Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2023:4170 ECLI:NL:RBDHA:2023:4170 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:4170 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2023:4170
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 16/4730 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 maart 2023 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. A.T. Eisenmann), en de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder (gemachtigde: I.S. IJserinkhuijsen). Procesverloop Bij besluit van 26 november 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten de aanvraag voor een Nederlands paspoort van eiser niet in behandeling te nemen (lees: af te wijzen). Bij besluit van 14 april 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:4170 · Rechtbank Den Haag: Verweerder heeft op goede gronden geconcludeerd dat op 31 oktober 2013 aan alle toepassingsvoorwaarden zoals geformuleerd in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN was voldaan. 5.1 Verweerder heeft terecht gesteld dat het, vanuit het oogpunt van eigen verantwoordelijkheid van Nederlanders die in het buitenland wonen, mag worden verlangd dat zij zich adequaat laten voorlichten over de geldende regels met betrekking tot het behoud van het Nederlanderschap. 5.2 Verder geldt dat, voor zover sprake zou zijn geweest van schending van het vertrouwensbeginsel doordat onvoldoende voorlichting is gegeven over de mogelijkheid van verlies van rechtswege van de Nederlandse nationaliteit, dit niet de wettelijke bepaling van artikel 15, aanhef en onder c, van de RWN opzij kan zetten.

Keywords

AI generated
departure from a country nationality right to naturalisation immigration law fraud return migration marriage of convenience

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBDHA:2017:7307
Rechtbank DEN HAAG Meervoudige kamer Rekestnummer: HA RK 15-392 Zaaknummer: C/09/496026 Datum beschikking: 29 juni 2017 Beschikking op het op 10 september 2015 ingekomen verzoekschrift van: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Ghana, de minderjarige, in rechte vertegenwoordigd door: Jeugdbescherming Regio Amsterdam, gevestigd te Amsterdam (hierna: Jeugdbescherming), verzoeker, advocaat mr. S.S. Jangali te Amsterdam, tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN, (Ministerie van Veiligheid en Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst, verder te noemen “de IND”), zetelende te ’s-Gravenhage, belanghebbende, vertegenwoordigd door mr.
ECLI:NL:HR:2003:AL8544
Het geding in feitelijke instantie Met een op 21 maart 2002 ter griffie van de rechtbank te 's-Gravenhage ingekomen verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie - verder te noemen: [verzoeker] - zich gewend tot die rechtbank en verzocht op de voet van artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) vast te stellen dat [verzoeker] de Nederlandse nationaliteit bezit. De Staat heeft bij brief van 21 mei 2002 zijn standpunt kenbaar gemaakt. De rechtbank heeft na een mondelinge behandeling op 17 oktober 2002, alwaar tevens de officier van justitie is gehoord, bij beschikking van 14 november 2002 het verzoek van [verzoeker] afgewezen. De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
ECLI:NL:HR:2022:331
Moet ten aanzien van personen die door de autoriteiten lange tijd als Nederlander zijn aangemerkt – in de woorden van de Hoge Raad, NJ 1984/650: indien ‘niet blijkt dat de autoriteiten ooit in twijfel hebben getrokken dat aan klaagster en haar moeder de achternaam V. en de Nederlandse nationaliteit toekwamen’ – een grens in de tijd worden aangelegd aan betwisting door de autoriteiten van het Nederlanderschap? En zo ja, welke? 2. Geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting het oordeel van het hof in de eerste tussenbeschikking, rov. 2.12, te weten ‘dat als de met de uitvoering van de RWN belaste autoriteiten ervoor kiezen om bij de aanvraag van een verlenging van een paspoort dossiers van 62 jaren oud uit te pluizen op onvolkomenheden, het hof de vrijheid heeft om – in afwijking van wat in het algemeen geldt – geen zware eisen te stellen aan het bewijs van bezit van staat’? 3.
ECLI:NL:RVS:2020:423
201504577/2/A3, 201507057/2/A3, 201508588/2/A3, 201601993/2/A3, 201604943/1/A3 en 201608752/1/A3.
ECLI:NL:HR:2015:766
27 maart 2015 Eerste Kamer 14/01861 EE/TT Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: De STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst),zetelende te Den Haag, VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. M.M. van Asperen, t e g e n [verweerster],wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. G.E.M. Later. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de Staat en [verweerster].
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 16/4730 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 maart 2023 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. A.T. Eisenmann), en de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder (gemachtigde: I.S. IJserinkhuijsen). Procesverloop Bij besluit van 26 november 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten de aanvraag voor een Nederlands paspoort van eiser niet in behandeling te nemen (lees: af te wijzen). Bij besluit van 14 april 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 16 november 2016 op zitting behandeld. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Bij besluit van 28 juni 2022 (het wijzigingsbesluit) heeft verweerder het bestreden besluit gewijzigd. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van eiser mede betrekking op dit wijzigingsbesluit. Het onderzoek ter zitting is hervat op 17 februari 2023 met behulp van een beeldverbinding.

Eiser en zijn gemachtigde waren aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Wat heeft verweerder besloten? 1. Verweerder heeft geweigerd aan eiser een Nederlands paspoort te verstrekken. De reden daarvoor is dat eiser volgens verweerder met ingang van 31 oktober 2013 het Nederlanderschap heeft verloren op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Wat vindt eiser in beroep? 2. Eiser kan zich met het verlies van het Nederlanderschap niet verenigen en stelt dat hij gedurende minstens een jaar zijn hoofdverblijf in het Verenigd Koninkrijk heeft gehad, waardoor de verliestermijn is gestuit op grond van artikel 15, derde lid, van de RWN.

Daarnaast heeft verweerder eiser niet geïnformeerd over de mogelijkheid van verlies van het Nederlanderschap. Het bestreden besluit is ook in strijd met het Europees evenredigheidsbeginsel. Tot slot is toepassing van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN in strijd met het Europees Verdrag inzake nationaliteit (EVN). . Wat is het oordeel van de rechtbank? 3. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser in Israël is geboren en tevens de Israëlische nationaliteit heeft. Tussen partijen is in de eerste plaats in geschil of eiser op 31 oktober 2013 gedurende de verliestermijn tien jaar ononderbroken zijn hoofdverblijf buiten de Europese Unie heeft gehad.

4. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij langer dan een jaar onafgebroken zijn hoofdverblijf binnen de Europese Unie heeft gehad. Eiser heeft verschillende documenten overgelegd om aan te tonen dat hij van 1 maart 2006 tot en met 28 februari 2007 zijn hoofdverblijf in het Verenigd Koninkrijk heeft gehad. Dat zijn een kamerhuurovereenkomst met een huurperiode van 1 maart 2006 tot en met 28 februari 2007 op naam van eiser en zijn broer, een ventvergunning uitgegeven aan de broer van eiser voor een periode van 26 oktober 2006 tot en met 25 oktober 2007, een factuur van 22 december 2006 voor een televisieabonnement geadresseerd aan eiser, foto’s en schriftelijke getuigenverklaringen van de echtgenote van eiser, de broer van eiser en een zakenpartner van eiser en zijn broer.

Hoewel eiser gevolgd kan worden in zijn betoog dat een inschrijving in de Basisregistratie personen (Brp) niet zondermeer noodzakelijk is om het hoofdverblijf aan te tonen, bieden de overgelegde documenten naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende objectieve aanknopingspunten om vast te kunnen stellen dat eiser daadwerkelijk langer dan een jaar onafgebroken in het Verenigd Koninkrijk zijn hoofdverblijf heeft gehad. De stelling van eiser dat het Verenigd Koninkrijk geen equivalent heeft van de Nederlandse Brp, maakt dat niet anders. Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij langer dan een jaar zijn hoofdverblijf in het Verenigd Koninkrijk heeft gehad, is de verliestermijn niet gestuit.

Verweerder heeft op goede gronden geconcludeerd dat op 31 oktober 2013 aan alle toepassingsvoorwaarden zoals geformuleerd in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN was voldaan. 5.1 Verweerder heeft terecht gesteld dat het, vanuit het oogpunt van eigen verantwoordelijkheid van Nederlanders die in het buitenland wonen, mag worden verlangd dat zij zich adequaat laten voorlichten over de geldende regels met betrekking tot het behoud van het Nederlanderschap. 5.2 Verder geldt dat, voor zover sprake zou zijn geweest van schending van het vertrouwensbeginsel doordat onvoldoende voorlichting is gegeven over de mogelijkheid van verlies van rechtswege van de Nederlandse nationaliteit, dit niet de wettelijke bepaling van artikel 15, aanhef en onder c, van de RWN opzij kan zetten.

In de RWN is limitatief bepaald in welke gevallen het Nederlanderschap wordt verkregen en verloren. Dit is overwogen door de Hoge Raad in de beschikking van 19 december 2003 en in de beslissing op prejudiciële vragen van 25 februari 2022. Uit die jurisprudentie volgt dat het Nederlanderschap niet kan worden verkregen en evenmin kan worden behouden door de werking van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het betoog van eiser dat hij nooit is geïnformeerd over de mogelijkheid van het verlies van het Nederlanderschap, slaagt niet.

6. In geschil is verder of het verlies van de Nederlandse nationaliteit in het geval van eiser de evenredigheidstoets doorstaat zoals die voortvloeit uit de uitspraak van het Europees Hof van Justitie in de zaak Tjebbes e.a. Het Hof oordeelde dat de verliesgrond zoals vastgelegd in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN niet principieel in strijd is met het Unierecht, maar dat het wel mogelijk moet zijn om achteraf de proportionaliteit van het mogelijke verlies te toetsen in het licht van het Europese recht. Het Hof overwoog onder meer dat met name relevant kan zijn het feit dat de betrokkene door het verlies van rechtswege van het Nederlanderschap en van het Unieburgerschap zou worden geconfronteerd met beperkingen in de uitoefening van zijn recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten, wat in voorkomend geval leidt tot bijzondere moeilijkheden om zich naar Nederland of een andere lidstaat te blijven begeven om daar zijn beroepsactiviteiten te verrichten of de noodzakelijke stappen te ondernemen om er dergelijke activiteiten te verrichten. 7.1 De hoogste bestuursrechter heeft beslist dat het peilmoment waarop dient te worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel het moment van het verlies van het Nederlanderschap is.

Ook besliste de hoogste bestuursrechter dat slechts feiten en omstandigheden die verband houden met rechten voortvloeiend uit het Europees burgerschap relevant zijn voor de evenredigheidstoets. Bij de beoordeling moeten niet alleen de gevolgen van het verlies van het Nederlanderschap die zich op het peilmoment reeds hebben gemanifesteerd worden betrokken, maar ook de gevolgen die op dat moment redelijkerwijze voorzienbaar waren. Gevolgen die op het peilmoment hypothetisch zijn of waarvan niet vaststaat dat die zich voor zullen doen, hoeven niet in de beoordeling te worden betrokken. 7.2 Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat eiser op grond van artikel 4:2, tweede lid, van de Awb verplicht is om de gegevens en bescheiden die voor een beslissing op aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen, te verschaffen.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst in afwachting van de uitspraak in de zaak Tjebbes e.a. en verweerder heeft eiser naar aanleiding van deze uitspraak meerdere keren in de gelegenheid gesteld uiteen te zetten welke consequenties het bestreden besluit voor hem heeft. Eiser heeft herhaaldelijk geen gebruik gemaakt van deze gelegenheid, waaruit verweerder bij het wijzigingsbesluit heeft geconcludeerd dat het verlies van het Nederlanderschap geen onevenredige Unierechtelijke gevolgen voor hem heeft. De rechtbank volgt deze redenatie van verweerder.

Eiser heeft na het wijzigingsbesluit aangevoerd dat hij voornemens was naar het Verenigd Koninkrijk te emigreren om daar een bedrijf te starten, waartoe wederom naar de overgelegde schriftelijke getuigenverklaringen is verwezen. De rechtbank volgt dit betoog van eiser niet. De reden daarvoor is dat niet valt in te zien waarom het redelijkerwijs niet mogelijk was deze informatie op verzoek van verweerder te verschaffen, zodat voorafgaand aan het wijzigingsbesluit advies van de Immigratie- en Naturalisatiedienst kon worden ingewonnen. Daarnaast is de rechtbank niet gebleken van objectieve aanknopingspunten waaruit kan worden afgeleid dat het voornemen van eiser op het peilmoment - 31 oktober 2013 - meer dan hypothetisch was.

8. Het betoog van eiser dat het verlies van het Nederlanderschap in strijd is met het EVN slaagt niet, omdat dit verdrag geen rechtstreekse werking heeft.

9. De rechtbank ziet in hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd, voor zover dit een herhaling betreft van dat wat al in bezwaar naar voren is gebracht en waarop verweerder in het bestreden besluit al gemotiveerd is ingegaan, geen aanleiding voor een ander oordeel nu eiser in zoverre niet heeft aangegeven wat er niet juist is aan de motivering van het bestreden besluit.

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder terecht heeft geweigerd aan eiser een Nederlands paspoort te verstrekken. Verweerder hoeft de kosten die eiser voor deze procedure heeft gemaakt niet te vergoeden. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Janmaat, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2023. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent.

Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 juni 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:7307). ECLI:NL:HR:2003:AL8544. ECLI:NL:HR:2022:331. Uitspraak van 12 maart 2019, C-221/17 (ECLI:EU:C:2019:189). Uitspraak van de ABRvS van 12 februari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:423). Arrest van de Hoge Raad van 27 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:766).