wet in strijd met het non-discriminatiebeginsel. De rechtbank oordeelt dat het beroep van eiser op het non- discriminatiebeginsel niet slaagt. Dit beginsel houdt namelijk in wezenin, dat personen in vergelijkbare situaties eenvergelijkbare behandeling zouden moeten krijgen enniet minder gunstig behandeld mogen worden, omdat ze eenbepaalde „beschermde” eigenschap bezitten.3 Zoals volgt uit de uitspraak van de ABRvSvan 30 november 20224 verschilt de asielprocedure met andere bestuurlijke procedures wat betreft het voorwerp, oorzaak en voornaamste kenmerken. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser niet in een vergelijkbare situatie verkeerd als eenpersoon in een andere bestuursrechtelijke procedure, waarin de bestuurlijke dwangsom niet is afgeschaft. Alleen aldaarom is er geensprake van discriminatie.

5. De verweerder heeft inmiddels al beslist op de aanvraag. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding tot een rechterlijke dwangsom.

6. Het beroep dat is gericht tegen het alsnog genomen besluit is kennelijk ongegrond. Voor eenproceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van D.A.M. Delger, griffier. 2 ECLI:NL:RVS:2022:3352. 3 Zie bijvoorbeeld het Handboek over het Europese non-discriminatierecht van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten en Raad van Europa, 2020, p. 46 en ECLI:NL:RVS:2018:3113, ro.2.4. 4 ECLI:NL:RVS:2022:3353. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 17 februari 2023 Documentcode: [documentcode] Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent.

Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.