Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2023:469 ECLI:NL:RBDHA:2023:469 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:469 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2023:469
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL23.341 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser, V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. A. Dogan), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. J. Raaijmakers). Procesverloop Bij besluit van 4 januari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:469 · Rechtbank Den Haag: En als lichte gronden staat in de maatregel vermeld dat eiser:  4 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;  4 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Keywords

AI generated
removal unlawful stay removal under immigration law immigration law fraud entry into a country deportation despite health issues

Cited Case Law

AI generated
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL23.341 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser, V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. A. Dogan), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. J. Raaijmakers). Procesverloop Bij besluit van 4 januari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 11 januari 2023 op zitting behandeld in Breda. Met een beeldverbinding hebben deelgenomen eiser, zijn gemachtigde en de tolk A.I. Fawzy-Polac. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1984 en heeft de Poolse nationaliteit. Maatregel van bewaring 2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat deze nodig is in het belang van de openbare orde, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.

Als zware gronden staat in de maatregel vermeld dat eiser:  3 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;  3 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;  3 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;  3 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;

En als lichte gronden staat in de maatregel vermeld dat eiser:  4 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;  4 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de zware en lichte gronden feitelijk juist en voldoende toegelicht, zodat deze aan de maatregel ten grondslag mogen worden gelegd. Lichter middel 4. Eiser voert aan dat verweerder met een lichter middel had kunnen volstaan, door bijvoorbeeld een meldplicht op te leggen. Eiser verblijft al twintig jaar in Nederland en heeft altijd arbeid verricht. Verder heeft eiser een vast woon-/ verblijfadres bij een vriend.

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet gehouden was een lichter middel aan eiser op te leggen. Verweerder heeft dat voldoende toegelicht. Bij eiser bestaat namelijk een risico op onttrekking aan het toezicht en eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat een lichter middel doeltreffender was geweest. Verweerder heeft bovendien bij besluit van 31 oktober 2022, aan eiser uitgereikt op 15 november 2022, vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland en om die reden bepaald dat hij Nederland binnen een maand dient te verlaten. Eiser heeft geen gevolg gegeven aan dit besluit. Detentiegeschiktheid 6. Verder voert eiser aan dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten te onderzoeken of eiser detentiegeschikt was. Eiser heeft namelijk een epileptische aanval gehad en is daarvoor opgenomen geweest in het ziekenhuis.

7. De rechtbank stelt voorop dat het volgens vaste rechtspraak van de Afdeling aan de vreemdeling is om aan te tonen dat hij detentieongeschikt is. Daarvan is pas sprake indien vaststaat dat de in detentie beschikbare medische zorg in het geval van de vreemdeling niet toereikend is. Ook kan sprake zijn van detentieongeschiktheid indien is aangetoond dat de vreemdeling niet in staat is de inbewaringstelling op verantwoorde wijze te ondergaan of wanneer zijn psychische omstandigheden in detentie door gebrek aan medische zorg verslechteren.

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht het standpunt heeft ingenomen dat niet is gebleken dat eiser niet detentieongeschikt is. Eiser heeft weliswaar een epileptische aanval gehad, maar dat betekent nog niet dat hij detentieongeschikt is. Verweerder heeft op zitting toegelicht dat eiser na onderzoek in het ziekenhuis op dezelfde avond is teruggekeerd naar het Detentiecentrum Rotterdam. Hij is overgeplaatst naar een andere afdeling en is onder de aandacht van de medische dienst. Verder is niet gebleken dat de zorgverlening in detentie niet voldoet, dat eiser de detentie niet op verantwoorde wijze kan ondergaan, of dat zijn gezondheid in detentie is verslechterd. De beroepsgrond treft geen doel. Ambtshalve toets 9. Ook ambtshalve toetsing leidt niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Conclusie 10. De maatregel van bewaring is terecht aan eiser opgelegd. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Bijvoorbeeld de uitspraak van 11 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1162. HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.