Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2023:472 ECLI:NL:RBDHA:2023:472 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:472 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2023:472
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL23.339 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser, V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. A. Dogan), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. J. Raaijmakers). Procesverloop Bij besluit van 3 januari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:472 · Rechtbank Den Haag: Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Verordening (EU) nr. 604/2013. Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Artikel 5.1b, derde lid, van het Vb. Asielzoekerscentrum. HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.

Keywords

AI generated
risk of overstaying Dublin transfer to Croatia Dublin system regulations removal detention under immigration law deportation despite health issues
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL23.339 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser, V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. A. Dogan), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. J. Raaijmakers). Procesverloop Bij besluit van 3 januari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 11 januari 2023 op zitting behandeld in Breda. Met een beeldverbinding hebben deelgenomen eiser, zijn gemachtigde en de tolk H. Barzizaoua. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2001 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben. Maatregel van bewaring 2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.

Als zware gronden staat in de maatregel vermeld dat eiser:  3 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;  3 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;  3 3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten; En als lichte gronden staat in de maatregel vermeld dat eiser:  4 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;

 4 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;  4 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de zware gronden 3a en 3b feitelijk juist en voldoende toegelicht. Deze zware gronden tezamen alleen al zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Verweerder heeft op grond hiervan terecht een significant risico aangenomen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Lichter middel 4. Eiser voert aan dat verweerder in zijn geval met een lichter middel had kunnen volstaan. Eiser stelt meewerkend te zijn en heeft aangegeven terug te willen naar Oostenrijk. Hij had dan ook in een AZC kunnen verblijven totdat zijn reis naar Oostenrijk is verzorgd. Verder maakt eiser zich zorgen om zijn minderjarig broertje dat ook in Nederland is. Tot slot is eiser astmapatiënt en heeft hij last van zijn ademhaling, omdat hij opgesloten zit.

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet gehouden was een lichter middel aan eiser op te leggen. Verweerder heeft dat voldoende toegelicht. Bij eiser bestaat namelijk, gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd en de motivering daarvan, een significant risico op onttrekking aan het toezicht en eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat een lichter middel net zo doeltreffend is als de maatregel van bewaring. Daarbij merkt verweerder terecht op dat eiser eerder een vrijheidsbeperkende maatregel is opgelegd en hij hier zich niet aan heeft gehouden.

Uit de stukken blijkt dat eiser meermaals, óók na het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel, heeft geprobeerd via Hoek van Holland illegaal naar Engeland te reizen. Verweerder heeft in de maatregel en op zitting overigens terecht gemotiveerd dat eisers minderjarig broertje is opgevangen door Nidos en hij contact met hem kan opnemen en dit geen reden is voor het opleggen van een lichter middel. Verder heeft verweerder in de maatregel terecht gemotiveerd dat in het Detentiecentrum Rotterdam medische en psychische voorzieningen aanwezig zijn, welke gelijk zijn aan de voorzieningen in de vrije maatschappij.

Het is niet gebleken dat eiser detentieongeschikt is. Ambtshalve toets 6. Ook ambtshalve toetsing leidt niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Conclusie 7. De maatregel van bewaring is terecht aan eiser opgelegd. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Verordening (EU) nr. 604/2013. Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Artikel 5.1b, derde lid, van het Vb. Asielzoekerscentrum. HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.