Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2023:4402 ECLI:NL:RBDHA:2023:4402 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:4402 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2023:4402
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL23.8052 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser, V-nummer: [v-nummer] (gemachtigde: mr. S. Oukil), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. T. Stelpstra). Procesverloop Bij besluit van 9 maart 2023 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6a, in samenhang met artikel 6, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 23 maart 2023 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen mevrouw H. Abdulla. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1983 en heeft de Keniaanse nationaliteit.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:4402 · Rechtbank Den Haag: Over de zware gronden voert eiser aan dat het besluit ondeugdelijk is gemotiveerd, nu het niet is toegespitst op zijn individuele situatie. Daarnaast voert eiser aan dat hem niet tegengeworpen kan worden dat hij op onrechtmatige wijze Nederland is binnengekomen, omdat hij reisde met een geldig paspoort en een geldig visum en dit voor eiser de enige manier is om Nederland binnen te komen om hier asiel aan te vragen. Volgens eiser mag er volgens artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag geen sanctie staan op hoe een vluchteling het grondgebied van een verdragsstaat binnenkomt.

Keywords

AI generated
risk of overstaying violations of foreigners act removal breach of entry ban removal under immigration law asylum of Sri Lankan nationals

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBDHA:2023:201
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: NL23.576 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:RVS:2017:504
201700683/1/V3. Datum uitspraak: 21 februari 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 16 januari 2017 in zaak nr. 17/112 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 2 januari 2017 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 16 januari 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2017:2125
201704953/1/V3. Datum uitspraak: 7 augustus 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 13 juni 2017 in zaak nr. NL17.2697 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 29 mei 2017 is aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij uitspraak van 13 juni 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend.
ECLI:NL:RVS:2009:BK1629
Procesverloop Bij besluit van 10 juli 2009 is [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL23.8052 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser, V-nummer: [v-nummer] (gemachtigde: mr. S. Oukil), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. T. Stelpstra). Procesverloop Bij besluit van 9 maart 2023 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6a, in samenhang met artikel 6, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 23 maart 2023 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen mevrouw H. Abdulla. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1983 en heeft de Keniaanse nationaliteit.

2. Eiser is op 15 januari 2023 in Nederland aangekomen en heeft om asiel gevraagd. Dezelfde dag is een vrijheidsontnemende maatregel aan hem opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, Vw. Het beroep hiertegen is door deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, bij uitspraak van 17 februari 2023 ongegrond verklaard. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen op de grond dat Roemenië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Op 6 maart 2023 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Eiser heeft vervolgens hoger beroep ingesteld. Op 23 maart 2023 heeft de hoogste bestuursrechter een voorlopige voorziening getroffen, ertoe strekkende dat eiser niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep wordt beslist.

3. In het bestreden besluit heeft verweerder gemotiveerd aangegeven dat sprake is van Dublin-aanknopingspunten en van een significant onttrekkingsrisico. Ter onderbouwing dat een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken heeft verweerder als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3j. aan de grens te kennen heeft gegeven een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te willen indienen, en zijn aanvraag met toepassing van de grensprocedure niet in behandeling is genomen, niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond; 3m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

4. Eiser voert aan dat de maatregel moet worden opgeheven nu de hoogste bestuursrechter heeft geoordeeld dat hij hangende het hoger beroep niet uitgezet mag worden. Volgens eiser is overdracht het doel van bewaring. Nu niet duidelijk is of eiser wordt overgedragen aan Roemenië, mag hij niet langer in bewaring worden gehouden. Eiser verwijst daarbij naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 13 januari 2023.

5. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter (uitspraak van 21 februari 2017) verweerder de gelegenheid moet worden geboden zich twee dagen na de toewijzing van de voorlopige voorziening te beraden of hij de maatregel voort wil zetten. Eisers betoog wordt daarom niet gevolgd.

6. Over de zware gronden voert eiser aan dat het besluit ondeugdelijk is gemotiveerd, nu het niet is toegespitst op zijn individuele situatie. Daarnaast voert eiser aan dat hem niet tegengeworpen kan worden dat hij op onrechtmatige wijze Nederland is binnengekomen, omdat hij reisde met een geldig paspoort en een geldig visum en dit voor eiser de enige manier is om Nederland binnen te komen om hier asiel aan te vragen. Volgens eiser mag er volgens artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag geen sanctie staan op hoe een vluchteling het grondgebied van een verdragsstaat binnenkomt.

7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht zware grond 3a aan de maatregel ten grondslag gelegd. Eiser is namelijk met een ander verblijfsdoel Nederland ingereisd dan waar de visum voor verleend is. Verweerder verwijst daarbij terecht naar de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 7 augustus 2017. Anders dan eiser betoogt is dit niet in strijd met artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag. Zoals ook de hoogste bestuursrechter heeft geoordeeld in de uitspraak van 19 oktober 2009 is bewaring immers geen bestraffende sanctie, maar een maatregel met het oog op de voorgenomen uitzetting (in dit geval overdracht).

8. Verder is niet in geschil dat eiser geen vaste woon- of verblijfsplaats heeft. Met deze twee gronden, 3a en 4c, wordt voldaan aan de voorwaarden voor inbewaringstelling als bedoeld in artikel 5.1a, eerste lid, Vb en heeft verweerder in redelijkheid kunnen aannemen dat er een significant risico op onttrekking bestaat. De overige gronden behoeven daarom geen bespreking meer.

9. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel.

10. De rechtbank overweegt dat de maatregel van artikel 6a, in samenhang met artikel 6, zesde lid, van de Vw wordt opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. De maatregel wordt niet opgelegd indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die de vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken. Het grensbewakingsbelang vergt in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel, omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen. Eiser is voorafgaand aan de oplegging van de maatregel gehoord en is daarbij in de gelegenheid gesteld feiten en omstandigheden naar voren te brengen die volgens hem maken dat het opleggen van de maatregel niet mogelijk is.

Ook is hem gevraagd of er bijzondere medische omstandigheden zijn waarmee rekening gehouden moet worden. Eiser heeft daarop verklaard dat hij lijdt aan een voorstadium van suikerziekte en een dieet moet volgen. Verweerder heeft over deze medische omstandigheden in de maatregel overwogen dat eiser zich kan wenden tot de medische dienst in het detentiecentrum voor behandeling. De medische dienst kan betrokkene indien gewenst doorverwijzen naar een specialist. Daarmee heeft verweerder de medische problematiek van eiser afdoende in de belangenafweging betrokken.

Verweerder heeft zich in het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel daarom terecht op het standpunt gesteld dat de vrijheidsontnemende maatregel in de situatie van eiser niet onevenredig bezwarend is. De beroepsgrond slaagt niet.

11. Tot slot is het besluit niet ondeugdelijk gemotiveerd. Naar het oordeel van de rechtbank is het land ‘België’ op bladzijde 3 van het bestreden besluit een kennelijke verschrijving. Ook heeft verweerder met de overgelegde memo voldoende gemotiveerd dat het besluit om technische redenen een onjuist tijdstip van oplegging vermeldt. Conclusie 12. Nu ook anderszins niet is gebleken dat de maatregel van bewaring onrechtmatig moet worden geacht, is het beroep ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking . ECLI:NL:RBDHA:2023:201 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/deeplink/ecli?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:201). ECLI:NL:RVS:2017:504 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/deeplink/ecli?id=ECLI:NL:RVS:2017:504). ECLI:NL:RVS:2017:2125 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/deeplink/ecli?id=ECLI:NL:RVS:2017:2125). ECLI:NL:RVS:2009:BK1629 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/deeplink/ecli?id=ECLI:NL:RVS:2009:BK1629) . Vreemdelingenbesluit 2000.